Wekelijks neemt Bor Beekman, Robert van Gijssel, Joris Henquet, Merlijn Kerkhof, Anna van Leeuwen of Herien Wensink stelling in de wereld van film, muziek, theater of beeldende kunst.
De eerste keer dat ik het Nederlands Film Festival (NFF) bezocht, leidde Jos Stelling mij rond. ‘Hier kijken jonge mensen Nederlandse films’, zei de Utrechtse cineast, die de Nederlandse Filmdagen in 1981 zelf had opgericht. ‘En dan denken ze: o, dat kan ik ook wel maken. En vooral: dat kan ik béter!’
Toen was de Volkskrant al een van de sponsoren van het NFF. En dat is de krant nog steeds. Om de zoveel tijd, als de contracten worden hernieuwd, vraagt iemand van de uitgeverij mij of we er goed aan doen om ook sponsor te blijven. Dus ik kan me wel een beetje verplaatsen in het Utrechtse college van B&W, waar men op 25 juni moet beslissen over de subsidiëring.
Stopzetten, adviseert de Utrechtse adviescommissie voor de cultuurnota. De door het festival ingediende plannen werden beoordeeld als ‘matig’. Ook voegt het NFF, aldus de commissie, slechts een ‘minimale artistiek-inhoudelijke eigenheid’ toe, naast de ‘faciliterende functie’ van het festival.
Middels een puntensysteem (‘score bijdrage culturele ecosysteem: 20 punten), eindigde het filmfestival onder de streep. Van de huidige jaarlijkse gemeentelijk bijdrage van 576.575 euro ineens naar nul. De verantwoording was gegoten in kronkelende beleidstaal, waarmee van alles en tegelijk ook niets wordt beweerd. Zo ‘mist’ de commissie een ‘meer verbindende, uitreikende rol’. En begrijpt men niet hoe het ‘promoten van de Nederlandse film’ rijmt met het streven van het festival om ‘zich te verhouden tot maatschappelijke thema’s’.
Wel, ik zie ál die Nederlandse films: nooit zit er eentje bij zonder maatschappelijke thema’s. Zelfs De Tatta’s, in deze krant met 1 ster gewaardeerd (‘Flodder voor de TikTokgeneratie’) en op het vorige NFF geëerd met het Gouden Kalf van het publiek, is verankerd in de maatschappij.
Dát er kritiek is op het festival, is niet zo vreemd. Het NFF verkeert al jaren in een identiteitscrisis. Wat wil het nou eigenlijk zijn? Een ontmoetingsplek voor filmmakers? Een viering van de jaaroogst? Een publieksfestival? Maar hoe dan, met hooguit twee of drie nieuwe speelfilms? Een hippe hybride ‘hub’ voor allerlei visuele kunstvormen? Of – de jongste ontwikkeling – liever een etalagekast voor nieuwe en (nog) ongeziene Nederlandse series?
Kun je dat ook allemaal tegelijk zijn?
Voor wat het waard is: de leiding van het NFF had de afgelopen jaren een goede hand bij de keuze van de openingsfilm: van het Caribische Buladó van Eché Janga tot Ena Sendijarevic’ koloniale satire Sweet Dreams. Dat kún je reduceren tot ‘faciliterende functie’. Tijdens al die openingsavonden hoorde ik de Utrechtse burgemeester verklaren zo trots te zijn op ‘dé filmstad’. Ook noemde ze de films – en het festival – ‘verbindend’. Niet ‘uitreikend’, nee, maar dan had de zaal ook niet begrepen wat ze bedoelde.
Als de gemeente ineens de stekker eruit trekt, na 45 jaar, gaat dat over meer dan geld. Het is óók een signaal aan de lokale ondernemers, de overige sponsoren en de landelijke politiek. Dat Utrecht geen filmfestival meer wil. En dat het NFF op zoek moet naar een andere ‘filmstad’.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns