Home

Over Johan Cruijff en het WK van 1974: Totaalvoetbal speel je met de buitenkant van je voet

In de vijftig jaar tussen het voor Oranje legendarische WK van 1974 in West-Duitsland en het EK in Duitsland is het voetbal totaal veranderd. In deel 3 van een serie: de geboorte van het Totaalvoetbal 1974 tegen Uruguay en hoe het verder ging.

Twee zaken vallen op bij het volledig bekijken van Uruguay - Nederland, de eerste wedstrijd van het Nederlands elftal op het WK van 1974, op 15 juni. Alle verhalen over de schatplichtigheid van Nederlandse voetballers aan de vermaarde speelwijze 4-3-3 van toen zijn in zekere zin onzinnig. Johan Cruijff is helemaal geen spits.

Zaterdag, een dag voor de ouverture van Oranje anno 2024 op het EK in Duitsland tegen Polen, is het precies vijftig jaar geleden, dat duel met Uruguay. Ja, op papier is Cruijff spits, tussen linksbuiten Rob Rensenbrink en rechtsbuiten John Rep.

Maar Cruijff is altijd onderweg. Hij zwerft, met een voorliefde voor de linkerflank. Hij trekt zich terug van het front en ontwijkt schoppen ‘als een hordeloper’, zoals de Engelstalige commentator meldt op de dvd van de wedstrijd.

Op een gegeven moment komt hij ‘van de rechtsbackpositie’. Hij wijst, hij dribbelt, hij voetbalt vanuit zijn motoriek en passt op alle manieren: met de wreef, met de binnenkant en met de buitenkant, met links bijna net zo gemakkelijk als met rechts, met een aan nonchalance grenzend gemak.

Want dat is de tweede bijzonderheid: voetbal met de buitenkant van de voet. Dat is best moeilijk, in technisch opzicht, zeker om een bal een grote afstand te laten overbruggen. Het is pure kunst en het oogt volledig ontspannen, alsof het afgesproken is en de normaalste zaak van de wereld. Alsof ze elkaar willen aftroeven in excentriciteit.

Vrijwel iedereen kan het, vrijwel iedereen doet het, tot de harde verdediger Wim Rijsbergen toe. ‘Misschien kunnen ze dat tegenwoordig niet meer door al dat gebruik van data in het voetbal’, zegt hij met lichte spot, alsof hij wil zeggen dat het voetbal te veel van praktijk naar theorie is afgedreven.

Over de auteur
Willem Vissers is ruim 25 jaar voetbalverslaggever voor de Volkskrant. Hij versloeg acht WK’s. In 2022 is hij uitgeroepen tot sportjournalist van het jaar.

De tweede treffer in het met 2-0 gewonnen duel is een puur product van ‘buitenkantvoetvoetbal’. Willem van Hanegem geeft een subtiel balletje met de buitenkant, over een paar meter, snijdend door de Zuid-Amerikaanse defensie. Rensenbrink zet laag voor met de binnenkant, Rep scoort weer met de buitenkant. Wedstrijd beslist. Het lied over de Zilvervloot klinkt in Hannover, uit ook toen al duizenden kelen van massaal afgereisde supporters.

Uit de mode

Het gebruik van de buitenkant is vrij zeldzaam tegenwoordig, in tijden van Ronald Koeman, Memphis Depay en Virgil van Dijk. Soms verschijnt een filmpje van een geslaagde pass op social media en volgt bijna orgastische lof, alsof het hier iets buitenaards betreft. Alsof spelers het niet meer kunnen, willen of mogen.

Techniektrainer Guido den Dikken, die de jeugdafdeling van AZ deze zomer inruilt voor het makelaarskantoor van Wasserman: ‘Het is uit de mode. Ik train er soms op, maar spelers kunnen het vaak ook niet meer. Dat komt ook omdat ze niet meer buiten spelen. Te weinig uren maken. Hoge ballen verwerken, kunnen ze ook niet meer. Een potje voetvolley is vaak om te huilen bij de jeugd.’

Alles is anders in het huidige voetbal. De spelers van toen leidden zichzelf min of meer op straat op, in een tijd dat de reis van het profvoetbal feitelijk pas net was begonnen. Iedere voetballer was altijd op straat. Moeders lieten bakjes eten uit het raam van bovenverdiepingen zakken, omdat het kroost van geen ophouden wist.

Voetballers verdienden als prof bescheiden salarissen en hadden soms nog een andere baan. Stratenmaker, metselaar, schilder. Wim Rijsbergen kon na zijn transfer van PEC Zwolle naar Feyenoord een premie-A-woning kopen, met subsidie.

Rob Rensenbrink werkte nog even als kippenslachter. Schrijver Auke Kok bracht in zijn klassieker 1974: Wij waren de besten prachtige anekdotes bij elkaar, zoals over Jongbloed, die nog zelf zijn handdoeken meenam bij zijn eerste oproep voor het beroemde WK, en wiens vrouw Dini achterbleef omdat ze de sigarenzaak open moest houden. De spelers van nu zijn multimiljonair, nadat ze meestal vroeg zijn gescout en hun traject voortdurend is gevolgd en begeleid.

Altijd in beweging

In tal van zaken is het voetbal van Oranje van toen nochtans de inspiratiebron voor nu. De voortdurende beweging, het druk zetten, het naar voren verdedigen, het wisselen van positie. Het is begrijpelijk waarom trainers als Josep Guardiola en Jürgen Klopp, alsmede talloze anderen in hun gevolg, aanhangers waren van het elftal van 1974.

Dat is de maat der dingen. De beelden zijn spectaculair, ook anno 2024: hoe mannen van Oranje veel fitter ogen en tegenstanders omsingelen. Hoe Wim Jansen en Johan Neeskens jagen. Hoe snel ze de bal heroveren. Wim Suurbier en Ruud Krol wisselen geregeld van positie als vleugelverdediger. Soms staan in een keer zes of zeven man van de tegenstander buitenspel, na de zogenoemde buitenspelval. De hilariteit in het stadion is hoorbaar.

Trainer Peter Bosz van PSV moest kort voor het winnen van de landstitel een beetje lachen met Guus Til, toen die opmerkte dat het voetbal van toen zoveel trager was, dat hij echt geen oude beelden hoefde te zien. Bosz raadde hem aan eens goed naar Cruijff te kijken, omdat snel denken belangrijker is dan snel doen. Bosz had ook graag het puntenrecord van Ajax uit 1972 geëvenaard, juist omdat hij tot de aanhangers van het voetbal van toen behoort.

Nieuw soort voetbal

Terug naar 15 juni 1974. Uruguay is veel harder in de wedstrijd, al weet Oranje dat in latere duels op het WK te compenseren, door in VAR-loze tijden schofterig harde overtredingen te maken tegen met name de Bulgaren en Brazilianen, nauwelijks bekritiseerd door de journalistiek omdat de unieke opmars het land overspoelde met een oranje glans.

De enkeling die kritisch was op het soms gemene spel, zoals verslaggever Ben de Graaf van de Volkskrant, werd met dwang in het zwembad van het spelershotel gegooid, met pijp en al. Waarop De Graaf opmerkte dat hij het vooral vervelend vond dat hij door reserves in het water was gegooid, en niet door de sterren.

Nederland speelt een nieuw soort voetbal in 1974, al snel het Totaalvoetbal genoemd. Het duel met Uruguay is de kennismaking van de wereld met het spel van de Oranje Machine, die uiteindelijk de finale zal verliezen van West-Duitsland.

Het is net of Uruguay een wandelend museum is van vergane glorie. Luis Cubilla was een van de sterren van het WK daarvoor, in Mexico, terwijl Nederland sinds 1938 niet meer had meegedaan. Cubilla oogt deze middag als een veteraan, als een totaal overleefd type. Na een uur volgt een wissel.

De mythe ’74

Oranje speelt zoals voetbal tegenwoordig overal te zien is. Met druk naar voren, met aanvallende backs, met positiewisselingen, met een spits die zwerft en heel vaak helemaal geen spits is, omdat het in het centrum te druk is en te hectisch. Zoals spits Memphis Depay vorige week tegen IJsland een bal ophaalde, diep op de eigen speelhelft, om met een schitterende pass Donyell Malen weg te steken voor 3-0, die hele actie kon zo uit vroeger tijden komen.

Natuurlijk: 1974 is ook een mythe. Voor mij was het mijn eerste WK. Het referentiekader ontbrak. Ze konden me alles wijsmaken over voetbal. Sterker: ik dacht dat Nederland alles won in voetbal, dat winnen heel normaal was, want sinds 1970 was elk jaar een Europese beker gewonnen door Feyenoord of Ajax, en in 1970 was ik 6 jaar. Ik was bang dat de wedstrijd zou tegenvallen, bij het bekijken, vijftig jaar later.

Integendeel. Genoten. De techniek is geweldig, net als het loopvermogen, de souplesse van de spelers, hun flair, het lef, plus al die ballen met de buitenkant natuurlijk. ‘Het is echt belachelijk dat het pas 1-0 staat’, stelt de commentator ergens tijdens de tweede helft. Cruijff is overigens opvallend slecht in spelhervattingen.

Totaalvoetbal? Tja, vraag het aan middenvelder van toen Willem van Hanegem en hij zal zeggen dat het onzin is, die term. In zekere zin heeft hij gelijk, want Ajax en Feyenoord voetbalden ongeveer hetzelfde, in de succesvolle jaren daarvoor.

Alleen: in 1974 ontstond de vruchtbare mix van Feyenoord en Ajax, op het wereldtoneel uitgevoerd, inclusief de toevalligheid van het elftal waarvan de puzzelstukjes kort voor het toernooi in elkaar vielen. Met, door absenties van anderen, opeens middenvelder Arie Haan en Wim Rijsbergen als centraal duo achterin. Een optie, besproken in het urinoir van het Olympisch Stadion, tussen assistent Cor van der Hart en bondscoach Rinus Michels, na een oefenwedstrijd kort voor het WK. Wie de centrale verdedigers moesten zijn? Haan en Rijsbergen, zei Van der Hart tegen Michels.

Vijftig jaar later weet Ronald Koeman dat hij, zeker bij een voorsprong, beter wat kan inzakken met zijn elftal, om gebruik te maken van de ongekende snelheid van zijn aanvallers. Maar de wereld wil Nederland blijven zien als een land van aanvallend voetbal. Dat komt door toen, door 1974.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next