Home

‘Wanneer ik nu ‘Ik, Jan Cremer’ lees, moet ik onmiddellijk lachen. Rauwheid en platheid zijn onweerstaanbaar grappig geworden’

Hoewel ik toen natuurlijk nog nooit iets van hem had gelezen, was ik fan van Jan Cremer vanaf het moment waarop ik als tienjarige hoorde dat hij de verloofde was geworden van Jayne Mansfield.

Jayne Mansfield was een Amerikaanse actrice, een zogenoemde ‘seksbom’ die je vanaf kauwgomplaatjes smachtend aankeek. En Jan was nu dus haar verloofde: ongelooflijk. Latere verhalen dat het er tussen Cremer en Mansfield nooit van is gekomen, heb ik nooit geloofd. Ik ga ervan uit dat Mansfield voor haar tragische dood op 34-jarige leeftijd het genot van een eenvoudige arbeidersjongen uit Enschede heeft mogen proeven.

Over de auteur
Bert Wagendorp is schrijver en columnist van de Volkskrant.

Wat voor sublieme lefgozer moet je zijn, om op je 22ste een boek in te leveren bij de deftige uitgeverij De Bezige Bij, in 1962 nog wel, een boek dat leest alsof het in een woedend etmaal in elkaar is gegooid, een beetje volgens de methode waarop de schrijver ook te werk ging in zijn hoedanigheid van schilder en die hem de bijnaam ‘de verfsmijter’ had bezorgd, zo leek hij ook de woorden op papier te hebben geplempt – en als je het manuscript ziet in het Letterkundig Museum wordt die indruk alleen maar versterkt: de corrector heeft de boel nog flink gefatsoeneerd en hoofdletters toegevoegd.

De grootste bestseller uit de Nederlandse literatuurhistorie is vast en zeker ook een van de snelst geschreven romans.

Het was december 1962 toen hij het manuscript van Ik, Jan Cremer inleverde bij de uitgeverij, een paar weken voor Reinier Paping de Elfstedentocht won. Het eerste boek van de hippe sixties en toch alweer ruim zestig jaar oud.

Ik was veel te jong voor Ik, Jan Cremer en ik kwam trouwens ook uit de verkeerde hoek. Mijn ouders lazen zulke boeken niet en voor hen was er geen sprake van dat Jan Cremer eigenhandig de jaren vijftig beëindigde, zoals hijzelf beweerde. Mijn vader dacht er net zo over als Boer Koekkoek: ‘Ik heb het boek van Jan Cremer niet gelezen, maar ik vind het een vies boek.’ Er zat veel te veel seks in er werd in gevloekt.

Ik mocht van mijn moeder brieven aan mijn tante niet beginnen met ‘Ik’. Dat was onbeleefd en onbescheiden. En nu was er een boek dat gewoon begon met ‘Ik’ waarop de schrijver – wiens naam het tweede deel van de titel vormde, ook zoiets ongelooflijks – op de cover poseerde op een stoere Harley. Jan Cremer had een veel te grote mond. Dat hij net als wij uit het oosten van Nederland kwam, en dat je dat goed kon horen, pleitte enigszins in zijn voordeel, maar helaas werd dat teniet gedaan door wat hij te berde bracht: hemeltergend.

Toen van Ik, Jan Cremer in Amerika zes miljoen exemplaren werden verkocht – een door een Nederlands boek nooit meer geëvenaarde successtory – en Jan daarover op de Nederlandse televisie werd geïnterviewd, zette mijn vader de tv uit.

Op de middelbare school, eerste helft jaren zeventig, was Ik, Jan Cremer alweer voorbij. Jan Wolkers had de rol van boze schilderende schrijver overgenomen en Turks Fruit liet zich ook beter verfilmen.

Toen ik het boek als student in Groningen las, was het al een document van een voorbije tijd geworden. Made in U.S.A. vond ik beter. Het geweld, de seks en het bloed, de choquerende drie-eenheid uit Ik, Jan Cremer, had tien jaar na publicatie aan kracht verloren. Dat kwam niet doordat Cremers proza bij nader inzien minder sterk en direct was, dat kwam door de tijd die al het choquerende polijst en inpalmt.

Wat wel overleefde, was de humor. Die groeide zelfs, op de een of andere manier. Wanneer ik nu in Ik, Jan Cremer lees, moet ik onmiddellijk lachen. Rauwheid en platheid zijn onweerstaanbaar grappig geworden en soms zelfs pure slapstick.

Een jaar of wat geleden kwam ik Jan Cremer voor het eerst in levende lijve tegen. Ik dacht altijd dat hij een reus van een kerel was, een soort immense bouwvakker van een meter of twee. Maar Jan was vrij klein, de blonde vrouw die naast hem liep was een stuk groter. Hij keek een beetje verlegen.

Wat me nog het meest van alles verbaasde: hij bleek een heel aardige man, op het zachte af. Het had weinig van een lefgozer. Waaruit maar weer blijkt dat je literatuur en werkelijkheid nooit door elkaar mag halen, zelfs niet wanneer een boek Ik, Jan Cremer heet.

Bovenstaande passages schreef ik een jaar of wat geleden in een column in de Volkskrant. Kort daarna zat ik opeens tegenover Jan Cremer aan tafel op de uitgeverij, ter gelegenheid van de 90ste verjaardag van Remco Campert. Nadat ik me had voorgesteld keek Jan me kwaad aan. ‘Dus jij bent die jongen die heeft geschreven dat ik een oostelijk accent heb en dat ik een kleine man ben.’ Hij ontkende dat er sprake was van een oostelijk accent – volgens mij met een oostelijke tongval. En klein was hij ook niet. Hij stond op en maakte een gebaar: mee naar de gang! Ik maakte me klaar voor een flinke knokpartij, maar buiten de deur ging hij met zijn rug tegen mijn rug staan. Ondanks de laarzen met hoge hakken die hij droeg was ik groter – ik ben 1.76 meter. ‘Oké,’ zei hij, ‘dat scheelt dus helemaal niks.’

Binnen zetten we in opperbeste stemming de maaltijd voort. Jan vertelde dat hij een ‘olijfolie-exportlijn’ naar Nederland ging opzetten vanaf zijn landgoed in Toscane. Zo kwamen er nog een stuk of vijf grote plannen langs: hij was een optimist in hart en nieren. Leeftijd speelde geen rol, verklaarde hij, dat hij binnenkort tachtig zou worden zei hem niks, aangezien honderd zijn streven was.

Wat een leuke man, ik had hem graag een eeuw oud zien worden.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next