Bij het inmiddels tot aan de daklijst ‘ont-chineesde’ Van der Valk Breukelen langs de A2 is het eten (inclusief kers) precies zo onspectaculair als u verwacht. Maar wat er toen gebeurde...
Stationsweg 91, Breukelen
hotelbreukelen.nl
Cijfer: 6,5
Gigantisch hotel-restaurant in opvallend ‘Chinees’ gebouw langs de snelweg A2. Voorgerechten rond € 12, hoofd rond € 22, na rond € 8.
Dat een oer-Hollandse Van der Valk in Breukelen neerstreek in een replica van het keizerlijk paleis in Beijing, is het resultaat van een bijzondere samenloop van omstandigheden. Het hotel, dat eerst Oriental Palace heette, werd in maart 1988 geopend door de Chinees-Nederlandse ondernemer Dave Wong, die eerder al het grote drijvende restaurant Sea Palace in Amsterdam had laten bouwen.
Het was een operatie die zijn Europese weerga niet kende: er werden rotsen en bomen uit het noorden van China gehaald; er kwam een 20 meter hoge toegangspoort en een reusachtige, handgesneden houten adelaar die een miljoen gulden zou hebben gekost; de inrichting werd gedaan door Jan des Bouvrie.
Over de auteur
Hiske Versprille is culinair recensent van de Volkskrant. Ook schrijft ze over culinaire (pop-)cultuur.
De molenaar van de naastgelegen Kortrijkse wipmolen – die door de omgeving de indruk wekt ook een nagemaakte attractie te zijn, maar in werkelijkheid bijna even oud is als het New Yorkse stadsdeel Brooklyn dat naar Breukelen werd vernoemd – klaagde in de krant dat de lelijke kolos de wind uit z’n wieken haalde. Een loempia kostte er 25 gulden. Al snel werd duidelijk dat de kosten van het prestigieuze bouwproject totaal uit de hand waren gelopen, en na drie maanden was Oriental Palace failliet. Bij een veiling tikte Gerrit van der Valk het op de kop voor 14.111.220 gulden.
‘Is dít waar koningin Beatrix woont?’, schijn ik als 6-jarige te hebben gevraagd, toen ik het paleis voor het eerst vanaf de achterbank zag. We waren per ongeluk de kijkfile ingereden – de toegangswegen en zelfs de vluchtstrook stonden vol mensen, het gouden dak gloeide in de ondergaande zon als een kampvuur dat werd aangeblazen. Ik drukte mijn neus tegen de autoruit en vergaapte me aan draken, feniksen, leeuwen en de theetuin met vijvers en pagoden.
Mijn ouders zullen me op de grote toekan hebben gewezen (‘Nee lieverd, het is een hotel!’) en mogelijk een aantal voor mij onbegrijpelijke dingen hebben gegniffeld over vreemdgangers, vreetfabrieken, belastingontduiking en ‘elfstedendoperwtjes’ die daar, onopgegeten, steeds weer naar nieuwe tafels zouden worden gestuurd.
Wat ik me herinner is alleen dat ik er dolgraag heen wilde. Vanuit het idee dat je je jeugdhelden beter niet in het echt kunt ontmoeten, ben ik als volwassene nooit het immense parkeerterrein opgereden, maar deze week voelde ineens als een geschikt moment.
Meer dan een kwarteeuw na de bouw is het gebouw tot aan de daklijst van z’n originele kenmerken ontdaan, een operatie die bij Van der Valk ‘ontchinezen’ werd genoemd. Het opvallende pagodedak mocht blijven, al het andere is inmiddels zwart, glas en vierkant – zelfs de struiken zijn tot blokken geknipt. Het gebouw heeft de potsierlijke uitstraling van een bankdirecteur met een feesthoedje op.
Binnen is de sfeer ook generiek hoekig hotel-restaurantig, met vogelkooilampen, nepplanten, velours zitjes, en donker behang. Bovenal is het gróót, met 233 hotelkamers, 22 zalen en zo’n 800 zitplaatsen voor eetgasten: langs het ‘live cooking’ restaurant met all-you-can-eatconcept lopen we naar ‘de à la carte’.
Een gesoigneerde ober op leeftijd begeleidt ons naar onze tafel. ‘Aan het raam!’ roept hij opgetogen, ‘boft u even!’ Misschien is het een grapje dat hij vaker maakt (het raam kijkt uit op een blinde muur) maar hij lijkt daadwerkelijk blij voor ons. De menukaart is even voor-elk-wat-wils als het interieur.
Nadat we hebben besteld dekt het lieve, maar door de grote drukte ook enigszins gestresste meisje van de bediening onze tafel in. In opperste concentratie verdeelt ze, het puntje van de tong uit haar mond, lepels, vorken en messen schots en scheef over de tafel op een manier die ons doet afvragen of ze ons misschien duidelijk wil maken dat ze tegen haar zin wordt vastgehouden.
Het vegetarische voorgerecht van tomatentartaar met avocado (€ 10,50) is eenvoudig, maar prima: de tomaat versgesneden en goed aangemaakt, de krokant gebakken sjalotjes een uitstekende toevoeging, alleen de ‘crouton’ waarop het geheel wordt geserveerd lijkt meer op een beschuit.
Op de carpaccio van gerookte ribeye (€ 13,50) ligt een keurig gepocheerd eitje en krokante aardappelkaantjes – de aangekondigde ‘bearnaise-mayonaise’ deed ons de wenkbrauwen optrekken, maar blijkt gewoon dragonmayo. Niks mis mee. De asperge- en tomatensoep (resp. € 7,50 en € 6,50) zijn allebei een beetje slijmerig van het bindmiddel, maar smaken oké.
Echt beroerd zijn alleen de ‘tongrollen Florentine’ (€ 21,50) die op het oog meer op een appelcrumble met gele vla lijken dan op een elegant Frans visgerecht. Het lijkt mij dat hier de goedkope Atlantische tong uit Senegal (cynoglossus senegalensis) is gebruikt in plaats van chique Noordzeetong (solea solea), maar helemaal zeker weten doe ik het niet omdat de vis zó gortgaar en hard is, bedekt met helgele, alarmerend ruikende saus en gruizig paneermeel, dat het ook kip zou kunnen wezen. De spinazie eronder is zwart: het is echt helemaal niet lekker.
Als tweede hoofdgerecht kiezen we de kalfslever met bacon, zilverui, gebakken appeltjes en jus van eekhoorntjesbrood (€ 21,50). Dat zijn twee nogal lompe brokken lever van verschillende dikte die toch nog mooi roze vanbinnen zijn. De appel en bacon zijn er lekker bij, de jus smaakt naar bouillonkorrels en niet eens in de verte naar cèpes. We krijgen frietjes, en natuurlijk appelmoes met een kers.
Meer Uit Eten?
Alle restaurantrecensies van Hiske Versprille vindt u hier.
Ondertussen gebeurt er iets aan de tafel naast ons: we spitsen onze oren terwijl de oude dame haar beklag doet bij de bediening. Alleen de eerste drankjes blijken bij de prijs van haar arrangement inbegrepen, terwijl zij graag een fles Sancerre wil bestellen, en de aankomst in de kamer was ook niet zoals ze gehoopt had, want het lukte haar niet het licht aan te krijgen. ‘Let op, daar komt de floormanager’, fluister ik tegen mijn tafelgenoot als een lange jongeman in pak bij de tafel komt staan. Maar dan gebeurt er iets opmerkelijks: ondanks de gigantische drukte neemt de man ruim tien minuten de tijd om heel uitgebreid en zeldzaam begripvol naar de dame te luisteren.
‘Wat jammer dat u zo teleurgesteld bent, we gaan dit onmiddellijk oplossen’, zegt hij, en hij legt uit dat een dure fles wijn inderdaad niet in het arrangement zit, maar dat hij haar met plezier iets anders van het huis aanbiedt. ‘En misschien ook nog een grote fles water en een lekkere koffie na?’
Terwijl wij aan onze even reusachtige als matige toetjes zitten (tennisbalgrote bollen elastisch ijs; uit elkaar gezakte fluts chocolademousse; homp koude kruimeltaart; idioot veel slagroom) zien we hoe de buurvrouw bijna opstijgt uit haar stoel van deze speciale behandeling.
Pas thuis realiseer ik me dat deze ‘floormanager’ helemaal geen floormanager was, maar de directeur van het hele hotel – net als in vrijwel alle Van der Valkhotels een derde- of vierdegeneratietelg uit de familie zelf, in hetzelfde hotel opgegroeid. Zo krijgt de avond, die verder weinig spectaculair was, toch een gouden randje. Er zijn veel plekken waar je beter kunt eten, en voor de aankleding hoef je ook niet meer naar Hotel Breukelen.
Maar ik ken talloze restaurants, in vele groottes en prijsklassen, waar de oude dame met een kluitje in het riet zou zijn gestuurd. De vanzelfsprekende egards waarmee ze hier, in een gierend drukke zaak, vanuit een diepgevoelde en oprechte gastvrijheid tegemoet werd getreden – alsof ze de koningin was – vond ik ontroerend en ook veelzeggend over het succes dat dit familiebedrijf duidelijk nog altijd heeft. Misschien is dát de kers op de appelmoes. Toch blij dat we zijn gegaan.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant