Bij het Weesperplein was het lang wachten op lijn 7. Het meisje met de cello op haar rug zuchtte ongeduldig, de dame met het norse hondje tuurde vertwijfeld de horizon af, en de dokwerker-achtige verschijning klaagde dat hij ‘net zo goed kon gaan lopen’ waarna hij ging zitten en een sigaret opstak.
Dat laatste was een goeie zet. Zodra je een sigaret opsteekt komt de tram eraan, dat is een eeuwenoude traditie. En ja hoor, daar kwam hij! De dokwerker trapte zijn sigaret uit met een spijtig ‘daar gáát weer een gulden’ en wrong zich in de propvolle tram; ook de dame kon er nog net bij, met hondje en al, waarna de deuren zich sloten achter diens humeurige snuitwerk.
Over de auteur
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.
‘Kut, kut, kut!’, riep het cellomeisje stampvoetend. Terwijl ik de wegrijdende tram ontgoocheld nakeek passeerde er een fiets, bestuurd door een man met een knotje (waar ik op tegen ben). Op de bagagedrager stond een jongetje van een jaar of 8, rechtop, zijn handen op de schouders van de knotjesman.
Ook dáár ben ik op tegen. Tegen het staan van kinderen op bagagedragers, bedoel ik. Je ziet het vaak, en ik vind het doodeng. Ik had nog nooit zo’n kind zien vallen, maar nu kreeg ik toch gelijk: het jongetje verloor zijn evenwicht en lazerde pal voor mijn voeten op straat.
Nét niet met zijn kop tegen de stoeprand, goddank, en hij huilde oorverdovend, wat altijd een goed teken is bij kinderen, want het betekent dat ze niet dood zijn. Wel lag zijn knie lelijk open. ‘Jezus’, zei de knotjesman hurkend. ‘Gáát het, Stijn?’
‘Neeee’, jammerde Stijn. Ik haalde een flesje water uit mijn tas, want die knie zat vol met stukjes Weesperplein. Kijk, daar kwam lijn 7 alweer aanrijden! Ik spoelde de knie af, het kind brulde, en de knot vroeg of hij 112 moest bellen. ‘Mijn vriendin kan ook nog elk moment bevallen’, voegde hij er zorgelijk aan toe.
Nee, ook die tram ging ik niet halen. ‘Kun je staan?’ vroeg ik aan het jongetje. Zo nee, dan 112, besloot ik (mijn complete medische kennis beknopt samengevat) maar warempel, het kind stond op, en staakte zelfs het huilen. ‘Pap’, zei hij schor tegen de knotjesman. ‘Zeg maar niet tegen mama dat ik achterop stond. Want anders mag het vast niet meer’.
‘Is goed’, antwoordde de knot. En tegen mij: ‘Bedankt voor de goede zorgen!’, waarna ze zich wegspoedden, in dezelfde richting als de zojuist vertrokken lijn 7.
Het begon klaterend te regenen. Ik bleef eenzaam achter bij de tramhalte, en daar sta ik nu nog steeds.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant