Pas na zes of zeven boeken besefte de Amerikaanse schrijver Michael Cunningham dat bijna al zijn romans over familie gaan. Zo ook zijn nieuwe boek Dag, een klein maar intens gezinsdrama. Vanwaar die fascinatie?
‘Ik was op ongeveer eenderde van een grote familieroman toen er eind 2019 berichten kwamen over die geheimzinnige ziekte die covid-19 werd genoemd. Al snel bleek die te leiden tot een pandemie die uiteindelijk wereldwijd miljoenen mensen het leven zou kosten. Een tijdlang leek het er zelfs op dat de pandemie misschien het einde van de mensheid zou betekenen.
‘Een gigantische gebeurtenis dus, die ik in mijn familie-epos uiteraard niet had voorzien, maar waar ik niet omheen zou kunnen als mijn verhaal het jaar 2020 bereikte. Maar als ik de pandemie erin zou verwerken, zou het boek een totaal andere kant op gaan dan ik in gedachten had. Ik zat ineens totaal vast en besloot met pijn in het hart dat boek terzijde te schuiven. Uiteindelijk ben ik iets anders gaan schrijven. Dat werd Day.’
Michael Cunningham (71) is geen veelschrijver. In zijn veertigjarige literaire loopbaan publiceerde hij acht romans, waaronder het verfilmde The Hours. Zijn meest recente is zojuist in Nederlandse vertaling verschenen: Dag. Zijn vorige roman, De sneeuwkoningin, verscheen in 2014.
Cunningham heeft de gewoonte flinke pauzes in te lassen tussen zijn schrijfperioden, maar ditmaal was het dus covid dat tot een aanzienlijke vertraging in zijn productie leidde. In plaats van de familiesaga over meerdere generaties die hij aanvankelijk voor ogen had, is Dag een kleinschalig maar intens gezinsdrama. Het boek beschrijft de gebeurtenissen gedurende drie dagdelen: de ochtend van 5 april 2019, de middag van 5 april 2020 en de avond van 5 april 2021. Oftewel: tijdens de aanloop naar, het hoogtepunt van en de nasleep van de pandemie.
Hoofdpersonen zijn de voormalige rockmusicus, thans huisman, Daniel, zijn vrouw Isabel, fotoredacteur bij een kunsttijdschrift, en haar broer Robbie, werkzaam als onderwijzer. Ze wonen, samen met de kinderen Nathan en Violet, in een kleine bovenwoning in Brooklyn. Robbie woont op de zolderverdieping, maar omdat de kinderen te oud worden om samen op één kamer te slapen, is hem gevraagd uit te zien naar iets anders. Wat voor iemand met een onderwijzerssalaris nog niet zo gemakkelijk is.
Over de auteur
Hans Bouman schrijft voor de Volkskrant over boeken en richt zich met name op literatuur en auteurs uit het Engelse taalgebied.
Plottechnisch gebeurt er niet veel in Dag. Toch houdt het boek moeiteloos de aandacht van de lezer vast, door de overtuigende wijze waarop Cunningham de gedachten en gevoelens van zijn hoofdpersonen tot leven brengt. De oude rocker die tegen alle logica in droomt van een comeback, de idealistische vrouw die zich een mislukte moeder voelt en twijfelt over haar huwelijk, de homoseksuele onderwijzer die er stiekem spijt van heeft dat hij destijds geen geneeskunde is gaan studeren om zijn vader – zelf arts – te trotseren. Ook de kinderportretten zijn zeer overtuigend. En dat alles is opgeschreven in een flonkerende stijl.
Dag heeft de driedelige structuur die u zo aan het hart is gebakken en die ook veel van uw andere boeken typeert.
‘De structuur van het boek viel mij pas in toen de pandemie over haar hoogtepunt heen was, toen het idee ontstond dat wij die als mensheid misschien toch zouden overleven. Ik kan onmogelijk aan een langetermijnproject als een roman beginnen als ik niet redelijkerwijs kan geloven dat hij afkomt. Toen die overtuiging begon te groeien, leek het mij interessant al schrijvend te onderzoeken wat de impact van de pandemie was op het gezin dat ik in mijn verbeelding had geschapen.
‘Op de een of andere manier kom ik bijna altijd uit bij het getal drie. Er is iets bijzonders met dat getal: de Heilige Drie-eenheid, de drie bedrijven van een toneelstuk… Een atoom dat uit een kern en een elektron bestaat, is volkomen voorspelbaar. Een atoom met een kern en twee elektronen is volkomen onvoorspelbaar. Het is niet zo dat ik een speciale voorkeur heb voor het getal drie, maar ik bied er geen weerstand tegen dat het zich aan mij opdringt.’
Gezinnen en families zijn een geliefd onderwerp in uw werk.
‘Het wonderlijke is dat ik dat zelf pas na zes, zeven boeken begon door te krijgen. Maar het is onmiskenbaar waar en ik denk inmiddels te weten waar mijn belangstelling voor families vandaan komt. Als homoseksuele man heb ik in de jaren tachtig indringende familie-ervaringen gehad. In die periode gebeurde het met grote regelmaat dat vrienden en kennissen van me hun ouders belden met de mededeling: ‘Ik heb jullie twee dingen te vertellen: ik ben gay en ik heb aids.’ Sommige ouders reageerden vol empathie, anderen verbraken de verbinding en lieten niets meer van zich horen.
‘Daarop vormden wij groepen – organisaties als Act Up (‘AIDS Coalition To Unleash Power’) – en stelden ons op als familieleden van aidspatiënten die door hun familie waren verstoten. We ruimden de stront en het braaksel op, we spraken verpleegkundigen die hun taken verwaarloosden daarop aan, we organiseerden de begrafenissen. Maar we waren geen ouders of broers en zussen. Wij waren drag queens, motorcycle dykes, disco bunnies… We zagen er niet uit als een familie, maar we waren het wel. Ik heb een fascinatie ontwikkeld voor niet-traditionele families en gezinnen en dat is af te lezen aan mijn boeken.’
Een van de sterkste punten van Dag vind ik de portretten van de kinderen, Nathan en Violet, respectievelijk 10 en 5 jaar oud aan het begin van het boek. Vooral Violet is een geweldig personage. Een opmerkelijk portret voor iemand die zelf geen kinderen heeft.
‘Het begint allemaal met het besef dat kinderen net zo menselijk en complex zijn als volwassenen. Het is veel te simplistisch om kind-zijn als een soort generieke situatie te beschouwen, alsof alle kinderen ongeveer op dezelfde manier denken en reageren. Iedereen die zich ook maar enigszins in kinderen heeft verdiept, weet dat elk kind bijzonderder en origineler is dan hij als volwassene zal zijn. Als je opgroeit, worden allerlei eigenaardigheden en eigenzinnigheden als het ware uit je geslagen.
‘Wat ook erg heeft geholpen: vrienden van me hebben kinderen van ongeveer dezelfde leeftijd als Nathan en Violet en zij waren zo vriendelijk om een paar keer geluidsopnamen te maken van hun kinderen tijdens het eten. Dat was belangrijk om een natuurgetrouw beeld te krijgen van hun taalgebruik: hun vocabulaire, hun cadans van spreken.’
Alle drie de hoofdpersonen dromen van een nieuw leven, van opnieuw beginnen.
‘Veel mensen verlangen stiekem naar een ander leven, naar iets nieuws. Voor mijn personages geldt natuurlijk dat ze bevoorrecht zijn: de meeste mensen op onze aarde zouden een moord doen voor hun first world problems, dus waar hebben we het over? Maar toch. Hun bevoorrechte positie geeft ze geen antwoord op vragen over sterfelijkheid, mislukking, teleurstelling.
‘Naarmate ik me meer in mijn personages verdiepte, werd ik me er meer en meer van bewust dat wij mensen zijn toegerust met een soort wensmechanismen die ervoor zorgen dat we nooit echt gelukkig en tevreden kunnen zijn. Ik zou willen dat ik religieus was en kon geloven in een ziel die het lichaam, het aardse ontstijgt. Het interessante van religie is dat die een antwoord biedt op dat wensmechanisme. Maar helaas.’
In de roman biedt Instagram Robbie een ‘nieuw leven’, dat uiteraard veel interessanter is dat dat van hemzelf.
‘Sinds de opkomst van sociale media worden we – meer dan ooit tevoren in de geschiedenis van de mensheid – voortdurend geconfronteerd met levens die interessanter en beter zijn dan het onze. Stiekem weten we best dat dit niet waar is, maar toch. Ons wensmechanisme heeft er een nieuwe uitdaging bij gekregen.’
Onderdeel van het wensmechanisme is dikwijls het ideaal om van de stad naar het platteland te verhuizen. Isabel fantaseert daarover, en ook in Huis aan het einde van de wereld (1990) komen we het thema tegen.
‘Ik ben opgegroeid in de jaren zestig en zeventig en dat was voor mij en mijn generatiegenoten een periode van grote veranderingen. Voor ons gevoel waren de steden gedoemde plekken, in verregaande staat van verval, een en al ellende. Die moesten we verlaten om op het platteland een veel eenvoudiger en beter leven te gaan leiden.’
Zoals Joni Mitchell zingt: ‘We’ve got to get ourselves back to the garden.’
‘Precies. Daar is natuurlijk niets van terechtgekomen, al heeft Joni Mitchell het niet slecht gedaan. Toen ik begon te schrijven, hingen we ergens tussen het ideaal van het aanlokkelijke, eenvoudige plattelandsleven en de aidsepidemie van de jaren tachtig, toen de stad in mijn kringen het toneel van dood en verderf was. Ik denk dat die ervaringen mij als schrijver en als mens hebben gevormd. Je herstelt niet van de ervaringen van je jeugd.’
Het klassieke Amerikaanse vooruitgangsgeloof dat er achter de horizon een betere wereld wacht – ‘Go West, young man’ – is aan u niet besteed.
Sarcastisch: ‘Go West, young man. Ga in de woestijn leven en ontdek een natuur die veel krachtiger en kwaadaardiger is dan je ooit had vermoed. Zonder melk en honing. In De sneeuwkoningin beramen twee broers een plan voor de toekomst. Ze zijn in de dertig, niet tevreden met hun huidige bestaan, maar het is nog niet te laat om iets nieuws te beginnen. Een van hen zegt: ‘We can just drive out into the crazy American night.’
‘Dat is een zin uit On the Road van Jack Kerouac. Een Amerikaanse lezer hoeft niet eens te weten wie Kerouac is om die zin te begrijpen. Onze cultuur is diep doortrokken van de romantische overtuiging dat je op een dag gewoon je spaargeld kunt opnemen, een tweedehandsauto kunt kopen en een nieuw leven kunt binnenrijden. Dat gaat terug op een periode in de Amerikaanse geschiedenis, tweehonderd jaar geleden, toen kolonisten steeds verder westwaarts trokken en de Verenigde Staten zich steeds verder uitbreidden. In de Amerikaanse psyche zijn die kolonisten helden. Cormac McCarthy geeft in Meridiaan van bloed een waarachtiger beeld van dat type mensen. Het waren geen helden, het waren psychopaten.’
Er komen twee leerkrachten voor in het boek: Robbie, volkomen gedesillusioneerd in het vak, en de krachtige Chess, die ondanks haar emancipatoire standpunten door haar uiterst woke studenten als een vertegenwoordiger van het establishment wordt gezien. In hoeverre heeft u daarbij geput uit uw eigen ervaringen als docent?
‘Niet, gelukkig. Ik doceer literatuur en creative writing aan Yale en mijn studenten zijn fantastisch. Maar veel collega-auteurs hebben totaal andere ervaringen en het is mij duidelijk geworden dat wat Chess meemaakt met haar radicale studenten veel meer de norm is dan hoe het bij mij gaat. De collegezaal is vaak een strijdtoneel waar dode witte mannelijke schrijvers worden gecanceld en docenten worden geslachtofferd als ze zich vergissen in de juiste voornaamwoorden. In mijn cursussen ligt de nadruk heel bewust op literair vakmanschap, niet op de sociaal-politieke implicaties van een boek.’
Uw belangstelling voor de vakmatige kant van het schrijven is terug te zien in uw stijl. Zelfs in minder lovende recensies worden uw grote stilistische kwaliteiten geroemd.
‘Ik herschrijf veel. Het beste advies dat ik ooit van een docent heb gehad was van Hilma Wolitzer, moeder van de in Amerika heel succesvolle Meg Wolitzer. Zij zei tegen me: lees je tekst door en geef alle zinnen die je helemaal top vindt een A, en alle andere zinnen een B. Als je dat hebt gedaan, ga je alle A-zinnen herschrijven. Want dat zijn de zinnen waarin je je als schrijver een aansteller betoont.
‘Dat zijn de zinnen met vijf puntkomma’s en zes liggende streepjes, twee metaforen, drie vergelijkingen. Ze zijn geschreven om je ambitie en talent te etaleren, niet om het verhaal verder te helpen. Ik vond dat een geweldig inzicht. Als ik een zin herschrijf, is dat meestal om de formulering minder uitbundig, minder aanstellerig te maken.
‘In mijn laatste schrijfklas zaten opvallend veel studenten met een voorliefde voor doorgaans nogal manke vergelijkingen. Een vergelijking moet perfect zijn, anders moet je haar schrappen. In één tekst stond een vrouw in een tuin en stortte daar in ‘als een vouwstoel’. Ik nam de studente die dat had geschreven na afloop mee naar het grasveld van de universiteit en liet mijzelf vervolgens demonstratief op de grond vallen. Ik vroeg haar: vond je dat dit eruitzag als een inklappende vouwstoel? Dat werkte.’
In uw boeken maakt u graag gebruik van de befaamde literaire troop van de geheimzinnige indringer of de ongrijpbare buitenstaander die het evenwicht verstoort.
‘Nu komen we weer terug bij dat magische getal drie. Twee mensen kunnen een stabiele relatie hebben. Als er een derde bij komt, ontstaan er meestal spanningen. De indringer of buitenstaander is een bron van rijkdom voor een schrijver.’
U woont in Brooklyn en forenst elke dag naar uw studio in Greenwich Village om daar te schrijven. Kennelijk is een aparte schrijfplek een noodzaak.
‘Omdat ik het schrijfproces zelf als zo’n mysterieuze activiteit ervaar, is het voor mij erg belangrijk om een vaste routine te hebben, alsof ik iemand ben met een echte baan. Iemand die ’s morgens ‘Goodbye, honey!’ roept en de deur uitstapt. In Greenwich Village, en met name Washington Square Park, waar ik vaak wandel, stuit ik op de verbijsterende diversiteit die de mensheid te bieden heeft. Dat is zeer inspirerend.’
In een serene, maar tevens kwetsbare scène in Dag schrijft Isabel, tijdens het hoogtepunt van de pandemie, een brief bestemd voor haar dochter Violet over vijftien jaar.
‘Dat is misschien wel mijn favoriete passage uit het boek. Tot op zekere hoogte is het een brief waarvan ik graag had gewild dat mijn moeder hem aan mij zou hebben geschreven. Isabel legt Violet in die brief wat de positie van een moeder is. Voor een kind is die positie niet altijd begrijpelijk, maar voor de latere Violet wel. Ze laat weten hoe bijzonder ze Violet vindt, ondanks de kritiek die ze op haar heeft, en dat sommige van die kritiek nuttig is en alleen door een moeder kan worden gegeven. Had mijn moeder mij dat geschreven, dan had ik haar daar later, als volwassene, gelijk in kunnen geven. Dat was me dierbaar geweest.’
Michael Cunningham: Dag. Uit het Engels vertaald door Lucie van Rooijen en Inger Limburg. Prometheus; 272 pagina’s; € 23,99.
Michael Cunningham werd op 6 november 1952 geboren in Cincinnati, Ohio, maar groeide op in Californië. Hij studeerde Engelse letterkunde aan Stanford en vervolgens creative writing aan de befaamde Writers’ Workshop van de Universiteit van Iowa. In 1984 verscheen zijn debuutroman Golden States, waar hij achteraf zo ontevreden over was dat hij het boek nooit liet herdrukken. In interviews noemt hij A Home at the End of the World (1990, Huis aan het einde van de wereld) consequent zijn eerste boek.
Na Flesh and Blood (1995, Bloedverwanten) brak hij in 1998 tot zijn eigen verbijstering door met The Hours (De uren), dat was geïnspireerd op Mrs Dalloway van zijn grote voorbeeld Virginia Woolf en later zeer succesvol werd verfilmd. Hij vervolgde zijn loopbaan met Specimen Days (2005, Stralende dagen), By Nightfall (2010, Bij het vallen van de avond), The Snow Queen (2014, De sneeuwkoningin) en de verhalenbundel A Wild Swan and Other Tales (2015, Een wilde zwaan en andere vertellingen). Cunningham doceert literatuur en creative writing aan Yale. Hij is getrouwd met de psychoanalist Ken Corbett en woont in Brooklyn, New York.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant