Home

Geen levende ziel meer te zien aan de zuidgrens van Libanon

Al sinds de aanslagen van Hamas in oktober vorig jaar woedt er in het zuiden van Libanon een venijnige grensoorlog tussen de Hezbollah-strijders en het leger van Israël. Duizenden inwoners van Kafr Kila zijn hun dorp langs de zuidgrens ontvlucht; de vredesmacht van Unifil waakt over desolaat gebied.

De winkels zijn leeg, de moskeeën verlaten, de straten uitgestorven. Er is niemand om de zwartgeblakerde muren een likje verf te geven, of de glasscherven op te ruimen. Dit is het sombere landschap waar een gepantserde wagen van Unifil, de vredesmacht van de Verenigde Naties in zuidelijk Libanon, zich deze ochtend doorheen beweegt. Aan alles is te zien dat de duizenden dorpelingen van Kafr Kila de verwoestende oorlog met buurland Israël zijn ontvlucht.

‘Het zou kunnen dat er plukjes mensen zijn achtergebleven’, zegt luitenant-kolonel José Irisarri (45), zittend op de bijrijdersstoel. ‘Maar wij hebben hier nooit een levende ziel gezien.’

Over de auteur
Jenne Jan Holtland is correspondent Midden-Oosten voor de Volkskrant. Hij woont in Beiroet. Hiervoor was hij correspondent Centraal- en Oost-Europa.

De Spaanse officier, in camouflagekleding en blauwe baret, maakt deel uit van een ruim 10 duizend tellende VN-vredesmacht die sinds eind jaren zeventig actief is in Zuid-Libanon. Tientallen landen zijn vertegenwoordigd, waaronder Nederland met een ‘genderadviseur’. Officieel doen de blauwhelmen aan peacekeeping, ‘vredesbewaking’ – een enigszins rekbaar begrip, want de vrede is nu ver te zoeken.

Geëvacueerd

Sinds 8 oktober vorig jaar, onmiddellijk volgend op de terreuraanslag van Hamas, woedt er een venijnige grensoorlog tussen de Libanese militante beweging Hezbollah (die in de Europese Unie op de terreurlijst staat) en het Israëlische leger. Naar schatting 100 duizend Israëliërs zijn uit voorzorg uit het grensgebied geëvacueerd of gevlucht, net als een vergelijkbaar aantal Libanezen. In Libanon loopt het dodenaantal in de honderden, hoofdzakelijk Hezbollah-strijders. Duizenden huizen liggen in puin, akkers zijn verbrand, oogsten mislukt. De regering in Beiroet raamt de schade op 1,4 miljard euro.

En daar hoeft het niet bij te blijven. Israël staat op het punt 50 duizend extra reservisten op te roepen voor de oorlogen in zowel Gaza als Libanon. Tijdens een bezoek aan de noordgrens zinspeelde de Israëlische premier Benjamin Netanyahu woensdag – niet voor het eerst – op een ‘zeer krachtige actie’ in het buurland, zonder erbij te zeggen hoe die eruit zou moeten zien. Doelt hij op een nieuwe grondoorlog naar analogie van die van 2006?

Destijds kreeg Israël een flinke tik op de neus van Hezbollah – een beweging die in militair opzicht veel sterker is dan het kleine Palestijnse broertje Hamas. Mogelijk wil Netanyahu’s oorlogskabinet een Hezbollah-vrije bufferzone (5 à 10 kilometer breed) in Zuid-Libanon creëren, maar dat zien analisten als wensdenken. Israël zou dan bereid moeten zijn om forse verliezen te incasseren en het gebied jarenlang bezet te houden, zoals het dat deed tussen 1982 en 2000. Een aantrekkelijk vooruitzicht is dat niet. Trekt Israël zich aan het eind van zo’n oorlog terug, dan kan Hezbollah zijn stellingen in het zuiden weer innemen en is iedereen terug bij af.

‘Blauwe lijn’

Vanaf buitenpost 9-64 van het Spaanse bataljon kijk je uit over een brede vallei, met Israël (of eigenlijk: de door Israël bezette Golanhoogte) aan de ene kant en Libanon aan de andere. Een landgrens ontbreekt, die zijn de buurlanden nooit overeengekomen. Wel is er een kilometerslange ‘blauwe lijn’, gemarkeerd door blauw geverfde tonnen die de VN tussen de distels en olijfbomen hebben geplant.

Was dit een oorlog geweest tussen staten, dan konden de blauwhelmen met allebei praten, maar zo werkt het hier niet. Israël is een staat, Hezbollah niet. Israël geeft Unifil vaak een seintje als er een militaire aanval aankomt, Hezbollah niet. De één draagt uniformen, de ander niet. ‘Aan de mensen hier kunnen we niet zien of het burgers zijn of Hezbollah-strijders’, zegt kapitein Álvaro González Gavalda (31). ‘Dit is een heel vreemde oorlog’, bromt Irissari die gevechtservaring opdeed tijdens de Navo-missie in Afghanistan.

De kapitein wijst naar een witte vlek op de volgende heuveltop. Het gaat om een mobiele cabine, zegt hij, neergezet door een stichting die zich ‘Groen zonder grenzen’ noemt. Dat klinkt als een soort Greenpeace light, en zo profileert de organisatie zich ook, maar in werkelijkheid is het vermoedelijk een dekmantel van Hezbollah. ‘Voor een ‘natuurorganisatie’ hebben ze een opvallend goede surveillancecamera’, glimlacht Gavalda. Sinds Israël de cabine bestookt heeft, eerder deze oorlog, is er volgens hem niemand meer gesignaleerd.

Beperkt mandaat

Hun mandaat is uiterst beperkt, benadrukken de Spanjaarden. Ze fungeren als de ogen en oren van de internationale gemeenschap. Wat ze zien, rapporteren ze aan het Libanese leger (en tweemaal per jaar aan de VN-Veiligheidsraad) dat vervolgens zou moeten handelen, bijvoorbeeld door Hezbollah te ontwapenen.

Dat laatste is echter ondenkbaar in de Libanese krachtsverhoudingen. Het Libanese leger is zwak en min of meer platzak. Het zuiden is Hezbollah’s biotoop, daar brandt niemand zijn vingers aan. Sterker: van de sjiitische strijdgroep is bekend dat ze soms raketten afvuurt vanuit de directe nabijheid van Unifil-bases. In december beweerde het Israëlische leger dat er een raket was afgevuurd vanaf een locatie ‘op twintig meter’ van een Unifil-post. Irissari knikt. ‘Ze gebruiken ons als schild.’ Andersom maken ook de Israëliërs zich onmogelijk door voortdurend drones en gevechtsvliegtuigen boven Libanon te laten vliegen –een schending van het luchtruim.

Tijdens een recente patrouille kwamen de Spanjaarden een achtergelaten lanceerplatform van Hezbollah tegen. Van zo’n incident maken ze melding, maar verder staan ze met lege handen. VN’ers zelf zeggen steevast dat de situatie zonder hen nog veel beroerder was geweest.

Stampende katten

Irissari stapt weer in. Het konvooi vertrekt richting een VN-post van Indonesië, een half uur rijden verderop. Anders dan de Spanjaarden richten de Indonesiërs zich nadrukkelijk op de lokale bevolking. Ze delen speelgoed uit aan kinderen en geven eerstelijns medische zorg, allemaal om te laten zien: wij zijn er ook voor jullie. Een overbodige luxe is dat niet, want het wantrouwen is vaak groot. Hezbollah-leider Hassan Nasrallah beschuldigde Unifil vorig jaar van spionage voor de vijand. Konvooien worden soms belaagd.

Deze middag zijn de 45-jarige Abdullah al-Sayyadi en zijn vrouw Waad (41) naar de Indonesische basis gekomen voor een medische controle. Ze zijn Syrisch, en ontvluchtten hun land na het uitbreken van de burgeroorlog. Elf jaar later zijn ze opnieuw in een oorlog beland. In de verte klinkt het gerommel van een bombardement. Hun dochter van 4 kan er al weken niet van slapen, zegt Waad, wat ze ook probeert. ‘Het geluid komt van de katten die op het dak stampen zeg ik haar vaak. Dat wil ze niet altijd geloven.’

In het dorp waar ze wonen, niet ver van de VN-basis, zijn alle Libanezen volgens Waad vertrokken. ‘Er is een handvol gezinnen achtergebleven. Allemaal Syriërs zoals wij.’ Het koppel weet zich geen raad met de situatie. De oorlog staat op de stoep, dus wat nu? ‘Waar kunnen we naartoe?’, vraagt Abdullah hardop. Geld om ergens anders iets te huren heeft het gezin niet. Dus blijven ze waar ze zijn – wachtend en hopend dat de oorlog stopt.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Weekendverhalen

Het aantal mensen met allergieën als hooikoorts stijgt explosief. Hoe komt dat en wat heeft de wetenschap te bieden?

‘Mama, help!’ Waarom risicovol buitenspelen goed is voor kinderen – en hoe je ouders zover krijgt

Hoe kleurrijk is Oranje? ‘Voetbal is divers op het veld, maar in al het andere niet’

Source: Volkskrant

Previous

Next