Home

In ‘Treasure’ speelt Stephen Fry een Auschwitz-overlevende: ‘Het was de kunst om niet te veel van zijn verborgen leed te laten zien’

Acteur Stephen Fry kruipt in de huid van Edek, een Pool die na de oorlog naar de VS is geëmigreerd. De rol van deze charmante rasoptimist, die zijn trauma verbergt achter een masker van vrolijkheid, is de Brit op het lijf geschreven.

‘Een halfuur, my goodness! Je moet mijn hele doopceel maar gaan lichten, want ik heb natuurlijk veel te weinig meegemaakt om zo lang te praten!’

Stephen Fry (66) zegt het met een knipoog, want hij weet zelf ook wel dat hij zijn carrière daarmee ernstig tekortdoet. De Britse duizendpoot acteerde in allerlei series, variërend van Blackadder en It’s a Sin tot The Morning Show en The Hobbit, is een geliefd toneelacteur, schreef bestsellers als Mythos, Troy en Heroes, presenteerde jarenlang het populaire Britse quizprogramma QI en maakte een persoonlijke documentaire over zijn bipolaire stoornis.

Over de auteur
Alex Mazereeuw schrijft voor de Volkskrant over film en televisie.

Een halfuur is dan zo gevuld, zeker nu Fry de hoofdrol speelt in de tragikomedie Treasure, waarvoor we hem in februari spreken op het filmfestival van Berlijn. Fry speelt Edek, een Poolse Auschwitz-overlevende die na de oorlog met zijn vrouw naar de Verenigde Staten is geëmigreerd, zodat hun dochter Ruth (Lena Dunham uit Girls) niets hoeft mee te krijgen van de nasleep van de Holocaust.

De charmante Edek is nu eenmaal een rasoptimist, die zijn herinneringen aan het verleden zo veel mogelijk uitschakelt. Na de oorlog leeft hij volgens het motto ‘Laten we niet huilen!’

Maar voor Ruth, inmiddels een ietwat depressieve journalist, is dat niet langer genoeg. Begin jaren negentig dwingt ze haar vader om samen een roadtrip te maken door Polen, zodat ze eindelijk wat kan leren over haar wortels; bijvoorbeeld door Edeks ouderlijk huis te bezoeken, of door, voor het eerst sinds de oorlog, een bezoek te brengen aan Auschwitz.

Fry was meteen om toen hij het script las. ‘Vaak lees je iets en denk je: dit is een prima idee, maar meestal staan de personages vervolgens vooral in dienst van dat idee. Bij het script van Treasure werd direct duidelijk dat alles juist is geschreven vanuit de personages. Het materiaal was daar, en Lena en ik moesten er maar voor zorgen dat het niet té zwaar of juist te veel slapstick zou worden.’

Hoe moeilijk is het om tijdens het spelen die balans te vinden, in een film die uiteindelijk toch gaat over de decennialange nasleep van de Holocaust?

Fry buigt naar voren: ‘Weet je wat het is met acteren? Je moet lang niet elke scène aanvliegen als iets dat je moet spelen. Dat klinkt misschien gek, maar ik zal het uitleggen. Een paar decennia geleden werkte een vriend van me samen met filmster Gregory Peck aan een verfilming van Moby Dick. Die vriend zag dat Peck in zijn script op meerdere plekken ‘NAR’ had opgeschreven. Toen hij aan Peck vroeg waar dat precies voor stond, zei die: ‘No acting required’ [acteren niet nodig].

‘Peck doelde daarmee op de vele ‘tussenmomentjes’ in zo’n film: een goedemorgen, een loopje, een gesprekje bij het ontbijt. Die moet je helemaal niet acteren, maar gewoon aanpakken zoals je dat altijd doet. Lena en ik probeerden dat in deze film ook zo vaak mogelijk te doen, zodat niet alles topzwaar, ingewikkeld of al te uitgedacht zou worden. Het alledaagse moet nooit te gekunsteld worden.’

Toch lijkt een zekere vorm van gekunsteldheid, zeker in het begin van de film, even op de loer te liggen. Fry, toch een bijzonder eloquente Brit, spreekt in de film met een zwaar Pools accent. Het is het resultaat van maandenlange lessen, die hij – via Skype – volgde bij ‘Magda uit Warschau’.

Fry: ‘Je leest vaak over acteurs die vijf keer per week naar de sportschool moeten om een sixpack te kweken, of voor een rol tientallen kilo’s moeten afvallen. Maar laten we eerlijk zijn: dun of fit zal ik niet snel worden. Voor mij was het leren van de Poolse taal blijkbaar een uitdaging, zo een waarmee acteurs maar al te graag een Oscar willen winnen.’

En dus was het voor Fry vooral een kwestie van ‘ritme’ vinden in de taal. ‘In het Pools gaat het er heel erg om dat je de juiste nadruk legt op de woorden: er zit een zekere swing in de uitspraak, die je je helemaal eigen moet maken. Gelukkig kon ik op Netflix een hele berg Poolse films en series zonder ondertiteling kijken. Poolse mensen hebben me verteld dat mijn accent niet onaardig is. En het klinkt ook verdomd overtuigend, niet?’

De interviewer knikt instemmend, om vervolgens te benadrukken dat hij niet uit Polen komt, en bij nader inzien eigenlijk geen flauw idee heeft of het inderdaad overtuigt. Fry: ‘Well, thank you Dutch guy, dat zegt genoeg!’

De rol van Edek, als de vrolijke clown die zijn leed probeert te verbergen onder een masker van jolijt en gezelligheid, is Fry op het lijf geschreven. ‘Ik moest in mijn spel vooral voor mezelf houden dat Edek die zware last van de Holocaust met zich meedraagt. Het was de kunst om niet te veel van dat verborgen leed te laten zien, omdat dit duidelijk een man is die al decennialang niet meer praat over zijn gevoelens. Zijn levensmotto is niet voor niets ‘laten we niet huilen’ – hartverscheurend, toch?’

Waar komt dat motto vandaan?

‘Edek heeft vrijwel al zijn naasten zien sterven in Auschwitz. Die verschrikkingen kun je alleen overleven door je menselijkheid als het ware even op non-actief te zetten. Die houding van doelbewust wegkijken heeft hij na de oorlog meegenomen toen hij met zijn vrouw naar New York verhuisde.

‘Hun dochter moest opgroeien in volledige vrijheid en mocht vooral niets weten van het leed van haar ouders. Voor Edek was het hele punt van overleven immers dat hij een wereld kon creëren die zo ver mogelijk afstond van de ellende die hij zelf had meegemaakt. Hij negeert of ontkent zijn verleden niet om de pijn te vergeten, maar vooral om die pijn bij zijn dochter vandaan te houden.’

Zwijgen uit liefde, niet uit onmacht.

‘Precies! Maar het rottige is: een kind weet dat niet; dat gaat op een bepaald moment toch vragen stellen, of handelen zonder de implicaties te doorzien. Dat zie je bijvoorbeeld in het begin van de film, wanneer Ruth treinkaartjes heeft gekocht voor Edek. Die wordt daarmee meteen herinnerd aan de verschrikkingen tijdens de Holocaust, maar hij neemt het zijn dochter niet kwalijk. Want hoe kan zij dat weten? Ze heeft er geen weet van, en Edek wil dat zo houden.

‘Zo is er in elke familie met Auschwitz-overlevenden wel een geschiedenis van zwijgen. Maar bij Edek is dat zwijgen meer beschermend dan ontkennend.’

En toch krijgt Ruth hem zo ver dat ze uiteindelijk een bezoek brengen aan Auschwitz. Hoe was het om daar te filmen?

‘Als je daar rondloopt, ben je vooral voortdurend op zoek naar een uitgang. Het is zo’n donkere, griezelige plek, je kunt nooit helemaal voorbereid zijn op zo’n open spookhuis. Wat ik vooral opvallend vond, was hoeveel lucht je zag. Al dat licht maakte het hele idee van geïndustrialiseerde moord nog wat grimmiger.’

‘Het filmen zelf gebeurde vooral met de grootst mogelijke voorzichtigheid. De Auschwitz-organisatie leest elk script heel nauwkeurig, en besluit vervolgens wie wel en niet mag filmen. Alles wat in een film die zich in Auschwitz afspeelt wordt beweerd, moet volledig kloppen. Als je zegt dat een hek 10 meter hoog is, terwijl het in werkelijkheid 12 meter hoog is, grijpen ze in. Dat doen ze vooral omdat ze Holocaustontkenners geen munitie willen geven. Als die ook maar een beetje zien dat er iets niet helemaal klopt, grijpen ze dat meteen aan om hun leugens te verspreiden.’

Binnen uw eigen familie zijn ook mensen omgekomen tijdens de Holocaust. Maakte dat het voor u nog moeilijker?

‘We hadden maar één draaidag, maar gelukkig kregen we wel de gelegenheid om eerst een dagje te ‘acclimatiseren’. En het voelde inderdaad wel als een moment om het verleden onder ogen te komen. Mijn zus was bijvoorbeeld met mij meegekomen, maar mijn moeder van 91 durfde het uiteindelijk toch niet aan. Veel van haar familieleden zijn er vermoord, voor haar zou het te heftig zijn om die geschiedenis te herleven.

‘Het is niet zomaar wat, afreizen naar een plek waar zo veel familieleden zijn vermoord. Dat voelde ik zelf ook toen ik daar rondliep. Het is een ervaring die je in je hele lijf voelt.’

Toch blijft Edek zelfs op bezoek in Auschwitz grapjes maken. Lukt u dat zelf ook op zo’n moment?

‘Mijn eerste reflex, als ik op zo’n plek rondloop, is ook om meteen een grap te maken. Auschwitz is als een ballon die voortdurend dreigt te ontploffen in je hoofd. Ik zoek dan toch vooral een uitvlucht in de humor, zelfs als dat niet altijd helemaal gepast lijkt. Dan zeg je zoiets als: ‘O mijn God, dit is wel echt het Harvard van de concentratiekampen, hè?’

‘Op die manier houden we het toch een beetje draaglijk. We hebben er niets aan om te veel in de zwaarte te blijven hangen. In die zin is Edeks motto misschien zo gek nog niet.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next