De nieuwe doorstroomtoets in groep 8 heeft geleid tot een verschuiving in de toetsadviezen. Zo zijn er bijna een kwart minder vwo-adviezen gegeven. Tegelijk lijken met name kansarme kinderen in aanmerking te komen voor een naar boven toe bijgesteld advies.
Dit blijkt uit documenten die het ministerie van Onderwijs heeft geopenbaard op grond van een door de Volkskrant ingediend verzoek op de Wet open overheid (Woo). Toen de uitslag van de doorstroomtoets in maart bekend werd, ontstond onrust op scholen en bij ouders. De resultaten van de toets bleken in veel gevallen flink af te wijken van de voorlopige schooladviezen, die gebaseerd zijn op eerdere toetsresultaten en indrukken van leerkrachten.
De doorstroomtoets kwam dit jaar in de plaats van de centrale eindtoets. Qua opzet is de toets niet zozeer veranderd: de resultaten laten zien welk niveau leerlingen hebben op het gebied van taal en rekenen, als een objectieve second opinion bij de inschatting van de school. Een groot verschil met voorgaande jaren is dat scholen dit jaar verplicht zijn om ‘kansrijk’ te adviseren: als een leerling de toets beter heeft gemaakt dan verwacht, dan moet een school het definitieve advies naar boven toe bijstellen.
Dat de toetsresultaten gemiddeld lager uitvallen, valt te lezen in een interne nota van het ministerie. Het aantal vwo-adviezen daalde van 17 naar 13 procent. Ook wordt geconstateerd dat er grotere verschillen tussen de toetsaanbieders bestaan dan bij de centrale eindtoets.
Over de auteur
Jurre van den Berg is regioverslaggever van de Volkskrant in Noord-Nederland.
Irene de Zwaan is verslaggever van de Volkskrant. Zij schrijft over jongerencultuur en onderwijs.
De zes toetsaanbieders werden na bekendmaking van de resultaten, halverwege maart, overstelpt met mailtjes en telefoontjes van scholen, blijkt uit de Woo-documenten. ‘Sommige leerlingen barsten in huilen uit als ze de uitslag zien’, mailt een toetsaanbieder aan het ministerie. ‘En het ergste nog wel: vele klanten (hij doelt op scholen, red.) geven aan geen vertrouwen meer te hebben in de doorstroomtoets.’
In een reactie laat het ministerie aan de ongeruste toetsaanbieders weten dat de resultaten dit jaar inderdaad lager uitpakken. Maar volgens het ministerie is dit juist het gevolg van een nauwkeurigere meting, op basis van een nieuwe normering. Die is namelijk voor het eerst voor alle toetsaanbieders gelijkgetrokken.
Hierdoor zijn de toetsen volgens het ministerie beter met elkaar te vergelijken en wordt er ‘passender’ geadviseerd. Maar door de nieuwe werkwijze zijn de resultaten niet te vergelijken met voorgaande jaren. ‘Mogelijk hebben leerlingen toen relatief hoge adviezen gekregen’, stelt een betrokken ambtenaar van het ministerie in vrijgegeven correspondentie.
Scholen wezen er in eerdere berichtgeving in de Volkskrant op dat er grote verschillen bestaan tussen de toetsaanbieders. Met andere woorden: het maakt voor het resultaat uit van welke aanbieder een school gebruik heeft gemaakt. Het ministerie erkent in de Woo-documenten dat die verschillen er zijn. Mogelijk komt dit doordat ‘bepaalde scholen kiezen voor bepaalde toetsen’, oppert een ambtenaar, die spreekt van ‘het populatie-effect’ (het leerlingenbestand van een school, red.).
Een andere mogelijke verklaring is dat er in sommige toetsen ‘mechanismen’ zijn ingebouwd waardoor leerlingen hun vaardigheden minder goed kunnen laten zien. Zo wordt de toets zowel op papier als digitaal aangeboden, afhankelijk van de aanbieder.
Dat scholen kunnen kiezen uit verschillende toetsaanbieders was een uitdrukkelijke wens van de Tweede Kamer. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de voor het Nederlandse onderwijsstelsel zo kenmerkende keuzevrijheid. Onder toetsdeskundigen bestaat evenwel twijfel over de vergelijkbaarheid van de uitkomsten. Het College voor Toetsen en Examens, dit jaar voor het eerst verantwoordelijk voor de kwaliteit en normering van de doorstroomtoetsen, doet onderzoek naar die verschillen. De resultaten worden in september verwacht.
Het ministerie verwijst naar een beknopt onderzoek van het Cito als ‘bewijs’ dat het doel van de doorstroomtoets, namelijk het vergroten van de kansengelijkheid bij de overgang van het basis- naar het voortgezet onderwijs, is behaald. Daaruit blijkt dat vooral leerlingen met een ‘hoge schoolweging’ (jargon voor een kansarme populatie) dit jaar in aanmerking kwamen voor een bijstelling naar boven: namelijk 21,7 procent, tegenover 9,5 procent van de leerlingen van scholen met een ‘lage schoolweging’ (kansrijke populatie). Het onderzoek is gebaseerd op de resultaten van Leerling in beeld, de doorstroomtoets van aanbieder Cito die op ongeveer 40 procent van de scholen wordt aangeboden.
Hoewel het in de geest van het beleid is om kansenongelijkheid tegen te gaan, spraken schooldirecteuren eerder de vrees uit dat te kansrijk adviseren op basis van een toetsresultaat ertoe kan leiden dat leerlingen op een niveau uitkomen dat voor hen te hoog gegrepen is.
Van een goedbedoelde kabinetsmaatregel rondom kansrijk adviseren uit 2021, ter compensatie van de gemiste onderwijstijd tijdens de coronacrisis, is inmiddels bekend dat die in de praktijk negatief uitpakte. Zowel op de havo als op het vmbo stroomde een aanzienlijk aantal leerlingen af naar een ‘lager’ niveau, blijkt uit cijfers van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Van vmbo naar praktijkonderwijs steeg het aantal overstappers vorig jaar zelfs met een kwart ten opzichte van 2018.
Het Woo-verzoek is uitgevoerd door onderzoeksjournalist Erik Verwiel.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant