In de uitslag van de Europese verkiezingen van afgelopen week leek iedereen zijn eigen waarheid te herkennen. Enerzijds was er de opluchting dat de PVV niet de grootste werd, anderzijds won die partij wel zes zetels, terwijl FvD er vier kwijtraakte. Radicaal-rechts werd dus ‘gewoon’ groter, en dat terwijl die radicaal-rechtse stemmer veel minder kwam opdagen dan de progressieve kiezer.
Want dat is wat vooral opviel: de enorme verschillen in opkomst tussen ‘protestpartijen’ en de rest. Die verduvelde elite heeft blijkbaar wel tien minuten om te stemmen, maar de Gewone Nederlander, zuchtend onder asieltsunami’s, klimaatgedram en woke, had het blijkbaar te druk. Misschien dat hij zonder al die verdwenen buslijnen het stembureau niet kon bereiken in dat onherbergzame Nederland? Of wellicht moest hij overwerken in het land waar het laagste aantal uren van heel Europa wordt gewerkt?
Over de auteur
Sander Schimmelpenninck is journalist, ondernemer en columnist van de Volkskrant. Eerder was hij hoofdredacteur van Quote. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier de richtlijnen van de Volkskrant.
Nieuw Sociaal Contract voerde campagne op het thema bestaanszekerheid, toch een thema dat je als acuut mag veronderstellen. Als niet slechts de baan of woning, maar het héle bestaan onzeker is, zou men toch wel tien minuten moeten kunnen vinden om op de partij te stemmen die het aardse bestaan wat minder onzeker zou kunnen maken. Maar nee, blijkbaar maakt de Nederlandse bestaansonzekerheid buitengewoon apathisch: liefst 59 procent van de mensen die in november nog op het vehikel van Omtzigt stemden, kwam niet opdagen.
Ook 56 procent van de aanhang van de PVV bleek te lui om even naar het stembureau te gaan en die zakkenvullers uit Brussel ‘weg te stemmen’. Wel uren per dag op sociale media dreigen, intimideren en lasteren, maar tien minuten daadwerkelijk gebruikmaken van het actieve kiesrecht? Te veel moeite. Ook de SP, de enige linkse partij die vist naar de gunsten van de Gewone Nederlander, ook al heeft die zijn Dafje verruild voor een Dodge RAM, zag de eigen achterban thuisblijven. Nul zetels.
De Gewone Nederlander zal zeggen ‘dat het toch allemaal niet uitmaakt’, nihilistisch als hij is. Maar dat geldt dan toch ook voor de Tweede Kamerverkiezingen, waar hij en de zijnen wel komen opdagen om een rode middelvinger op het stemformulier te kliederen. Maar ja, over de Europese verkiezingen schrijft De Telegraaf nauwelijks en de onderbuikdansers van domrechts willen er maar nauwelijks een tweetje aan wijden. Zelfs Johan Derksen hoor je er niet over. Hoe moet de Gewone Nederlander dan enthousiast raken?
De Gewone Nederlander heeft geen echte problemen, en dus boeit het hem ook niet of er wel of geen problemen opgelost worden. Wat er na de verkiezingen gebeurt, zal hem worst wezen. Verkiezingen zijn voor hem als Oranjekoorts, een even tijdelijke als stompzinnige periode van dwaasheid en fanatisme: hopelijk winnen we, en anders over vier jaar weer een kans. Wilders, Weghorst of wuppies; het boeit de Nederlandse entertainmentconsument maar een paar weken, en na de finale niet meer. Dan gaat het zorgeloos consumeren gewoon weer verder.
Verkiezingen en politiek zijn voor velen in ons verwende land vooral een mediahype, een geinig dingetje om even te volgen op tv en sociale media. Iets om een wedje op te leggen, waarbij je zelf, anders dan bij voetbal, ook nog invloed hebt op de vraag wie er wint. Deze mensen worden nog altijd ‘proteststemmers’ genoemd, en de partijen waarop zij stemmen ‘protestpartijen’. Veel te begripvol, omdat die concepten een gerechtvaardigde reden voor protest suggereren.
De Nederlandse proteststemmer loopt maar wat te klieren; echt serieus neemt of meent hij het allemaal niet. Vooral dát maakten de Europese verkiezingen duidelijk.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant