Vrijdag begon Guus Meeuwis voor de zeventiende en laatste keer in het Eindhovense Philips Stadion aan een reeks Groots met een zachte G-concerten. Tijd voor iets anders, maar zijn publiek heeft er nog lang geen genoeg van.
Guus Meeuwis (52) begon zijn eerste concert vrijdag in wat een inmiddels recordbrekende reeks Groots met een zachte G-voorstellingen is, hoog in het decor. Ver boven het het publiek gaat er een luikje open. Daar staat Guus met gitaar. Als hij Tranen gelachen begint te zingen doet het hele stadion, dat voor de 64ste keer voor hem vol is gelopen, met hem mee. ‘Vandaag zie ik mijn vrienden van vroeger/Gewoon om te zien of er ergens iets zit’, klinkt het uit 33 duizend kelen. Hij zal er nog acht keer mee openen in het stadion, dan is het gedaan. Aan de reeks van 72 concerten – waaraan hij in 2006 in het stadion van het door hem zo geliefde PSV begon – komt op 26 juni definitief een einde.
Het is mooi geweest, zo maakte hij ruim een jaar geleden bekend. Niet dat het animo van het publiek minder werd, nee. Ook deze laatste reeks moest met wat extra data worden opgerekt tot negen concerten. Hij zou nog best tien jaar door kunnen gaan. Maar, zo vertelde hij onlangs aan Kunststof: ‘Ik stop liever tien jaar te vroeg dan één dag te laat.’ De stadionconcerten beheersten de afgelopen twintig jaar zijn agenda en daarmee ook zijn creativiteit. De ene reeks concerten was nog maar net begonnen of Meeuwis was alweer aan het nadenken over hoe en met welk liedje hij een jaar later zou opkomen.
Groots met een zachte G werd een jaarlijks terugkerend popritueel, uniek voor Nederland. Vrijdag zie je hele gezinnen naast oudere en jongere stelletjes werkelijk alles meezingen. Lachend en zwaaiend tijdens opgewekt repertoire (Ik tel tot 3, Mag ik dansen, Per spoor), en elkaar knuffelend een traantje wegpinkend bij een nummer als Dat komt door jou. Meeuwis zelf trekt dan ook alles uit de kast. Confettikanonnen en vuurwerk worden ingezet, en hij loopt rondjes over een plankier tussen de tribune en het veld, om hem dichter tot zijn publiek te brengen. Hij gunt zichzelf en het publiek geen seconde rust. Even op het hoofdpodium, maar dan hup de catwalk weer op, bang als hij lijkt dat het publiek zich ook maar een moment verveelt.
Die angst is niet helemaal ongegrond. Meeuwis heeft een mooie, zachtmoedige maar ook wat vlakke stem. Een emotionele uithaal, waar Marco Borsato voetbalstadions mee kon imponeren, of diep de keel schrapen voor een vocale eruptie zoals zijn held Bruce Springsteen dat kan, dat zit er bij Meeuwis niet in. Ergens weet hij dat zelfs een show volgepropt met eigen evergreens in variatie tekortschiet. Vrijdag nodigt hij dan ook weer op precies het juiste moment een gast uit. Samen met Flemming brengt hij eerst de recente single Wat ik ook ga doen, waarna Flemming zijn eigen Amsterdam ombuigt tot Eindhoven.
Als daarna Frans Bauer zijn bekendste liedje Heb je even voor mij zingt, lijkt het stadion precies zoals beoogd weer helemaal opgeladen voor een daverende finale met Per spoor, Het is een nacht (levensecht) en natuurlijk Brabant, het officieuze volkslied van de provincie die Meeuwis nooit verlaten heeft. Toch is het jammer dat een dromer als hij zich kleiner maakt dan hij is. Meeuwis zag de meest onmogelijke wensen uitkomen, zoals het PSV-stadion aan het juichen krijgen (zij het niet als voetballer maar als zanger). Of een op papier idioot idee als het vullen van de Londense Royal Albert Hall met vijfduizend fans – dat idee kon hij in 2015 afvinken. En toch presenteert hij zich het liefst als Brabander. Ten onrechte.
Guus Meeuwis is geen regionale eigenaardigheid, maar een landelijk fenomeen. Een artiest zoals we die eigenlijk nooit eerder gehad hebben. Een liedjeszanger die zonder effectbejag of noodgrepen van hippe dj’s al bijna dertig jaar met nummers die altijd dicht bij hemzelf blijven een groot publiek amuseert en ontroert. Groots met een zachte G weet bij mensen eenzelfde snaar te raken als Bruce Springsteen. Daar gaan fans niet één, twee of drie keer heen, maar tien keer of zo vaak als de financiën dat toelaten. Ook Meeuwis geeft in het Philips Stadion iets dat ze nergens anders kunnen vinden. Dat moet voor Meeuwis moeilijk zijn om los te laten, maar het is verstandig.
Dat er in zijn show slechts plaats is voor één liedje (Stapelen geluk) van een mooi, ingetogen album als zijn laatste Uit het hoofd, is begrijpelijk maar ook jammer. Misschien moet hij zich wat losweken van zijn geliefde Brabant en samen met zijn vertrouwde mede-componisten ‘de twee Jan-Willems’ (Rozenboom en Roy), gaan werken aan kleine liedjes in de sfeer van Johnny Cashs American Recordings of Bruce Springsteens Nebraska. Met weinig middelen tot het hart rakende popliedjes maken, Meeuwis kan dat en het is ook waar je op hoopt als hij vrijdag afsluit met de reprise van het liedje waarmee hij begon: ‘Ik heb tranen gelachen, onnozel gedaan, en ten slotte tevreden het licht uitgedaan.’ Guus Meeuwis kennende doet hij dat straks ergens anders vast weer aan.
3 evergreens van Guus Meeuwis
Per spoor (Kedeng kedeng) (1996). Het beste Nederlandstalige liedje over de trein. Skik maakte met Op fietse een liedje over de fiets. Per spoor stelt in een minstens zo klassiek geworden nummer de trein centraal, een ander populair vervoersmiddel. Kedeng, kedeng, kedeng, kedeng, dendert het heerlijk door.
Brabant (2003). Niet eens zijn grootste hit, maar gezien de hoogste (nummer 83) van Meeuwis’ acht noteringen in de Top 2000 van vorig jaar wel zijn meest geliefde liedje. Een verzoek om van Brabant het officiële provinciale volkslied te maken werd in 2007 afgewezen.
Het is een nacht... (levensecht) (1995). Het liedje waarmee het voor de toenmalige rechtenstudent bijna dertig jaar geleden allemaal begon. Even dachten we allemaal, Meeuwis incluis, met een wat studentikoze eendagsvlieg te maken te hebben. Inmiddels weten we wel beter.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant