Sinds hij naar Los Angeles vertrok om het te gaan maken als filmcomponist, voorziet Tom Holkenborg – u kent hem wellicht nog als Junkie XL – de ene na de andere blockbuster van muziek. Hij wil creëren, bezig zijn, dóór. Maar zijn haast maniakale arbeidsethos heeft een keerzijde. ‘Ik vraag me echt af of ik ooit innerlijke rust ga krijgen.’
Het is half 10 ’s ochtends aan de boulevard van Cannes. Bij de entree van het statige Hotel Martinez wachten fans en paparazzi geduldig op een glimp van de sterren die nog slapen, in de lobby rennen assistenten al bellend heen en weer, en in kamer 175 vertelt Tom Holkenborg vol vuur over de gebeurtenissen van the night before.
De wereldpremière van Furiosa: A Mad Max Saga, de grootste release op het filmfestival, waarvoor hij de muziek componeerde. De staande ovatie van zes minuten. Hoe hij met regisseur George Miller, de producers en hoofdrolspelers Anya Taylor-Joy en Chris Hemsworth op de trappen van Le Palais poseerde voor de fotografen. Toen de naborrel in een strandtent, waar hij met Miller een emotioneel onderonsje beleefde. ‘We beseften ineens dat we elkaar misschien nooit meer zullen zien. Tien jaar geleden heb ik met George heel intensief samengewerkt aan Fury Road, de voorloper van Furiosa, deze keer zat ik ruim vier maanden in Sydney om bij hem in de buurt te zijn. Drie weken geleden zaten we nog samen te klooien aan de film. Behalve dat het geweldig is om met hem te werken, zijn we ook goed bevriend geraakt. Maar ja, hij is wel bijna 80, dus je weet niet of het er nog eens van komt. Daar moesten we even bij stilstaan, met een dikke knuffel enzo. Dat was heel bijzonder.’
En het was al bijzonder dat Holkenborg de première überhaupt kon bijwonen, zegt hij. ‘Ik heb er veel moeten missen, ook die van Fury Road destijds. Vaak zit ik alweer hartstikke diep in een volgende klus. Superjammer, want naast dat het gewoon leuk is, hebben premières ook een functie. De eindfase van zo’n film is altijd krankzinnig. Je maakt dagen van veertien uur, en dat wekenlang. Dus het is goed om erbij te zijn als je hem dan loslaat in de wereld. Dan voel je: het is klaar, dit boek kan dicht.’
Hij gooit zijn armen in de lucht: ‘Nou, dan kom je ’s nachts op je hotelkamer, laat je alles nog eens aan je voorbijtrekken. De eerste recensies komen binnen, bijna allemaal zeer lovend. Dan kookt het in mijn hoofd, joh. Maakt niet uit hoeveel alcohol ik erin gooi, van slapen komt niks.’
Het is hem niet aan te zien. Op het eerste oog is Tom Holkenborg (56) nog altijd precies dezelfde man die hij was voordat hij in 2002 naar Los Angeles vertrok om het te gaan maken als filmcomponist: bevlogen, zelfverzekerd en ongelooflijk energiek. Zichtbaar blij met wat hij doet, hongerig om erover te vertellen. Geef hem de kans, en hij praat honderduit over zijn nieuwste instrumenten of de laatste ontwikkelingen in sounddesign – en dan is het nog boeiend ook.
Zolang het over hemzelf gaat is hij een open boek. Holkenborg maakt er geen geheim van dat zijn soms haast maniakale arbeidsethos een keerzijde heeft – waarover later meer. Maar zodra je vraagt naar zijn persoonlijke omstandigheden gooit hij het hek resoluut dicht. ‘Ik praat niet over mijn privéleven. Nooit gedaan ook. Dat heb ik jaren geleden al afgesproken met de partner die ik destijds had, en met een aantal vrienden. Ik vertel alles over mezelf, maar de mensen die om mij heen staan hebben er niet om gevraagd om in de publiciteit te komen met iets wat betrekking heeft op mij.’
Ik vroeg me af of je een einzelgänger bent.
‘Natuurlijk doe ik veel in mijn eentje. Je wil je naasten niet op sleeptouw nemen. Dat gaat ook niet, met het werk dat ik doe.’
Al een jaar of tien behoort Holkenborg tot de absolute wereldtop in zijn vak. In een razend tempo voorziet hij de ene na de andere blockbuster van muziek: Fury Road, Deadpool, Black Mass, Justice League: The Snyder Cut, Mortal Engines, Tomb Raider, Godzilla vs. Kong – en dan ben je er nog lang niet.
Een ‘full contact composer’ noemt hij zichzelf – iemand die zich met zijn hele hebben en houden in een project stort. Holkenborg is klassiek geschoold, deels door zijn eigen moeder, speelt van jongs af aan piano, drums en gitaar, maar heeft ook altijd met groot enthousiasme de technologie omarmd. Vanaf de jaren tachtig speelde hij in meerdere bands, werd bekend als Junkie XL, toerde de wereld rond met een live-band (met onder andere de voormalige Urban Dance Squad-frontman Rudeboy), en had daarna als soloartiest een wereldhit met de Elvis-remix A Little Less Conversation. Tot 2012 combineerde hij het artiestendom met klussen voor commercials, videogames en films, inmiddels heeft de filmwereld hem volledig opgeslokt – tot zijn grote tevredenheid. ‘Pas toen ik eenmaal filmcomponist was, wist ik dat ik dat altijd had moeten worden. Maar ik had wel die hele ontwikkeling via de traditionele muziek nodig om de componist te worden die ik nu ben. Ik denk ook dat ik daarom succes heb. Ik breng heel veel kennis mee die andere filmcomponisten simpelweg niet hebben.’
Ligt het jou ook beter? Dienstbaar zijn aan een groter geheel, niet het gezicht zijn?
‘Ik vond het heerlijk om op een podium te staan. Of het nou voor twintig mensen in een of andere rare club was of voor vijftienduizend man in een dampende tent op festivals als Lowlands of Coachella. Als Junkie XL heb ik de hele wereld bereisd en daar heb ik enorm van genoten. Maar uiteindelijk word ik het meest aangetrokken door het vakmanschap. En daarvoor hoef je niet met je armpjes in de lucht te staan. Ik vind het heerlijk dat het gordijn nu dicht is, dat ik kan werken in een wereld waarin veel verschillende kunstvormen samenkomen en iedereen op de top van zijn kunnen is. Dat is ontzettend inspirerend. En vergis je niet: je zou denken dat je als artiest meer artistieke vrijheid hebt, omdat ik me nu moet plooien naar een regisseur en andere zaken, maar ik zeg: dat is niet waar. Juist door die beperking vliegt mijn hersenpan in de fik en komen er heel creatieve dingen uit. Dáár kan ik mijn ego in kwijt. Ik mag heel experimenteel zijn, heel weird. Als deze muziek geen connectie zou hebben met een film, zou er geen hond naar luisteren, laat staan dat ze het zouden kopen. En nu gebeurt dat toch.’
De sound waarmee hij bekend werd is groots – grote orkesten, trommels, schurende geluiden, scheurende gitaren. ‘Ik heb het stokje overgenomen van mensen die filmmuziek op een klassieke manier benaderden. Veel strijkers, sterke melodieën. De muziek van Fury Road klonk vrij agressief, als een soort metalband, maar dan met orkest, gekke synthesizergeluiden en sounddesign. Totaal over de top. Dat werd in Hollywood gezien als een frisse wind. Hé, zo kan een filmscore ook klinken.’
Bij Furiosa koos hij voor een andere benadering. ‘Voor het eerst heb ik, samen met Rob MacKenzie, ook de hele film gemixt – het geluid, de effecten, het sounddesign, het ronken van de duizenden motoren. Dat moest allemaal soepel onder het verhaal door glijden, zodat het goed kon worden verteld. In tegenstelling tot Fury Road beleef je deze film vanuit de ogen van de hoofdrolspeelster, en dat vergt een totaal andere aanpak. Er is bijvoorbeeld een lange actiescène waarin zij zich verstopt heeft onder een truck. Die is bijna helemaal zonder muziek, je hoort vooral een hartslag. Want ze is alleen, bang om gevonden te worden. Snap je? Voor George en mij werd het een groot conceptueel ding: hoe maak je muziek die je wel voelt, maar eigenlijk nauwelijks registreert?’
Een paar jaar geleden bestempelde het Amerikaanse muziekblad Spin hem tot ‘die zeldzame artiest die het doorgaans belachelijke en meestal lui toegepaste stempel ‘Renaissance Man’ verdient’. Iemand die een traditionele achtergrond verenigt met een enorme honger naar het nieuwe, en die zijn kennis graag deelt met iedereen. Holkenborg gaf meermaals masterclasses op conservatoria in Nederland en in de VS, en plaatst al ruim tien jaar tutorials op YouTube, waarin hij, omringd door apparaten met veel knopjes, zijn werkwijze laat zien. Sommige video’s zijn bijna een miljoen keer bekeken, en ze worden volgens hem uitvoerig bestudeerd op muziekuniversiteiten over de hele wereld. ‘Noem het maar mijn manier om iets terug te geven aan de maatschappij. Het is best tijdrovend en niet goedkoop. Maar dat je kennis moet delen is me met de paplepel ingegoten. Mijn moeder was muzieklerares. Leerlingen die het thuis krap hadden gaf ze les voor bijna niks. Ze regelde ook vaak instrumenten voor kinderen die dat zelf niet konden betalen.’
Ben je niet bang dat je je geheimen prijsgeeft?
‘Ja, en dan? Als je maar één trucje hebt en je doet dat elke keer weer, kan ik me voorstellen dat je dat niet uitlegt, want dan wordt een ander er misschien beter in dan jij. Maar daar ben ik helemaal niet bang voor. Het enige wat ik niet kan uitleggen is hoe ik op een idee kom, en dáár gaat het om. En zelfs al word je gekopieerd – dat is na Fury Road al vaak gebeurd – so what? Muziek is niet mijn werk, het is een verlengstuk van wie ik ben als mens.’
Het is een hectisch leven, dat van Tom Holkenborg. Zo hectisch dat de vraag waar hij woont niet eenvoudig te beantwoorden is. Voor de buitenwacht in Nederland geldt hij als ‘onze man in L.A.’, maar daar blijkt hij al bijna twee jaar nauwelijks meer geweest te zijn. ‘De laatste tijd gebruik ik Amsterdam steeds meer als mijn uitvalsbasis. Maar goed, het is ook weer niet dat ik daar wóón-woon.’
Was er een aanleiding voor?
‘Nou, op dit moment in mijn leven vind ik het fijn om meer in Nederland te zijn, en vaker mijn familie en mijn jeugdvrienden te kunnen zien. L.A. heeft me wat carrière betreft ontzettend veel gebracht, maar ik heb me er nooit écht prettig gevoeld. Als het puur gaat om fijn wonen, staat het voor mij nog niet eens in de top 50 van steden. In het begin vond ik alles indrukwekkend, maar na een tijdje ga je zien wat er allemaal niet klopt in het land. De politieke situatie, het openlijke racisme, het daklozenprobleem. Dat begon op me te drukken, en tegelijkertijd dacht ik ook: dit is niet mijn gevecht. Ik heb er 22 jaar gewoond, dus het werd wel tijd om even ergens anders op adem te komen.’
Wat meespeelt: het hoeft niet meer. ‘Veel films worden niet eens meer geproduceerd in Californië, omdat het zo duur is geworden. En ik heb het niet meer nodig om de hele tijd te netwerken en mezelf overal te laten zien, want ik zit niet om werk verlegen.’
Misschien moet je zeggen: hij woont waar zijn studio is. ‘Als ik omgeven ben door gitaren, drumstellen en apparatuur, voel ik me thuis. Dat is mijn versie van: wherever you lay your head is your home. Al in de Junkie XL-tijd sliep ik in mijn piepkleine studiootje, op een matras onder de mengtafel.’ Inmiddels is het studio’s – meervoud. Hij heeft ze in L.A. en in Amsterdam, met assistenten die permanent voor hem klaarstaan. ‘En als het nodig is laad ik de boel in en zet het op het vliegtuig. De afgelopen jaren was ik voor langere tijd in Australië, in Engeland, in Nieuw-Zeeland om met Peter Jackson te werken, een tijd in Nederland toen ik de muziek voor Martin Koolhovens Brimstone maakte. Ik vind het een prettig om steeds op nieuwe plekken in de wereld te zijn. Dan kom ik in Sydney in een ruimte waar ik nog nooit ben geweest, zetten we mijn apparatuur neer, en hup: ik heb er een huiskamer bij. En als ik een tijdje op dezelfde plek blijf, verander ik steeds dingen aan mijn studio, zodat het lijkt alsof-ie nieuw is.’ Lachend: ‘Ook dat heb ik van mijn moeder, die had precies hetzelfde. Elk half jaar ging het hele huis op de schop. Moest de bank weer dáár, de kast dáár. Mijn vader werd er helemaal gestoord van.’
Onrust heeft hem altijd gekenmerkt. Als klein kind, opgroeiend in het Achterhoekse dorp Lichtenvoorde, kon hij soms nachten achtereen niet slapen wanneer iets zijn aandacht had getrokken. ‘Dan ging ik schilderen of urenlang muziek luisteren – alles wat niet te veel lawaai maakte. Ik ben een typisch ADHD-geval. Het is voor mij heel moeilijk om te focussen, maar als ik eenmaal gefocust ben, krijg ik een adrenalinestoot en kan ik niet meer stoppen.’ Zijn ouders maakten zich zorgen en namen hem mee naar de dokter. ‘Die raadde hun aan om me Ritalin te geven, maar daar is mijn moeder echt voor gaan liggen. ‘Tom is gewoon een heel druk jongetje’, zei ze. Daar ben ik haar nog altijd zeer dankbaar voor. Ik ken mensen die het twintig, dertig jaar hebben geslikt, en die zeggen dat ze daardoor andere personen zijn geworden. Vlakker, ze voelen de hoogte- en dieptepunten niet meer echt. Nou, dan liever dit. Mijn toppen zijn superhoog, maar als ik een dalletje pak is dat wel even een dingetje.’
Die zijn diep, bedoel je?
‘Ja. Het duurt meestal niet zo lang, hoor. Voor ik hier kwam, toen Furiosa net klaar was, heb ik twee weken alleen maar in bed gelegen. De ijskast vol met magnetronmaaltijden, heel veel slapen. Totdat het genoeg was en ik dacht: misschien moet ik eens douchen en buiten gaan kijken hoe de stad er ook alweer uitziet.’
Als muzikant kon hij grillig zijn en soms zomaar een band opdoeken als de ontwikkeling niet snel genoeg ging. ‘Dat was met mijn eerste schoolbandje al zo. Vanaf het prille begin had ik een enorme drang naar erkenning. Bijna ziekelijk. Zodra ik het gevoel kreeg dat ik stilstond zegde ik een samenwerking op, want ik moest dóór. Ik heb in die tijd veel mensen niet fair behandeld – managers, medemuzikanten. Destijds had ik totaal niet in de gaten dat ik over ze heen denderde, want ik was veel te overtuigd van mijn eigen gelijk. Later heb ik de vriendschappen die daardoor kapotgingen gelukkig weer kunnen herstellen, maar daar heb ik wel flink mijn best voor moeten doen.’
Zijn dadendrang is naast zijn grote kracht ook altijd zijn achilleshiel geweest. Dat wist hij zelf al vroeg, maar ernaar handelen was een ander verhaal. ‘Het is de reden waarom ik mezelf Junkie XL heb genoemd. XL staat voor ‘expanding limits’ – een open vizier houden, nieuwsgierig blijven. Maar dat ‘junkie’ betekent: geen grenzen kennen, altijd maar doorgaan. Ik gebruikte geen drugs hè, en nog steeds niet – dat denken mensen vaak. Maar ik was letterlijk verslaafd aan muziek maken, en besefte ook: dat gaat zijn weerslag hebben op mijn gezondheid.’
Je artiestennaam was een waarschuwing aan jezelf?
‘Precies. Ik was daar bewust mee bezig, maar toch trok ik me er niks van aan. In de tijd dat ik Junkie XL begon voelde ik rare dingen aan mijn hart. Omdat mijn zus een hartziekte had, hebben ze me toen uitgebreid onderzocht. Ik bleek een aritmische hartslag te hebben, maar dat was verder niet zorgelijk. Ze zeiden wel: we denken dat je tegen een paniekaanval aan zit. Tja, de remedie daartegen is dat je rustiger moet gaan leven, dat raadden ze me ook aan. Maar dat advies sloeg ik in de wind, want ik wist zelf wel beter.’
Met zijn verhuizing naar de VS koos hij juist voor méér drukte. Vanuit L.A. bestreek hij als Junkie XL de continenten, intussen greep hij alles aan om verder te komen in de filmwereld. Het was een klein jaar nadat in dezelfde week zowel zijn moeder als zijn zus was overleden – zijn moeder aan kanker, zijn zus aan hartproblemen. In Nederland werd zijn vertrek gezien als een haastige beslissing. ‘Junkie XL gevlucht naar L.A.’, schreef VPRO’s 3 voor 12. ‘Dat was niet zo. Mijn moeder had voor ze stierf juist gezegd: zorg dat je wel naar Amerika gaat. Het was allemaal grondig voorbereid en overdacht, samen met mijn manager.’
Het probleem, zegt hij, was dat hij geen poot aan de grond kreeg in Hollywood. ‘Ik had wel klussen, waarvan ze dan in Nederland zeiden: zó zeg. Maar mijn droom, om helemaal in mijn eentje de muziek van een grote Hollywoodfilm te maken, kwam maar niet dichterbij. Ook niet na zes, zeven jaar keihard buffelen. Dat begon enorm aan me te vreten, het nam eigenlijk gewoon bezit van me. Maar ondertussen werkte ik zo hard dat ik te druk was om het echt door te hebben.’
De onvrede uitte zich in paniekaanvallen van de serieuze soort. Tijdens een vlucht lag hij ineens in foetushouding in het gangpad. Daarna was er de keer dat hij in L.A. zijn auto haastig aan de kant van de weg moest zetten. ‘Ik dacht dat ik een hartaanval kreeg, dat ik doodging. Druk op de borst, alles draaide voor mijn ogen, mijn hart deed pijn. Een van mijn beste vrienden is met gevaar voor eigen leven door de stad gescheurd om me naar een ziekenhuis te brengen, waar ze me uiteindelijk gewoon een kalmeringsmiddel hebben gegeven. Dan denk je: waar kwam dat in godsnaam vandaan?’
Het moest van kwaad tot erger gaan voordat hij actie ondernam. ‘Op een gegeven moment kreeg ik die aanvallen een paar keer per dag, het verspreidde zich over allerlei gebieden. Ik durfde niet meer in een lift of een trein, kreeg hoogtevrees, ging alleen nog naar een klein supermarktje omdat ik niet meer tegen drukte kon. Feitelijk was ik uitgeschakeld, ik dreigde in een sociaal isolement terecht te komen. Dus toen was het echt tijd om een keer goed in de spiegel te kijken.’
Hij ging in therapie, drieënhalf jaar lang. ‘Ik kreeg cognitieve gedragstherapie. Dus niet dat je je hele jeugd weer overhoop gaat halen, maar praktischer gericht: tegen welke problemen loop je aan in je leven, en hoe los je die op. Het was hard werken, hoor. Een paniekaanval komt niet uit het niets, daar gaan jaren aan vooraf. Dat betekent dus ook dat je die kluwen met garen in je kop draadje voor draadje moet uitrollen om ervan af te komen. Maar ik heb er ontzettend veel baat bij gehad, al moest het natuurlijk wel weer op míjn manier.’
Hoe bedoel je?
‘Nou, ik ben een enorm gevoelsmens, maar ook een echte analyticus. Als een therapeut zegt: dit werkt zo en zo in jouw hoofd, klaar, dan kan ik dat niet zomaar aannemen. Dan moet je me echt even de Harvard-artikelen over dat onderwerp sturen, en die ga ik dan ook helemaal lezen. Dat liep een beetje uit de hand. Ging ik complete boeken over neurologie doorspitten. Superinteressante materie, hoor. De hersenen, dat blijft toch iets wonderlijks.’
Ook begon hij zijn angst- en paniekniveaus te monitoren door van elke dag een grafiekje te maken. ‘Hoeveel sigaretten ik rookte, hoeveel ik had geslapen, hoelang ik werkte, of ik een work-out had gedaan of niet. Allemaal data, die ik dan afzette tegen hoeveel angst of paniek ik voelde. En toen ging ik het in één keer zien. Wacht even: als ik dagen van veertien uur draai, te veel drink en twee pakjes sigaretten paf, moet je eens kijken hoe die lijntjes dan omhoogschieten!’
Is dat niet een beetje naïef?
‘Haha. Ja, het is natuurlijk te simpel voor woorden. Iedereen weet wat gezond leven is, en toch doen de meesten het niet. Maar die grafiekjes zijn toch iets anders dan als je een of ander spotje op tv ziet. Daar, recht voor je ogen: dat ben jij, zo leef je. Ik vond het een openbaring. Daardoor zag ik in dat er iets moest veranderen.’
Het was in de tijd dat hij in Nederland te gast was in Zomergasten. ‘Vind ik een bijzonder programma, Bas Heijne is een begaafd interviewer, ik had een mooie avond samengesteld. Maar ik heb er alleen maar stukjes van teruggezien, want ik vond het best moeilijk om naar te kijken. Je ziet aan mijn kop: die gast is twee uurtjes verwijderd van een paniekaanval.’
Toch begon er langzaam iets te veranderen. Hij las veel, en nog steeds. Filosofie, de stoïcijnen, boeken over boeddhisme. De voornaamste les daarvan: ‘Je ziet dat het neerkomt op acceptatie. Je moet weten waarom je gekweld wordt, accepteren dat dat zo is, en van daaruit kijken wat je ertegen kunt doen.’
Niet veel later betrok hij in L.A. een ander huis. ‘Buiten de stad, in Topanga Canyon. Een soort hippie-community in een heel groot park, met huizen die ver uit elkaar staan. Ik woonde boven op een berg, met uitzicht op zee. Gek genoeg had ik op dat moment niet zoveel te doen. Dus ik zat een beetje naar de zee te staren. Wat nou, zei ik tegen mezelf, als je niet die geslaagde filmcomponist wordt, is je leven dan mislukt? Nee, nee, dat niet. Houdt je vader dan nog steeds van je? Ja, dat wel. En je vrienden, en die fantastische bruine hond die elke dag naast je ligt? Ja, die ook. Toen voelde ik dat er iets in mij veranderde, ik begon gewoon te lachen om dat ziekelijke móéten van mij. Echt een aha-moment. Dus dát was mijn kwelling, dat was wat mijn geluk in de weg zat: ik wilde té graag. Nu kon ik dat eindelijk loslaten. En het klinkt gek, maar het is echt waar: vanaf dat moment begonnen de zaken in L.A. te veranderen voor me. Ineens was het: Tom, wil je dit voor ons doen? En dit, en dit?’
Hij ontmoette Hans Zimmer, dé grote filmcomponist in die tijd, en ging onder diens hoede werken. ‘We klikten enorm, hij gaf me steeds meer verantwoordelijkheid, en een paar jaar later kreeg ik de eerste opdracht in mijn eentje, met de film 300: Rise of an Empire.’
Betekende dat inzicht ook het einde van je paniekaanvallen?
‘Ja, die heb ik sindsdien nooit meer gehad. Ik heb veel steun en hulp gehad, van de therapeut, van vrienden, maar al met al heb ik het toch vooral zélf gedaan. Daar ben ik erg trots op. Ik heb iets overwonnen dat mijn leven verscheurde, uiteindelijk is dat veel belangrijker dan dat ik hier in Cannes op de rode loper sta.’
Ben je ook gelukkiger nu?
‘Ja, omdat ik nu beter in staat ben te doen wat voor mij het leven zin geeft, en dat is het creëren van muziek.’
Hij staat op om op het hotelbalkon een sigaret te roken. Daar: ‘Ik ben absoluut een leuker mens geworden door therapie. Maar het is grappig: vliegen, waar het allemaal mee begon, vind ik nog steeds een verschrikking. En verder is therapie natuurlijk niet het antwoord op alles. Die Zomergasten-uitzending vond ik moeilijk om te bekijken omdat ik een man zag die op zoek was naar een balans in zijn leven. Nou, dat ben ik nog steeds. Ik ga nog steeds vaak te hard. Het wordt wel iets beter, maar ik vraag me echt af of ik ooit innerlijke rust ga krijgen. Of ik ooit zal kunnen zeggen: ik ben nu helemaal in harmonie met mijn omgeving en met mezelf. Het is constant zoeken.’
Wat gaat er ‘iets beter’?
‘Het is meer een aan/uit-scenario dan vroeger. Ik was een tijdlang echt goed bezig, sportte veel, had anderhalf jaar niet gerookt. Maar dan neemt de druk toe, met Furiosa en andere dingen die af moeten. Je denkt: Tom, je bent al acht keer op dit punt geweest, je wéét dat je je slecht gaat voelen, en toch sla je zodra je buiten komt linksaf naar de sigarenboer om een pakje te kopen. En laat je al die dingen waardoor je je zo goed voelde gewoon weer vallen.’ Zuchtend: ‘Ik hoop dat ooit het moment aanbreekt dat het zo goed zit in mijn hersenpan dat ik nou eens een keer gewoon rechtsaf kan gaan.’
Leven in een lager tempo zit er voor Holkenborg niet in. Niet op het punt waar hij nu is in zijn carrière, maar waarschijnlijk gewoon nooit niet. ‘Ik zit nu in de top 10 van componisten die al dit soort grote films doen, en dat is geweldig. Maar er zal ook vast een moment komen dat wat ik te gek vind om te maken niet snijdt met wat er gevraagd wordt. Dat zie ik dan wel weer. Ik weet dat het mijn passie voor muziek maken niet zal beïnvloeden. Dat is de aard van het beestje. Een gewone baan, standaard werkdagen... ik heb het gedaan hoor, vroeger. Als technicus gewerkt bij een regionale omroep, in studio’s. Maar dat is niet voor mij weggelegd. Als ik niet kan creëren word ik dood- en doodongelukkig.’
Dus zit er niets anders op dan te accepteren dat het een strijd zal blijven. Hij klopt op zijn – overigens zeer bescheiden – buikje (‘Je ziet, ik moet weer aan de bak’), en lacht. ‘Misschien wordt het vanzelf een beetje makkelijker, omdat ik ouder word. Zelfs een ontzettend eigenwijze jongen met een blok voor zijn kop – zeg maar: een jongen als ik – wordt met de jaren toch ietsje wijzer. Ik ken mezelf beter, maak slimmere keuzes. Drie nachten achter elkaar doorhalen omdat ik het op mijn heupen krijg, dat gaat sowieso niet meer. Tegenwoordig dwingt mijn lichaam het gewoon af: nú moet je slapen. Toen ik 27 was kon ik dat nog negeren, maar dat lukt niet meer.’
Dus ouder worden is voor jou een verkapte zegen?
‘Nou ja, misschien. Ik vind het ook erg jammer, hoor. In mijn hoofd voel ik me nog altijd 27, maar als ik ’s ochtends in de spiegel kijk weet ik weer: dat is niet zo. Soms heb ik ineens zo’n doemperspectief: shit, ik heb misschien nog maar dertig jaar, ik wil nog zoveel doen. Dat is niet genoeg, ik kom nu al tijd tekort.’
8 december 1967 Geboren in Lichtenvoorde.
1978-1984 Middelbare school Marianum Groenlo.
1989-1995 Rechtenstudie RUG Groningen, niet afgemaakt.
1987-1994 Drummer, gitarist en producer van Weekend at Waikiki.
1990-1995 Band Nerve, met Phil Mills.
1997 Brengt onder de naam Junkie XL het album Saturday Teenage Kick uit, en tourt met een liveband.
1999 Tweede album Big Sounds of the Drags.
2002 Heeft als soloartiest een wereldhit met de Elvis-remix A Little Less Conversation, verhuist naar Los Angeles.
2010-2013 Assistent van filmcomponist Hans Zimmer, voor Dark Knight Rises (2012), Madagascar 3 (2012) en Man of Steel (2013).
2014 Eerste filmopdracht in zijn eentje, voor 300: Rise of an Empire.
2015 Mad Max: Fury Road van George Miller.
2016 Brimstone van Martin Koolhoven.
2016 Deadpool van Tim Miller.
2018 Mortal Engines met Peter Jackson.
2019 Alita: Battle Angel van Robert Rodriguez en James Cameron.
2021 Zack Snyder’s Justice League.
2024 Furiosa: A Mad Max Saga.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant