Home

‘Ik ben toch proper op mezelf. Ik ga gewoon naar het toilet, dat is toch ook niet niks’

In een tijd dat de benepenheid toeneemt, is het noodzakelijk om de draak met alles te steken, vindt de Vlaamse humorist Kamagurka. Dus pakt hij elke dag zijn pen om de ernst van de actualiteit te relativeren met zijn absurdistische kijk op het alledaagse.

Zomaar pardoes, Kamagurka is net weggereden van zijn futuristische villa op het West-Vlaamse platteland, gloort daar een pareltje aan het absurdistisch firmament. Een man in een flinke bulldozer probeert een bescheiden boompje in zijn tuin te verplaatsen, het lijkt wel alsof een groot wiebelend monster een satéstokje vermorzelt.

Achter het stuur begint de Belgische cartoonist, kunstenaar, performer en televisiemaker onbedaarlijk te grinniken om het te passeren schouwspel.

‘Vrouw, wat een mooie dag was het vandaag’, spreekt hij op quasigewichtige toon, ‘ik heb de hele dag een beetje getuinierd met m’n bulldozer.’

Als hij is uitgelachen, schakelt hij over naar een tekening die hij deze ochtend heeft gemaakt over een andere vorm van alledaags absurdisme: oorlogstoerisme; rijke mensen die als vakantiebestemming het oorlogsfront kiezen. ‘Oei leuk, duiken in Gaza, of lijken tellen in Oekraïne’, zegt hij, alsof hij in een van zijn eigen tekeningen zit. ‘Skiën in Kyiv! Gelukkig zijn er wel honderd oorlogen, we kunnen alle kanten op! Als we het niet meer weten, gaan we tuinieren met een bulldozer! Graven we zelf een massagraf.’

Kamagurka (geboren in 1956 als Luc Zeebroek) heeft zijn auto de sporen gegeven naar Meerbeke, in Oost-Vlaanderen, 75 kilometer van zijn woonplaats Wingene. De alleenheerser van Kamagurkistan doet een toer langs kroegen en feestzalen, Kamagurka op café. Hij rolt in een bescheiden plaatselijke uitspanning zijn absurdistische, surrealistische en humoristische kijk op het alledaagse uit.

Ergens deze middag moet hij ook zijn dagelijkse tekening voor NRC maken, en – godnondeju – KV Oostende, de Eerste klasse B-club waarmee hij al sinds kinds af aan is vergroeid, staat op degraderen met hun ‘patattenvoetbal’.

De tegenstander vandaag is Patro Eisden, uit Eisden in de gemeente Maasmechelen in België. Hij mag hopen dat de supporters van KV Oostende niet weer naar het Nederlandse Eijsden rijden, 40 kilometer verder. Ze zaten toen vele uren in de bus, om maar vijf minuten van de wedstrijd te zien.

Een jaar of wat geleden deed hij ook Kamagurka op café, toen in een kroeg in Balegem, en keek zijn club ook het degradatiespook in de ogen. Ten overstaan van zijn publiek belde hij luid en duidelijk de voorzitter van KV Oostende. ‘We hebben gewonnen, riep ik. Whoaaaa, gilde iedereen. Ik zeg tot de zaal: hier, een vat van mij. Whoaaa. Volgende week neem ik jullie allemaal mee naar KV Oostende. Met de bus. Whoaaa. De week erop stond er alleen de bus, voor de rest niemand. Uiteindelijk kwam er één man, met zijn zoon. Dat was Dennis. Ik heb de bus weggestuurd, en hij reed met me mee. Zo werden we vrienden. Dennis regelt nu mijn caféoptredens, zoals vandaag in Meerbeke.’

Zijn dagelijkse, rituele verlossing

Lang voor het optreden zitten we in de tuin van zijn villa, en houdt Kamagurka, die je ook Kama of Luc mag noemen, zijn pen vast. Hij becommentarieert de vogeltjes in de tuin (‘Godverdomme’) en zegt dat er te veel rode wijn was de avond ervoor (‘Godverdomme’). Elke dag zegt hij de pen te vatten en te tekenen, er is altijd een wit vel dat hem hartstochtelijk aanstaart.

‘Het is voor mij als tandenpoetsen, als vioolspelen als ik een violist zou zijn. Eigenlijk praat ik met mijn pen op papier, en ik schrijf er ook nog eens bij. Ik kan niet zonder.’

Vanochtend had hij al wat getekend, na zijn eerste koffietje. Toen kwam er even niets meer, en liep hij het dichtbegroeide gedeelte van zijn grote tuin in, net achter het zwembad. Daar volgde zijn dagelijkse, rituele verlossing: wijdbeens pissend in de tuin, nabij de grote vijver met de salamanders.

Hij kan het iedereen aanraden.

‘En dan kan ik weer verder. Dan geef ik de tekeningen aan mijn vrouw. Die maakt ze mooi, en kleurt ze in. Zij stuurt ze naar de kranten en tijdschriften, zij weet dat precies. We zijn de hele dag close met elkaar, aan het leven, werken en sporten, 24 uur bij elkaar, dag in, dag uit. We kennen elkaar al zeventien jaar. Zij was psychiatrisch verpleegster op de spoedafdeling. En nu heeft ze één patiënt.’

‘En continu’, zegt zijn vrouw Kathy, als ze de twee espresso’s in de tuin brengt.

‘Ik vraag elke dag aan mijn vrouw wat ik ga doen. Ik word wakker, en dan praten we een beetje, en dan zegt ze: je moet optreden. Ik ben totaal niet bezig met wat ik morgen ga doen. Dat gaat niet. Zij kan goed plannen. Ik kan niet vooruitdenken, ik zit heel erg in het moment. Dat komt door dat tekenen. Ik ben mijn hand. Als ik teken ben ik nul jaren oud.’

Leveren onder alle omstandigheden

Meer dan dertig jaar geleden heeft hij weleens niet getekend, de enige periode in zijn leven. Hij was gestopt met roken als zeer verstokte roker, en zonder een brandende Belga- of Bastos-sigaret dacht hij het niet aan te kunnen. Het is de enige keer dat hij tegen het weekblad Humo zei: het gaat niet, ik heb niks. Er werd een tekening uit het archief opgehoest. Gelukkig kwam er na twee weken weer leven in de pen.

‘Als professional moet je altijd door, ook als er een been wordt afgezet. Ik ben nu in het bezit van twee kunstbenen. Ik neem geen enkel risico meer. Het zal me nooit meer gebeuren. Onder alle omstandigheden – een propvol café, een kamer vol huilende kinderen – ik moet altijd leveren.’

Op de dag dat Wei Wun Yu, de moeder van zijn kinderen Boris en Sarah, in 2008 verongelukte, kon hij niks meer, een enorme schok. ‘Wij waren toen al geen koppel meer. Ik zat in mijn atelier toen ik het hoorde. Verschrikkelijk, niet te bevatten. Een dieptepunt in mijn leven. Ze was aangereden met de fiets, een bromfiets raakte haar. Twee uur later was ze dood. Ik moest toen elke dag een schilderij maken, voor het project Kamalmanak. Ik ben die dag voor het doek gaan staan, en heb iemand mijn contouren laten trekken, en er een paar bolletjes bij gezet. Dat was het. Meer kon niet.’

Kathy komt tussenbeide: ‘Je moet zo gaan, je moet erheen rijden. Misschien nog wat eten.’

Kama: ‘Ach, dat komt wel goed.’

Kathy: ‘Moet je papier meebrengen? En je pennen. Je moet niks vergeten.’

Kama: ‘Ik zat laatst in de auto, en toen kon ik wel janken. Ik wist echt niet wat voor dag het was.’

Kathy: ‘Dat is echt geen alzheimer ofzo, hij is gewoon gewend dat alles voor hem wordt gedaan.’

Kama: ‘Vroeger had ik weleens, dan moest ik naar Brussel en kwam ik uit in Oostende. Luisterde ik naar muziek, en vergat ik alles. Ik rijd ook heel vaak verkeerd, ik ben er niet bij. Altijd bezig in mijn hoofd, scenario’s, tekeningen, grappen.’

Kathy: ‘Hij vraagt vaak: moeten we nog boodschappen doen? Wat gaan we eten? Moet ik een tekening maken? Ik dacht dat het beter zou gaan, na zeventien jaar, maar er zit geen enkele verbetering in.’

Kama: ‘Maar ik ben toch proper op mezelf. Ik ga gewoon naar het toilet, dat is toch ook niet niks. Hoewel, niet altijd, ik mag graag pissen in de tuin.’

Kathy: ‘Nu je een beetje structuur hebt, heb je ook een beetje rust. Door mij, je bent efficiënter. De onrust is weg. Je hebt meer tijd om je te verdiepen. Moet je je nog omkleden?’

Kama: ‘Ik doe een marcelleke aan. Ik heb er een hekel aan als je zweetplekken ziet.’

Kathy: ‘Zo ben je klaar. Heb je het adres? John, alarmeer je hem als hij naar Brussel rijdt? Daaag.’

Gezegend met klompvoeten

Kama zit in zijn gloednieuwe Land Rover in een wit T-shirt, het zwarte marcelleke (een hemdje) is hij toch vergeten aan te trekken. Nadat hij een kleine correctie op de weg heeft uitgevoerd – ‘niet tegen mijn vrouw zeggen, ik ging bijna naar Brussel’ – komt Kama over zijn klompvoeten te spreken. ‘Mijn moeder zei altijd: toen ik jou had gekregen, wilde ik er geen eentje meer. Door die klompvoeten was ik een probleem, ik sliep slecht. Mijn moeder moest elke avond met ijzers aan de slag, ik moest worden aangespannen. Mijn achillespees was te kort, mijn voetzoolpees ook. Mijn hielen kreeg ik niet op de grond, mijn voeten stonden naar binnen. Toen ik 6 was, ben ik geopereerd, en toen ik 9 was nog een keer. En was het over.’

Maar eerlijk, het was ook een zegen, die klompvoeten. Behalve dat hij thuis alle aandacht kreeg, heeft hij als kind zoveel ellende meegemaakt, dat Kama voor altijd zijn portie ernst heeft gehad.

‘Ik zeg: de ideale opvoeding voor een humorist, vraag om klompvoeten.’

En nog wat, hij heeft leren opkomen voor zichzelf. Op school werd Kama een krompoot genoemd, of een krab, en werd uitgelachen, hij zat in het te pesten pulletje met dikke, domme en rossige jongens. Zijn vader, oud-amateurbokser, vond het tijd dat hij zich leerde verdedigen, en ging met hem aan het trainen. ‘Ik moest elke avond als een dolle op hem in inslaan, op zijn handen. Met mijn vuist zo staan, uit de schouder rechtdoor, en...’

Even laat Kama op de E40, richting Gent, zijn handen van het stuur om de bokstechniek van pa Zeebroek, gewezen eigenaar van een verfwinkel, te laten zien. ‘...en dan een hoek met de ander. Dan die uppercut. Ik heb ze stevig uitgedeeld, waardoor het uitlachen stopte. Toen verhuisden we van Nieuwpoort naar Oostende, ik bleef klappen geven, ik was het nu gewend. Ik vond het plezant. Toen heeft mijn vader me op judo gedaan. En kwam het tekenen. Dat stopte nooit meer. Ik sloot me af van de wereld.’

Eerst was het vooral de tekenfilmserie The Flintstones die hem boeide, later op de middelbare school vond hij het Franse satirische maandblad Hara-Kiri, en ontdekte hij de rauwe undergroundcomics van Robert Crumb, Georges Wolinski en Roland Topor. Zijn ouders hadden zich opgewerkt als fiere middenstanders, elk jaar ging het ietsje beter met de verfwinkel. Ze maakten zich zorgen over hun zoon: kon die jongen met dat tekenen zijn brood verdienen? Ze lieten hem zijn gang gaan, maar onder één voorwaarde: hij moest een schuilnaam nemen, zei zijn vader. Luc Zeebroek – dat kon echt niet. ‘Als er een oorlog uitbrak, dan zouden ze me gelijk weten te vinden, zei mijn vader. Ik was 15 jaar oud, als artiest. Ik deed aan judo, en bedacht iets. Het leek een beetje op een judoterm, kata guruma. En augurken. Daar speelde ik mee. Ik heb het eigenlijk gedaan om mijn vader te paaien, want ik wist echt wel dat ze mij niet zouden zoeken. Maar goed. Kamagurka is beter dan Luc Zeebroek. Héél internationaal.’

De geboorte van Kamagurka

‘Kijk!’ Hij ziet een echtpaar fietsen, in een identieke gele outfit. ‘Twee bijen op wielen.’

Laatst had hij een trouwerij voorbij Gent van een vriendin van Kathy. Kwam er een man naar hem toe.

‘Weet je nog?’, zei hij.

‘Ach ja’, zei Kama.

De man in kwestie kwam uit Oostende, en was getuige geweest van de geboorte van Kamagurka als ontregelende humorist. Nadat de 17-jarige Kama luid boerend de originaliteitsprijs had gewonnen op een festival, mocht hij in een sanatorium in het dorpje De Haan optreden, ten overstaan van verplegend personeel, dokters en familie van patiënten. De man uit Oostende droeg acht kantjes tekst van Kama voor, alsof hij hem aankondigde, vol superlatieven. Tegelijkertijd was Kama op het podium een beetje zichtbaar voor het publiek, als een zich afrukkende jongeling.

Met een ‘Hier is hij dan?’ trad Kama in het volle licht, met een plastic fluit in zijn broek, als zijnde een flinke erectie.

Er werd niet geklapt in het sanatorium, je hoorde alleen gehoest.

‘Voor mij was dat optreden het moment dat ik besefte dat humor iets teweeg kan brengen’, zegt Kama. ‘Mensen konden kwaad worden, verontwaardigd, de boel kwam in beweging. Je moet mensen bewustmaken dat ze niet moeten kijken naar iets waar ze niet naar willen kijken – zo werkt provocatie voor mij.’

Zijn inspiratie voor deze liederlijke consternatie vond hij in een speelfilm over het tragische leven van Lenny Bruce, de Amerikaanse komiek. ‘Hij werd opgepakt, want hij maakte grappen over seks, de oorlog in Vietnam en drugs. Ik vond dat zo mooi, zo sterk. Ik ben nu de Vlaamse Lenny Bruce, zo in het café. Alleen word ik niet gearresteerd. Maar als het Vlaams Belang of de PVV aan de macht komt, misschien weer wel. Dat zou mooi zijn.’

Er rijdt een grote tractor voorbij, en Kama neemt een slokje van zijn pintje op het terras van café Gonzo, de plek waar hij zo binnen gaat optreden. Hij begroet Dennis en het koppel dat het café uitbaat. De Landrover had hij nabij een begraafplaats geparkeerd, om zichzelf ervan te verzekeren dat-ie niet wordt gejat. Bij KV Oostende is de bal nog niet aan het rollen.

Na telefonisch overleg met de chef Nieuwsdienst kan hij aan de slag voor NRC, een van de vele vaste klussen die hij al decennia heeft, zoals voor De Groene Amsterdammer, Humo en De Standaard. Andere terugkerende elementen uit het Kama-universum zijn de charmante chagrijn Bert Vanderslagmulders en zijn hondje Bobje, en de met zijn maat Herr Seele bedachte Cowboy Henk, kekke belevenissen van de man met de blonde kuif.

Gezien de ongekende hoeveelheid boeken, tekeningen en tijdschriften, platen, theatervoorstellingen, video’s, iPad-kunst, sculpturen, televisieprogramma’s etc. waaraan Luc Zeebroek zijn naam heeft verbonden, lijkt het wel alsof hij alle 35.776.800 minuten die hij sedert 1956 op de aardkloot verblijft, ten volle heeft benut. En dan is er een fikse kluit aan schilderijen, geëxposeerd op talloze locaties zoals in het Stedelijk Museum en Het Noordbrabants Museum, neokubistische interpretaties van Kuifje, De Smurfen en odes aan Mondriaan en Magritte.

Charlie Hebdo

Het terras loopt flink vol, en er komt alweer een lawaaiige tractor voorbij, als Kama zijn schrift openvouwt, de pen in de hand. Er gaat iets komen over de aanslag van Iran op Israël, maar de pen is weerom in ruste. De pen, ja dat is hetzelfde type pen dat Stéphane Charbonnier, hoofdredacteur van het satirische tijdschrift Charlie Hebdo, in zijn hand had, toen hij werd afgeschoten bij de aanslag in januari 2015 door twee moslimextremisten.

‘Het is raar, ik ben een paar maanden voor de aanslag gestopt met werken voor Charlie Hebdo’, zegt Kama. ‘Met pijn in het hart. Het blad draaide vierkant. De meeste tekenaars die ik geweldig vond, waren al dood of gestopt. De betalingen waren slecht. Ik vond het blad niet gezond. En ach, al die grappen over Mohammed. Die harde actualiteit vond ik te beperkt, vroeger was er veel meer gekte en absurdisme. Dat heb je met een gebrek aan talent. Mensen met talent hebben een open vizier. Hoe minder het talent wordt, hoe beperkter de visie. Dan ga je je concentreren op dat ene iets wat je belangrijk vindt. Ik voelde me daar eenzaam.’

Kort voor de aanslag stelde zijn vrouw een uitje naar Parijs voor. ‘Nee joh, zei ik, dan is het onoverkomelijk om langs te gaan bij de redactie van Charlie Hebdo. Laten we een andere bestemming kiezen. Het werd Zürich. Ik dacht: daar zal niemand me storen. Na twee dagen ging de telefoon. De aanslag. Doden. Gewonden. We hadden er kunnen zijn. Ja, ja, humor hè. Dan krijg je dat. Ik heb een leeg hokje gestuurd naar NRC, met alleen een K. Ik kon niks anders zeggen. Ik was ontredderd.’

Na de aanslag werd hij wel gevraagd om terug te komen. ‘Ik had er geen zin in. Het is ook veel te gevaarlijk. Ik wil me niet voorstellen hoe het is om onder de grond verstopt te zitten, in een schuilbunker, om tekeningetjes te maken voor Charlie Hebdo. Dan heb ik geen leven meer.’

Hij zet zijn pintje aan de lippen voor een flinke, afrondende slok. ‘Oké, nu ga ik de knop omdraaien.’

Zijn mondhoeken gaan naar beneden, de linkerhand rustend op het zwarte schrijfblok. De pen beweegt. Een paar onverwachte grimassen. Er zijn amper vier minuten voorbij. ‘Klaar.’

Kama glimlacht, en daarna een bevrijdende lach. Hij maakt een foto met zijn iPhone, en stuurt de tekening per ommegaande naar NRC. Te zien zijn twee personen die omhoogkijken naar raketten, en de tekst: ‘Zijn ze gevaarlijk?’ ‘Nee hoor, ’t zijn Iraanse.’

Hij moest even de ernst van de situatie wegdenken, oorlog, escalatie, wapens, raketten. Want als je daar te lang bij stilstaat komt er niks. ‘Snelheid is de tijd dat je niet meer nadenkt. Je moet door. Snelheid is een onderschatte manier om dingen te doen.’

‘Goed?’, vraagt hij de chef Nieuwsdienst. ‘Oké, dan handelt mijn vrouw het verder af. Die maakt het netjes, en kleurt het in.’

De omgeving valt weg

Zijn podium in café Gonzo is een versleten kleedje, en als het publiek naar de wc moet, dan doorkruist dat zijn humoristisch strijdtoneel. De vorige keer dat hij hier was, moest een woeste wc-ganger verplicht een liedje zingen, terwijl het zoontje van de eigenaar van de kroeg op het kleedje zat te gamen.

Zoals hij met tekenen opgaat in het moment, is het voor hem op een podium niet veel anders. ‘Dan heb ik het gevoel dat de zaak verdwijnt, of het nu een cafeetje is, een theater of een vol kerkplein. De omgeving valt weg. En op zo’n moment weet ik dat het goed is, dan heb ik de zaal weggespeeld, als het ware weg gegumd. Alsof het frame van een schilderij is weggehaald.’

‘Over twee minuten ga ik beginnen’, roept Kama door de microfoon, terwijl de stoeltjes van het café worden gevuld. Een meisje moet nu al onbedaarlijk lachen, en als Kama zegt dat het nog 45 seconden duurt, proest ze het nog harder uit.

Onhandig, alsof hij het voor het eerst doet, pakt Kama opschrijfboekjes op om wat teksten voor te lezen. Er is de nodige aandacht voor necrofielen, en voor de man die kon stofzuigen met zijn lul, en voor veel grappen in de categorie:

‘Een man belt de brandweer... preventief.’

‘Een vrouw zonder armen komt bij de afhaalchinees.’

‘In de coronatijd kreeg je penisverlenging met korting.’

‘Ik ging me draadloos ophangen.’

‘Luc is geen naam, maar hetzelfde als de hik.’

Het zoontje van de café-eigenaar op de eerste rij laat de cartoonist weten dat hij niets grappig vindt, waarna Kama een act opvoert alsof hij tegen een paal loopt, succes verzekerd.

‘En nu een belangrijke dienstmededeling: kan de artiest een pint krijgen?’

In het tweede bedrijf staat hij stil bij de klimaatverandering, min of meer. Hij zegt dat hij de ijstijd nog heeft meegemaakt – die van 1963. De zee was bevroren. Hij wilde naar Engeland lopen, ja te voet. De ijstijd duurde maanden, dat kan niemand zich meer voorstellen. ‘Wij aten eelt in die dagen. Soms had iemand zulke koude vingers, dat hij zijn vuist in iemand anders zijn reet stopte. Er was ook lepra. Dus die hand die brak af, en dan liep iemand met zo’n arm uit zijn kont.’

Dan is het afgelopen. ‘Het optreden is nu een halve seconde voorbij.’

Te absurd bestaat niet

Een seconde later staat Kama buiten te bellen, hij kon niet wachten. ‘We staan 2-1 voor’, zegt hij tijdens de signeersessie achteraf, tegen niemand in het bijzonder. Op verzoek van fans doet hij een gek loopje, gaat uitgebreid op de foto en zet nauwgezet een handtekening op een langspeelplaat uit 1987 van zijn punkband Kamagurka en de Vlaamse Primitieven, De pijn van het zijn.

‘Als je te serieus wordt, John, zet ik de radio aan’, zegt Kama, terwijl hij zich in de Landrover installeert voor de terugreis. ‘Ernst is te gemakkelijk. Ik mag graag relativeren, maar ook niet te veel. Tekeningen relativeren de ernst van de actualiteit. Soms vind ik ernst ook ernstig tijdverlies. Dan ben ik wéér serieus bezig, tot aan het angstige aan toe. Dat vind ik zonde. Natuurlijk kan ik tobben, over mijn gezondheid, mijn kinderen. De tristesse. Om de wereld ook wel. Ik kan mezelf uit mijn somberheid tekenen. Dan ga ik als het ware door een tunnel, en dan kom ik er herboren uit.’

Deze editie van Kamagurka op café had duidelijk een A- en B-kant. Na de pauze had hij veel meer de vaart erin, veel losse grappen, en improvisaties. Wat hij vaker merkt, is dat de gêne toeneemt, met name bij de nieuwe generatie. ‘Ik stond net wat te bomen met een stel dames bij de toiletten. Ze vinden dat die twintigers en dertigers sneller geshockeerd zijn. Voor mij was het ooit een reden om het podium op te gaan, om een opening te maken in het denken van oudjes. Die benepenheid is er opnieuw, dus is het noodzakelijk om de draak met alles te steken, zoals het vroeger ook noodzakelijk was.’

Man man, zijn begindagen als podiumdier. Hij had het gevoel permanent in een abdij op te treden. ‘Alles was christelijk, katholiek, preuts, en moest worden goedgekeurd door een kerk. Ik merk dat dat aan het terugkomen is. Op televisie zie je alleen maar ideale schoonzonen en -dochters.’

‘Misschien klink ik als een oude zaag, maar vroeger had je bij jullie Wim T. Schippers, Van Kooten en De Bie en Jiskefet. Die beheersten alles, qua humor. Je ziet hetzelfde bij het wielrennen, Eddy Merckx kon alles, de grote rondes en de klassiekers. Nu heb je renners die het ene of het andere goed kunnen. Het echte idiote is nu weg. Wordt als te absurd gezien. Te absurd bestaat niet. Ik probeer de werkelijkheid gewoon een beetje te evenaren. En met het juiste absurdisme creëer je juist iets heel realistisch.’

Verlossing

Kama rijdt door het donker, op weg naar huis, nog een paar kilometer. Het is even stil. ‘Weet je wat ik een goeie vraag vind die je nu kunt stellen?’, klinkt het opeens. ‘Heb je dat ook? Of: Denk je dat ook? Maak je dat ook mee? We maken veel mee, en we denken dat we daarin alleen zijn. Ik denk weleens: het wordt tijd om trager te gaan werken. Er is geen tijd voor mislukking. Zouden anderen dat ook weleens denken?’

Morgen gaat hij Herr Seele weer spreken, zoals bijna elke dag. Hij kan het hem vragen. Zodra ze elkaar spreken, zijn ze aan het werk. Herr Seele zegt iets, hij zegt iets. Schrijf het op! Ja, schrijf het op. ‘We zijn elkaars onderdeel. Knettergek die gast. Hij weet veel, maar heeft er geen last van.’

Ze hebben elkaar ontmoet op de Academie voor Beeldende Kunst in Gent. ‘Hij zag eruit als een middeleeuws figuur, met sandalen en een pofbroek, en was de hele tijd op een zoethout aan het kauwen. Toen gaf ik hem een vuurtje, en stond dat houtje in brand. Zo werden we vrienden. Hij zei dat hij pater wilde worden. Ik zei: ‘Maar je weet toch dat God niet bestaat?’ ‘Is dat echt?’, zei hij. ‘Ja, het is gewoon een verzinsel.’ ‘Oké’, zei Herr Seele, ‘dan doe ik dat niet.’

In het donker rijden we door het West-Vlaamse platteland, door het bos. Er is amper wat te zien, totdat we een straat inrijden en daar als vlammende uitingen van vrolijkheid in het kunstlicht badende schilderijen van Kamagurka ontwaren, aan de gevel van zijn villa.

Hij is thuis, Kathy staat al in de deuropening om ’m te begroeten.

In Eisden is de wedstrijd al afgelopen, maar hij heeft geen verbinding met zijn telefoon om de uitslag te checken. De humorist loopt onaanspreekbaar als een dolle door de tuin, op zoek naar signalen.

Binnen in de villa volgt de verlossing, KV Oostende heeft met 3-2 gewonnen. Met een bevrijde blik: ‘Het was een spectaculaire wedstrijd. We zijn gered. Nu de rest van de wereld nog.’

Nagekomen bericht uit Kamagurkistan: KV Oostende is helemaal niet gered; de club is failliet verklaard, een gevolg van ruzie met de Amerikaanse eigenaar Paul Conway. ‘Verschrikkelijk’, zegt Kama. ‘Dit is groter dan één grap. Ik stel voor om die Conway in kleine stukjes te snijden en aan de meeuwen te voeren. Een massale meeuwensterfte zal het gevolg zijn. Een dramatisch einde.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Weekendverhalen

Het aantal mensen met allergieën als hooikoorts stijgt explosief. Hoe komt dat en wat heeft de wetenschap te bieden?

Geen levende ziel meer te zien aan de zuidgrens van Libanon

‘Mama, help!’ Waarom risicovol buitenspelen goed is voor kinderen – en hoe je ouders zover krijgt

Source: Volkskrant

Previous

Next