Ik was een feestartikelenwinkel binnengelopen om wat melige accessoires voor mijn vaders aanstaande verjaardag uit te zoeken. Terwijl ik stond te aarzelen bij een ballon in de vorm van een enorme lul (zou mijn oude vader, met zijn eigen antieke hangertje, die wel als zodanig herkennen?) legde de verkoopster juist een paar zakken confetti in het schap.
Ik peinsde over het nep-Italiaanse woord ‘confetti’. Ja, Italianen kennen dat woord wel, maar alleen als een bepaald snoepgoed. De fleurige snippers papier noemen ze ‘coriandoli’. Ook zullen Italianen nooit ‘pico bello’ zeggen, of ‘tutti frutti’. We hebben veel van dat soort nep-buitenlandse woorden in het Nederlands. Geen Fransman draagt een ‘horloge’ om zijn pols, geen Brit of Amerikaan laat zijn baby in een ‘box’ spelen, draagt een ‘smoking’ of rijdt zijn auto ‘total loss’ en geen Duitser vindt het ergens ‘unheimisch’ (wél noemen ze daar hun mobiele telefoon hardnekkig een ‘handy’).
Over de auteur
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.
Terwijl ik piekerde over dit merkwaardige fenomeen kwam er een struise vrouw van middelbare leeftijd binnen die de verkoopster (idem) een zonnig ‘Hoi schat!’, toevoegde en eraan toevoegde: ‘Dat Vlaardingse meisje is nou buiten levensgevaar hè? Een pak van m’n hart.’
‘Welk Vlaardingse meisje?’, vroeg de verkoopster, waarop de ander vroeg of ze onder een steen gelegen had, en uiteen begon te zetten: 10-jarig meisje, zwaar mishandeld door pleegouders, biologische moeder had al eerder alarm geslagen, en nu ligt het arme schaapje in het ziekenhuis. Buiten levensgevaar maar nog steeds ‘in zorgwekkende toestand’.
‘Hè getverdemme’, zei de verkoopster. ‘Ik wil zulke dingen helemaal niet weten. Dat is slecht voor mijn mentale gezondheid. Ik lees al tijden geen media meer, al die ellende... maar evengoed mogen ze van mij zulke mensen ondersteboven ophangen in een kooi vol uitgehongerde ratten.’
Een vindingrijke straf. Ze schudde haar hoofd. ‘Hè. Ik wou dat je me dit niet verteld had, van dat meisje’, zei ze. ‘Ik zie zoiets gelijk helemaal voor me. Een kind van 10. Walgelijk.’
‘Trouwens’, ging ze voort. ‘Nu je het over Vlaardingen hebt hè. Ik heb daar een nicht wonen. En die ben ik laatst gaan opzoeken, want ik moest daar tóch een kastje van Marktplaats ophalen... nou ja, lang verhaal. En toen ben ik met mijn nicht bij de Chinees gaan eten, in Vlaardingen.’
De ander knikte en de verkoopster vervolgde: ‘Nou. En dat was echt de smerigste Chinees waar ik ooit heb gegeten. Die babi pangang dróóp van het vet. Ik proef het nóg. En toen dacht ik al: je zal daar toch wonen, in Vlaardingen. En nu dit, hè? Ja, van zo’n stad kun je alles verwachten.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant