Ik kwam net uit Artis, gunstig gestemd, want ik had de olifanten zien zwemmen en stoeien in hun slotgracht, inclusief speels slurfworstelen en het juichend overgooien van een rode bal. In de vrije natuur krijgen olifanten geen rode bal om mee te spelen, bedacht ik, dus is het maar goed dat Artis bestaat.
Ik passeerde het Sarphatihuis, het verpleeghuis waar mijn oude schoonmoeder haar laatste, demente jaren in volmaakte harmonie heeft gesleten. Ook Ramses Shaffy stierf daar, ‘aan de gevolgen van een geleefd leven’ zoals artiesten betaamt. Op de buitenmuur van het huis is zijn portret geschilderd door een anonieme kunstenaar. Naast zijn gezicht staat in grote letters: ‘LEEF!’
Over de auteur
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.
Honderden keren heb ik erlangs gefietst, maar nu bood die karakterkop van onze betreurde troubadour een nieuwe, verrassende aanblik: iemand had, bij wijze van objet trouvé, een complete boodschappenkar ondersteboven tussen de muur van het huis en het hek gewrongen. Die kar leek daar te zweven tussen hemel en aarde en op de duwstang zat een kouwelijk ineengedoken reiger.
In mijn jeugd was zo’n reiger nog een opmerkelijke verschijning, een vrij zeldzaam giacometti-beeldje naast sloten of plassen, maar tegenwoordig ‘lijkt het wel alsof je ze bij de boter cadeau krijgt’ zoals wijlen mijn oma gezegd zou hebben. Ze zitten overal in de stad waar wat te halen valt. Ik ken zelfs een snackbar waar er een pal voor de ingang staat, als de portier van een louche nachtclub, die de toegang genadig laat afkopen met de belofte van een stukje frikandel. LEEF!
Maar wat valt er te snaaien bij het Sarphatihuis? Chagrijnig keek de reiger langs de tronie van onze vrijgevochten romanticus. ‘Leef je eigen leven, niet dat van anderen’ was Shaffy’s motto, wat erop neerkwam dat hij alles deed waar zijn pet naar stond; meestal ten koste van die geminachte ‘anderen’, charmant lallend dat hij nu eenmaal ‘een groot hart’ had. Nou ja, je kunt er heel beroemd mee worden, en in die tijd stapten gekneusde ex-bedgenoten nog niet naar de rechter. LEEF!
Die reiger, intussen, had zijn humeurige blik op míj gevestigd. ‘Wat mot je?’, vroeg ik korzelig, want zijn schriele, kniezende verschijning contrasteerde wel héél kras met die lieve olifanten van daarnet.
‘Geef me eens wat te vreten’, knarste hij. Ach, natuurlijk.... ik grabbelde in mijn jaszakken en vond een verpakt koekje, zoals je die in pretentieloze café’s krijgt. Ik trok het cellofaantje eraf en wierp het koekje voor zijn spichtige poten. ‘Lust je dat?’, vroeg ik. Maar hij schudde zijn kop, dat de veertjes ervan wapperden. Zijn koude, gele ogen gloeiden, en hij kefte: ‘STERF!’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant