‘Lieve God’, schreef Franz Kafka 27 januari 1904 aan een vriend, ‘gelukkig waren we toch ook gewoon als we geen boeken hadden, en boeken die ons gelukkig maken zouden we desnoods zelf wel kunnen schrijven.’ Deze week was het honderd jaar geleden dat de schrijver stierf. Maakt zijn werk gelukkig? En waarom moeten we hem nog lezen?
Eigenlijk wilde Franz Kafka, die op 3 juni 1924 stierf aan de gevolgen van longtuberculose, alles wat hij geschreven maar niet gepubliceerd had in lichterlaaie zetten. Kort voor zijn overlijden droeg hij zijn schrijvende vriend Max Brod op zich over zijn literaire nalatenschap te ontfermen. Brod moest alles wat van Kafka in manuscriptvorm was achtergebleven en ook alle brieven ‘het liefst ongelezen, zonder uitzondering verbranden’, en dat ‘zo snel mogelijk’. Brod deed het niet. Wie nu Kafka leest, doet dus eigenlijk iets wat verboden is. Dat is altijd lekker.
Maar eigenlijk is het een mirakel. Bij leven had hij niet meer dan enkele handenvol verhalen gepubliceerd; na zijn dood werd hij iemand om wie geen enkele schrijver of lezer heen kon. Zijn naam drong in tientallen talen door als een begrip waarmee situaties kunnen worden beschreven die geen enkel ander woord kan dekken: kafkaësk. Maar bestaat er wel zoiets als een kafkaëske situatie? Neem de mooie, dikke pil met Verzameld proza (de vertaling van de onlangs overleden Willem van Toorn verscheen in 2022) en lees de door hemzelf nooit afgeronde romans Het proces, Het kasteel en Amerika. Lees daarnaast een van zijn korte verhalen en ontdek het kafkaëske: het is alom, een even komische als ongedefinieerde beklemming.
Zelfs als u nooit een letter van Kafka gelezen heeft, is het goed mogelijk dat u heeft gehoord van Gregor Samsa, die op een ochtend als kever, als een ‘reusachtig ondier’ wakker wordt, amper een woord kan uitbrengen en door zijn zuster moet worden verzorgd.
Of misschien kent u de onvermoeibare hongerkunstenaar die tot aan zijn dood blijft afzien en tot slot vervangen wordt door een panter. Alleen al de openingszin van het verhaal over de hongerkunstenaar spreekt boekdelen: ‘De laatste decennia is de belangstelling voor hongerkunstenaars sterk teruggelopen.’
En anders heeft u vast eens gehoord over die mysterieuze ‘K.’, dat personage waarover we eigenlijk niets weten: niets over zijn uiterlijk, niets over zijn biografie, niets over zijn naam en zelfs over zijn gedrag en gedachtenwereld weten we zo goed als niets. Toch wil je, zodra je aan een verhaal over een van deze figuren begonnen bent, blijven lezen. En ook na het lezen zetten zij zich vast in je geheugen. Het zijn telkens figuren die meelijwekkend én ontzettend grappig zijn. Het maakt dat je bij Kafka vaak hard wilt lachen, en zijn personages ook zacht wilt omarmen.
Wie geen zin heeft om antiquarisch zes, zeven delen met brieven aan te schaffen, kan goed terecht in de onlangs door Willem van Toorn gemaakte keuze, Ik moet u zo ontzettend veel schrijven. Of het nu een uiteenzetting met een goede vriend als Max Brod betreft, de correspondentie met een van zijn geliefden of een eenvoudig kattebelletje aan zijn meerdere bij de verzekeringsmaatschappij: iedere zin is triest of droogkomisch en vaak allebei tegelijk. ‘Het gaat mij helemaal niet goed’, schrijft hij in 1907 aan Max Brod, ‘en ik moet – zoveel overzicht heb ik wel – als een hond te gronde gaan.’
Of lees zijn Brief aan vader. ‘Lieve vader’, begint Kafka zijn brief, hier in vertaling van Nini Brunt, ‘u hebt mij laatst eens gevraagd waarom ik beweer dat ik bang voor u ben.’ Een briljante opening, die alles al bevat: het bij Kafka opgewekte schuldgevoel waarvan hij zich in weerwil van zijn eigen besef zal proberen te ontdoen. Wat volgt zijn ruim vijftig pagina’s uiteenzetting tussen zoon en vader. Het is de ideale inleiding op het hele oeuvre van Kafka. In een tijdsbestek van amper een uur weet u precies waarom in al zijn verhalen en romans schuld en het schuldgevoel zo’n grote plaats krijgen. Kafka heeft de brief overigens nooit verstuurd.
Waarom zou je nog willen schrijven als je het ook door een machine kunt laten doen? Kafka geeft antwoord: omdat je dicht bij het vuur wilt zitten, inspiratie wilt voelen. Omdat schrijven een onderkomen, een schuilplaats biedt. Omdat schrijven meer dan zelfobservatie is, namelijk de ‘ziel in actie’. Kafka probeerde, zoals Rudiger Safranski uitwerkt in zijn nieuwe boek Kafka – Schrijven voor zijn leven, voortdurend een antwoord te vinden op de vraag: waarom schrijven? Het belangrijkste antwoord luidt: omdat een boek ook gelukkig kan maken. Of, zoals Kafka in een van zijn brieven schrijft: ‘Een boek moet de bijl zijn voor de bevroren zee in onszelf.’
Kafka vormt de ideale literatuur voor wie als een levende dode naar het werk gaat. Zelf was dr. Franz Kafka medewerker van verzekeringsmaatschappijen, weliswaar met collega’s die ook literaire ambities hadden, maar toch. Hij ondervond aan den lijve hoe het was om als beambte in een bureaucratische wereld te verkeren.
Zijn verhalen gaan óók daarover, over mensen die uitvoeren wat hun wordt opgedragen, over het gebrek aan vindingrijkheid en initiatief, over een wereld die uit louter gehoorzaamheid bestaat. Maar pas op: Kafka levert geen kritiek op uw kantoorbestaan. Zelf schreef hij eens aan zijn geliefde Milena: ‘Het kantoor is geen stompzinnige instelling; het maakt eerder deel uit van het fantastische dan van het stompzinnige.’
Kafka nodigt uit tot naspeuren. De literatuurwetenschapper Hartmut Binder heeft geen stoeptegel in Praag en omstreken onomgekeerd gelaten. Dat resulteerde in het dit jaar verschenen, magistrale Auf Kafkas Spuren, een must voor de Kafka-liefhebber.
Maar niets kan bij Kafka’s lezers het verlangen stillen zelf naar de plekken te gaan waar ook hij is geweest. Kafka vormt een ideale reisgenoot om deze zomer kriskras door Europa te trekken. Stop zijn dagboeken in uw duffel en ga naar Sirem (Duits: Zürau) in de Bohemen, waar Kafka al tuinierend bij zijn jongere zus verbleef. Hij schreef er verbijsterend mooie aforismen. Of naar de Harz, waar ooit het sanatorium Jungborn lag. Kafka was een van de bezoekers van dat sanatorium, waar men gewoon was naakt ochtendgymnastiek te doen. ‘Een paar naakte mensen liggen stil voor mijn deur’, noteert Kafka op 8 juli 1912 in zijn dagboek. ‘Iedereen, behalve ik, zonder zwembroek.’
Kafka’s leven is al talloze malen beschreven, het mooist in de drie delen tellende biografie van Reiner Stach (waarom is dit boek nog niet in het Nederlands vertaald?). Maar leven en werk van Kafka laten zich niet vangen, zelfs niet in die bijna tweeduizend pagina’s. Sipko Melissen schreef bijvoorbeeld een essaybundel over het homo-erotische element in Kafka, iets wat de biograaf Stach liet liggen. Ook na honderd jaar blijft er nog volop te ontdekken.
Dit is het mysterie van Kafka: volstrekte duisternis gaat gepaard met volkomen helderheid. Er is geen woord Spaans aan wat hij schrijft. Sterker nog, met iedere zin heb je het gevoel het raadsel van het leven beter te begrijpen, maar als je dan gevraagd wordt te beschrijven wat je begrepen hebt, realiseer je je dat je door een verontrustende duisternis bent gegaan. Het enige wat je naderhand beseft, is dat het leven met Kafka een stuk gelukkiger is dan zonder.
Franz Kafka: Ik moet u zo ontzettend veel schrijven – Een keuze uit de brieven van Franz Kafka (1900-1920). Gekozen, vertaald en ingeleid door Willem van Toorn. Athenaeum; 344 pagina’s; € 27,50.
Willem van Toorn: Kafka voor beginners – Over de wereld en het werk van Franz Kafka. Athenaeum; 112 pagina’s; € 14,99.
Hartmut Binder: Auf Kafkas Spuren. Wallstein; 1.004 pagina’s; € 89.
Rudiger Safranski: Kafka – Um sein Leben schreiben. Hanser; 256 pagina’s; € 26. De vertaling door Mark Wildschut verschijnt begin juli als Kafka – Schrijven voor zijn leven (Atlas Contact; € 24,99).
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant