Home

Het is een plek waarvan ik vergeten was dat ze bestaan, van niet-moeten, van rust, van zalige verveling

Het is een kleine twee uur rijden van Boedapest naar het dorpje waar mijn schoonvader en zijn vrouw wonen. Eerst steken we de Donau over, vol van alle regen die de afgelopen dagen is gevallen. Daarna meandert de snelweg langs glooiende en lege landschappen, gelardeerd met hier en daar plaatsjes met namen die ik niet kan uitspreken noch onthouden.

Ik sluit mijn ogen en dommel even weg bij de cadans van de autobanden die over de scheuren in het asfalt rollen. De tweede helft van de rit rijden we vlak langs het Balatonmeer, maar dat wordt aan het zicht onttrokken door stroken groen en verroeste borden die wijzen op nabijgelegen hotels en restaurants.

Over de auteur
Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.

Een paar uur later zit ik op een schommelbank in de tuin. Het is bijna windstil en de lucht is zacht en zwaar. Onweer nadert, maar is nog ver weg. Er zijn geen mensen op straat, geen winkels. Het enige restaurant is vandaag gesloten. Hier bestaat geen haast, geen snelheid, geen verleiding. Het is een plek waarvan ik vergeten was dat ze bestaan, van niet-moeten, van rust, van zalige verveling. Een plek waar tijd niet kostbaar is, maar in overvloed. Een plek van geen idee hebben. Behalve misschien de hangmat, of iets eten.

Het is stil. Zo stil. Stil genoeg om het geritsel van libellevleugels te horen en het gezoem van talloze bijen die zich tegoed doen aan de bloesem van de oude kastanje achter me. Stil genoeg om het geluid te horen van stevige bloedrode kersen die in een stalen bak vallen nadat ik ze heb geplukt. Stil genoeg om de resterende druppels van een lang gepasseerde regenbui uit het dikke rieten dak op het stenen paadje te horen vallen. Stil genoeg om ergens ver weg een hond te horen blaffen. En, nog veel verder weg, het onweer te horen donderen.

Tijdens het avondeten bereikt dat ons. Door het raam zie ik hoe de bliksem de grijze hemel opensplijt. De donder is machtig en groot en doet iedereen aan tafel opschrikken. Daarna komt de stortregen, loodrecht en in dikke, zware druppels. Mijn oudste dochter gaat met een boek in het raamkozijn zitten en kijkt hoe het water van de daken klettert, het asfalt overspoelt en het slootje voor het huis in een mum van tijd vult.

‘Ik heb het hier nog nooit zo hard zien regenen’, zegt mijn schoonvader terwijl hij ons naar ons verblijf brengt. De kleur van de lucht vertelt dat het voorlopig nog niet voorbij is. Het is nog vroeg op de avond, te vroeg voor onze dochters om naar bed te gaan. De regen klettert op het dak en tegen de voorruit. ‘Zal ik nog even een extra rondje rijden?’, vraagt mijn schoonvader. Doe maar, we hebben toch niets te doen. En dat is meer dan genoeg.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next