Toen ik op mijn fiets wilde stappen, klaar voor de vrolijkste nieuwe avonturen, trof ik, naast het achterwiel, een gevulde plastic tas aan. Voorzichtig keek ik erin (laat het geen dode hond zijn, of erger) maar het viel mee: een judopak. Een judopak in een kleine maat.
Vertederd bracht ik het stugge witte jasje naar mijn neus. Het rook naar wasmiddel, gymzaal en kinderzweet. Daar stond ik weer in de Haarlemse judoclub Kenamju, circa 1975. Ik was een jaar of 10 en zat daar ‘op judo’. Mijn ouders hoopten waarschijnlijk dat ik er ‘weerbaar’ van zou worden, wat inderdaad wel van pas zou zijn gekomen.
De kleine judoka’s waren bijna allemaal jongetjes. Er was één ander meisje dat, tot haar verbijstering, tussen twee judolessen door, opeens borsten kreeg, die haar vreselijk in de weg zaten. Ook de jongetjes wisten er geen raad mee, en durfden haar amper nog aan te raken.
Van de weeromstuit namen ze mij (nog helemaal plat) extra meedogenloos in de houdgreep (waarvan ik toen dacht dat het ‘houtgreep’ was, omdat die jongetjes zo hard aanvoelden). Bij judo draait het allemaal om ‘wederzijds respect’ maar daar hebben jongetjes van 10 geen boodschap aan.
Zelf kon ik er niets van. In plaats van weerbaar werd ik steeds banger, en ik begon al gauw te zeuren tegen mijn moeder of ik er ‘af mocht’. Nee, ik moest maar gewoon ‘doorzetten’, een woord waarvan ik de rest van mijn leven een diepe afkeer heb gehouden.
Toen ik weer eens rillend van angst het zaaltje van Kenamju betrad (het bleek geen geheimzinnig Japans woord, maar gewoon een afkorting van Kennemer Amateur Judoclub) trof ik daar alle jongetjes opgewonden pratend, en wijzend naar een reusachtige, glimlachende gestalte in judopak, de zwarte band om zijn middel. Het was Anton Geesink, meervoudig wereldkampioen zwaargewicht. Die was daar blijkbaar even op bezoek.
Hij was bijna 2 meter lang en woog zo’n 120 kilo. En wat deed die lieve man? Hij liet al die kindertjes hun beenworp of schouderworp op hem proberen, waarbij hij zich telkens gewonnen gaf en zich dreunend op de mat liet vallen.
Ook mij viel de eer te beurt Anton Geesink te vellen, met mijn brilletje nog op. Hij moet, behalve een uitmuntend judoka, ook een goed acteur geweest zijn. Ik ben hem er nog steeds dankbaar voor.
Van mijn verdere judocarrière kan ik me alleen nog herinneren dat ik het tot de ‘gele slip’ heb gebracht. Dat is zoiets als het eerste badje bij zwemles. Het judopakje naast mijn fiets had nog geen enkele slip, zag ik.
Doorzetten maar!
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant