’s Ochtends vroeg zwemt een man vlak langs mijn woonboot. Niet elke dag, maar wel vaak. Hij zwom al voorbij toen de bomen op de kade nog niet waren omgehakt, toen mijn dochter nog thuis woonde en de poes nog twee ogen had. Hij zwom dwars door Rutte III en IV, en zal Schoof I ook wel uitzwemmen.
Vaak kondigt het geklots van zijn zwemvliezen hem aan, soms zie ik eerst de feloranje drijver die hij om zijn middel heeft gebonden, opdat boten hem niet overvaren. Zijn slag, borstcrawl, is zo traag dat de tijd waarin hij voorbij zwemt in slow-motion lijkt te verstrijken.
Doordat hij een badmuts en een zwembril draagt weet ik nog altijd niet hoe zijn gezicht eruitziet. Gelukkig maar, want misschien is het die eikel van om de hoek wel. Het is beter dat hij anoniem blijft, de man die alle veranderingen aan elkaar knoopt door altijd maar heel traag hetzelfde te blijven doen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns