Identiteit en Democratie, de groep radicaal-rechtse partijen in het Europees Parlement, groeit deze zondag waarschijnlijk flink. En van de ID-kiezers verlangt bijna de helft naar een sterke leider, ook als die de regels naar zijn hand zet om dingen voor elkaar te krijgen, schreven politicologen Matthijs Rooduijn en Simon Otjes deze week op het blog stukroodvlees.nl, op basis van Europees kiezersonderzoek uit 2019. Betekent dit dat steeds meer kiezers zich tegen de democratie keren?
Rustig aan, maande politicoloog Tom van der Meer op X. Liefhebbers van sterke leiders denken weliswaar dat zo’n leider een eensgezind ‘volk’ vertegenwoordigt, maar ze zijn niet per se anti-democratisch. Ze willen de leider bijvoorbeeld wel kunnen afzetten.
Overigens zag ik ook nog dat in de oorspronkelijke vraagstelling niet ‘leider’ stond, maar ‘regeringsleider’, waarbij ik iets minder sterke dictator-associaties heb. In de Duitse vragenlijst stond zelfs Bundesregierung in plaats van leider.
Dat tabellen niet het hele verhaal vertellen, was dinsdag ook te zien in het Ipsos I&O-verkiezingsonderzoek in opdracht van de Volkskrant. Het bureau had onder meer onderzocht welke onderwerpen leven bij verschillende kiezersgroepen. Opvallend: de kiezers van GroenLinks-PvdA, CU, SP en Volt noemen ‘democratie’ nu als belangrijk thema, terwijl het in 2019 met name de PVV- en FVD-kiezers waren die zich druk maakten om ‘bedreiging democratie en rechtsstaat’. Hoe kan het dat eerst rechts de democratie bedreigd zag, en nu links? Misschien omdat radicaal-rechts in de tussentijd een democratisch succes heeft geboekt?
Ook de analyse van Rooduijn en Otjes liet vragen open. Wat verstaan mensen onder een sterke leider? Iemand met charisma en een plan, of iemand die het parlement en de rechterlijke macht kan overrulen? Dat maakt nogal uit. En wat betekent het als mensen instemmen met de stelling ‘het volk, niet de politici, moet onze belangrijkste beleidsbeslissingen nemen’? Zien ze politici niet als vertegenwoordigers van het volk?
Om beter te snappen waar mensen voor of tegen zijn, kan het helpen om in opinieonderzoek dilemma’s voor te leggen, zei Tom van der Meer op X. Ze moeten dan kiezen tussen twee bestuursmodellen, in plaats van hun steun voor eentje uit te spreken. Ook Ipsos I&O legde mensen dilemma’s voor, maar dan een beetje anders. Het bureau stelde sommige vragen in een zogeheten split-run: de helft van de steekproef kreeg een ‘basisstelling’ voorgelegd (‘De Europese Unie moet meer investeren in haar eigen defensie’), en de andere helft kreeg de basisstelling met een toevoeging (‘De Europese Unie moet meer investeren in haar eigen defensie, ook als dat betekent dat er minder geld gaat naar andere zaken, zoals migratie, landbouw of klimaat’). Soms maakte dat veel uit: 77 procent wilde vredesbesprekingen tussen Rusland en Oekraïne, maar slechts 39 procent wilde dat nog steeds als Oekraïne land zou moeten inleveren.
Wat mij betreft wordt zo’n toevoeging de standaardpraktijk in opinieonderzoeken, stemwijzers en straatinterviews. Vraag mensen eens: „Wilt u een sterke leider, ook als dat betekent dat er minder naar u wordt geluisterd”? En: „Wilt u dat het volk de beslissingen neemt, ook als dat betekent dat u elke dag na werktijd moet komen opdraven op de agora om te debatteren met de rest van het volk?”
Een van de twee belangrijke stemhulpen voor de Europese verkiezingen, het Kieskompas, deed dit een beetje. Een stelling luidde: ‘Bedrijven die het milieu vervuilen moeten meer belasting gaan betalen, ook als ze daardoor mogelijk uit de Europese Unie vertrekken.’ De Stemwijzer stelde simpelweg: ‘Bedrijven moeten meer gaan betalen voor hun CO2-uitstoot.’ Anders dan de Stemwijzer liet het Kieskompas het dilemma zien. Dat gold ook voor de stelling over abortus: ‘De EU moet het recht op abortus erkennen als een grondrecht’ (Stemwijzer) versus ‘De Europese Unie moet zich niet bemoeien met ethische kwesties zoals abortus en euthanasie’ (Kieskompas). De laatste kauwde voor wat de afweging was: in dit geval die tussen individuele rechten en nationale soevereiniteit.
Dat voorkauwen lijkt me goed, want zo losgezongen van de context zegt een stelling weinig. Een kind dat een verlanglijstje indient, weet dat het keuzes moet maken. Het budget van zijn ouders is immers niet eindeloos. Maar een burger die een stemwijzer invult of meedoet aan een opinieonderzoek, kan doen alsof al zijn wensen vervuld zullen worden – ook als ze met elkaar in strijd zijn. Onderzoekers kunnen dat verlanglijstje van tevoren begrenzen. Dat levert interessantere resultaten op. En het leert mensen dat je in een democratie niet alles kunt hebben.
Floor Rusman (f.rusman@nrc.nl) is redacteur van NRC
Correctie: in een eerdere versie van dit artikel stond dat Simon Otjes verbonden is aan de UvA. Hij werkt voor de Universiteit Leiden.
Source: NRC