De Italiaanse stad Ferrara is het centrum van het oeuvre van schrijver Giorgio Bassani, kenner van de weemoed. Arnon Grunberg las zijn romans en zijn net in het Nederlands verschenen poëzie, bezocht Ferrara en concludeert: fascisme en liefde lopen bij Bassani in elkaar over.
Het komt niet vaak voor dat een schrijver een stad in het centrum van zijn oeuvre plaatst, maar dat is wat de Italiaan Giorgio Bassani (1916-2000) heeft gedaan. Ferrara, een halfuur rijden ten noordoosten van Bologna, is het decor van zijn proza en zijn poëzie en bij Bassani heb je het gevoel dat dat decor minstens zo belangrijk is als het leven dat er heeft plaatsgevonden.
Het verhaal van Ferrara is de overkoepelende titel van Bassani’s verzameld proza, straatnamen als Corso Ercole I d’Este, Via Mazzini, de Via Gorgadello, zijn niet zozeer plaatsaanduidingen als wel bezweringen. Zoals de slangenbezweerder met zijn fluit de slang tevoorschijn roept, zo roepen de straten de herinneringen op die zij voor ons hebben vastgehouden.
Over de auteur
Arnon Grunberg schrijft voor de Volkskrant over verlangen, politiek en ondergang.
Niet wij herinneren ons, het zijn de straathoeken, de keien, de gevels en de puien die zich ons verleden herinneren, en soms zijn de kinderkopjes bereid hun weten met ons te delen en laten ze ons een glimp zien van wie wij waren toen ons leven nog moest beginnen.
Al zijn er nog altijd dagen waarop we denken dat dit verleden niet meer was dan een heel lang voorspel, alsof ons echte leven straks pas zijn opwachting zal maken. Zoals Bassani in zijn gedicht Santa Severa schrijft, in de vertaling van Jan van der Haar, over de gelijknamige badplaats op zo’n vijf uur rijden van Ferrara, laten we het de badplaats van Bassani’s Ferrara noemen: ‘Vertrouw jezelf niet te veel als ik op dit punt / van mijn leven / je zo doe denken / aan deze wijk van oude villa’s en burgerlijke / rijtjeshuizen aan de oever van een zee / die geen zee meer / is.’
Zee of geen zee, ik besloot naar Ferrara te gaan. Niet om de echte Corso Ercole I d’Este te zien – ik heb mijn nieuwsgierigheid lang geleden als verlangen naar ontnuchtering leren kennen – maar omdat mensen uiteindelijk toch de plaatsen worden waarvan zij zich niet konden losmaken. Ik ging naar Ferrara om te zien wat er van Bassani in Ferrara is overgebleven, wat er van weemoed overblijft.
Wat overigens niet betekent dat hij een nostalgicus was, een nostalgicus is iemand die de pijn vergeten is en de glans verheerlijkt, bij Bassani heeft alleen de pijn glans, en de stad zelf.
De mensen in Ferrara lopen nog in winterjassen als ik er eind mei aankom, hoewel het ’s middags al zeker 20 graden wordt. De receptionist van Hotel de Prati is een oudere man, of hij zich zal kunnen losmaken van de stad weet ik niet, maar weemoedig is hij nu al. Hij wijst mij gelaten op de paardenrennen die zullen plaatsvinden in Ferrara.
Bassani was een sportliefhebber, hij las elke ochtend La Gazzetta dello Sport, tennis komt her en der terug in zijn werk, vooral in De tuin van de familie Finzi-Contini, commercieel zijn meest succesvolle roman uit 1962. In dat boek is het onder andere het tennisspel dat de verteller nader brengt tot de aristocratische Micól Finzi-Contini.
Bassani was zelf geen aristocraat. Hij kwam uit een gegoede Joodse familie, zijn vader was gynaecoloog en al vroeg lid van de fascistische partij. (De rassenwetten kwamen vrij laat naar Italië, in 1938, maar vóór die tijd was het voor een Jood goed mogelijk om een Italiaanse fascist te zijn.)
De jonge Bassani wilde muzikant worden, schreef zich toch maar in bij de faculteit der letteren in Bologna en werd leraar op een lyceum in Ferrara. Kort daarop debuteerde hij onder het pseudoniem Giacomo Marchi met een verhalenbundel. Later was hij ook nog even adjunct-directeur van de Italiaanse publieke radio en televisie, wat ergens bij hem past.
Als ik zijn woonhuis opzoek zie ik dat er op de gevel een kleine gedenksteen is aangebracht waarop de dichter wordt geëerd om zijn ‘burgerlijke betrokkenheid’. Hij moet een man zijn geweest die het sociale spel serieus nam.
De Italiaanse avant-garde in de jaren zestig vond zijn werk ‘leeg en dun’ en zijn esthetiek conservatief, wat Bassani in een depressie stortte.
Het benepene dat hoort bij de gegoede burgerij – niet te verwarren met het aristocratische van de hogere middenklasse – houdt Bassani zijn leven lang in zijn greep, zijn verzet ertegen was vermoedelijk net als bij enkele van zijn personages halfslachtig.
Niet alleen over de stad en haar verleden, ook over het klassenverschil ligt bij Bassani de glans van de melancholie. De liefde tussen de aristocratische Micól en de verteller van De tuin van de familie Finzi-Contini wordt om zeep geholpen als Micól besluit eerlijk te zijn over haar verleden en haar heden, waarna de verteller in de vertaling van Jan van der Haar mededeelt: ‘Het was of een hand in mijn maag greep en die omdraaide.’ Even later heet het: ‘Ze gluurde me van opzij aan, met een sluw boevige uitdrukking op haar gezicht, die ik niet kende en waar ik bijna bang van werd.’
Bang voor de boef. De verteller was waarschijnlijk het liefst blijven tennissen, maar voor Micól is liefde geen tennis. Alleen de fatsoenlijken bedrijven de liefde zoals ze tennis spelen en een criticus merkte op dat Bassani verscheurd werd tussen passie en fatsoen.
Het is niet in tegenspraak met de laatste regels van het gedicht 4 maart ’73: ‘Want de liefde – gilt ze – kan wanneer die echt is / enkel als de hare zijn en wel levens- / vijandig.’ Een aantekening achterin leert ons dat dit gedicht geschreven is voor een maîtresse van Bassani, de Amerikaanse, in Parijs woonachtige Anne-Marie Stehlein. Een naam die niet onderdoet voor al die andere namen bij Bassani.
Waar de liefde opduikt in Bassani’s universum is zij onmogelijk of dreigt zij onmogelijk te worden. Het obstakel is alles en klasse is slechts een van de vele obstakels om het verlangen werkelijkheid te laten worden. Als dit verlangen levensvijandig is – die iconische romantische gedachte – zullen wij onder ogen moeten komen dat wij zelf ons eigen obstakel zijn. Is dat wat wij uiteindelijk zijn? Ons eigen obstakel?
Niet altijd. Als leraar moest Bassani in 1938 uitwijken naar een Joodse school in het voormalige getto van de stad. Rond de tijd van zijn geboorte leefden er zo’n vijftienhonderd Joden in Ferrara. Mensen moeten zich verhouden tot hun eigen en andermans obstakels.
Een aanzienlijk deel van Bassani’s oeuvre speelt zich af aan de vooravond of in de beginjaren van het fascistische avontuur en in de doem van de op handen zijnde oorlog lopen liefde en fascisme in elkaar over, alsof de een de ander baarde. Ja, de indruk wordt gewekt dat de liefde zich gewilliger voegt naar de rassenwetten dan naar de regels van het tennisspel.
In wat volgens sommigen zijn beste werk is, de novelle De gouden bril, volgen we dokter Fadigati die op mannen valt in een tijd dat dat nog een groot probleem is, in de jaren dertig, en die daarom zijn uiterste best doet discreet te zijn en zich te beperken tot ‘mannen van middelbare leeftijd, in lage ondergeschikte posities’.
Dat gaat enige tijd goed, tot zijn begeerte zich richt op een puber, Deliliers, deze puber speelt met dokter Fadigati met de onverschilligheid van hen die menen het eeuwige leven te hebben.
Zeker, dit verhaal is eerder verteld, wat Bassani’s novelle bijzonder maakt is de vanzelfsprekende berusting waarmee de schrijver zijn personage naar de ondergang voert. En wederom zijn het de straatnamen, de plekken, het boemeltje tussen Bologna en Ferrara die de ware hoofdpersonen lijken te zijn van het verhaal over dokter Fadigati en zijn onbetamelijke verlangen, of zullen we het toch liefde noemen?
Misschien is dat wat Bassani beseft, dat onze verlangens evenmin van ons zijn als onze obstakels, dat die verlangens slechts op bepaalde straathoeken, op bepaalde plekken liggen te wachten, klaar om een volgende sterveling te bespringen.
‘Ook toen al, vóór de modernisering van 1940, was Majani een van de meest bezochte patisserieën van Bologna’, schrijft Bassani in De gouden bril. En de lezer heeft even de sensatie dat het allemaal aan Majani ligt, alsof de mensen niets anders zijn dan wat figuranten die zijn opgetrommeld om leven te brengen in de architectuur, het straatbeeld, de patisserie. Iemand moet al die gebakjes opeten.
Het Joods museum in Ferrara is uitgestorven, hoewel het indrukwekkender is dan men van een museum in een provinciestadje zou verwachten. De Joodse begraafplaats die zo’n belangrijke rol speelt bij de Finzi-Contin’s gaat om 1 uur dicht en ik sta voor een dichte poort. Als ik er de volgende dag tijdig arriveer zegt de bewaker, ‘nee, nu is het te laat. Nu mogen de mensen alleen nog naar buiten.’ Allicht wordt hij ook verscheurd tussen passie en fatsoen. Ik blijf staan om te kijken wie er uit de begraafplaats komt, maar niemand verschijnt.
Een recensent van The London Review of Books merkte op dat Bassani suggestief is, omdat hij doet alsof de topografie van Ferrara en de namen van minder belangrijke personages voor de lezer even betekenisvol zijn als voor hem.
Soms heb je inderdaad het gevoel dat de namen, de aanduidingen, geheime berichten bevatten die helemaal niet voor de lezer bestemd zijn, hooguit voor een bepaalde lezer die vermoedelijk allang niet meer leeft. Het eigenaardige echter is dat de lezer zich daardoor niet buitengesloten voelt, de sensatie van vluchtigheid, van onmogelijkheid wordt er alleen maar door versterkt.
In Bar Jolly tegenover de paardenrennen gebruik ik de lunch. Naast mij zitten vier mannen die eruitzien als misdadigers in een Italiaanse film uit de jaren vijftig. Later zal ik ze nog een keer tegenkomen.
Aan de dame achter de bar vraag ik wanneer de paarden zullen gaan rennen. ‘Zondag’, antwoordt ze, ‘zaterdag gaan de paarden oefenen.’ Ze voegt eraan toe: ‘Maar als het gaat stormen oefenen de paarden niet.’ Verwachten de mensen in Ferrare een storm of laat mijn Italiaans me in de steek?
In het nawoord bij de gedichten van Bassani, verzameld onder de titel Epitaaf, vraagt vertaler Jan van der Haar zich af: ‘Zijn het niet gewoon verhaaltjes, als je de regels achter elkaar zet en interpunctie aanbrengt?’
Misschien heeft Bassani gewoon interpunctie aangebracht in Ferrara.
Op het terras van Bar Jolly lees ik verder in de poëzie van Bassani: ‘Doodgemoedereerd / erkent ze dan jaloers te zijn geweest / op zowel de poes als de hond als de pony / als het ezeltje / voor eeuwig de woorden te hebben gehaat.’
Welke woorden? En was zij jaloers op de woorden of de hond, de pony, en het ezeltje zelf? Alsof dat verschil maakt.
Een van Bassani’s gedichten heet Tennisclub, er is sprake van de galm van ‘het zomerse pok-pok.’ Van Bassani’s weemoed, die natuurlijk uiteindelijk verwijst naar de dood zelf, of het leven ervoor, blijft niets anders over dan wat zomers pok-pok.
In De gouden bril schrijft Bassani nog over hoerageroep en geklap aan het strand van Rimini.
Het is de Duce die het water ingaat.
‘Is er dan zelfs aan zee niet te ontkomen?’, vraagt de vader van de hoofdpersoon. De hoofdpersoon meent dat zijn vader altijd fascist gebleven is ‘ondanks zijn zachtmoedigheid en eerlijkheid’.
Op de achtergrond gaat dokter Fadigati zachtjes te gronde. Het pok-pok gaat onverstoorbaar door.
Patisserie Majani bewaar ik voor de volgende zomer.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant