Na zestien jaar op het Amsterdamse Oostenburgereiland wordt de Volkskrant sinds vorige week in een ander gebouw getikt: Mediavaert, een hypermoderne kantoordroom. Een schril contrast met de eerdere, rommelige onderkomens van de krant. ‘Peuken werden op de linoleumvloer uitgetrapt.’
In San Junipero, een fictieve plaats die centraal staat in een aflevering van de Britse sciencefictionserie Black Mirror, is het altijd feest. Iedereen is knap en danst de hele avond door. Het stadje is te mooi om waar te zijn, blijkt al snel: het is een virtuele ‘hemel’ waar mensen hun bewustzijn naar kunnen uploaden om er na hun dood eeuwig voort te leven.
Afgelopen dinsdag, tijdens haar eerste werkdag in het hypermoderne kantoorgebouw Mediavaert, waande Esma Linnemann (46), journalist van Volkskrant Magazine en presentator van de podcast Culturele bagage, zich op een soortgelijke plek. ‘Vanmiddag dacht ik dat ik in een hemel was’, zegt ze. ‘Er is een lekkere lunch! Er is licht! Alle collega’s zijn er! In ons vorige gebouw was dat er allemaal niet het geval. Maar toen moest ik aan San Junipero denken en vroeg ik me af of ik dood was.’
Bij Wilma de Rek, chef van de boekenredactie, gingen na het betreden van het gebouw de gedachten naar een andere titel: De cirkel, een roman van de Amerikaan Dave Eggers, over een gelijknamig internetbedrijf dat het kantoor van alle gemakken voorziet in de hoop dat werknemers het nauwelijks nog willen verlaten. ‘Dat gevoel kreeg ik hier ook’, zegt De Rek. ‘Er is een fitnessruimte die 24 uur per dag, zeven dagen per week open is. Beneden kun je heerlijke gratis koffie krijgen.’
Over de auteur
Gijs Beukers is mediaredacteur bij de Volkskrant. Hij schrijft vooral over televisie, podcasts en boeken.
De boekenredactie werkt doorgaans vanuit huis, maar De Rek heeft met haar collega’s afgesproken weer vaker naar de redactie te komen. Dat komt vooral door de ‘knusse’ indeling, zegt ze. ‘In het vorige gebouw was de redactie in twee delen gescheiden, waardoor je sommige collega’s nooit tegenkwam. Hier zie je iedereen.’
Tijdens de lunch loopt De Rek niet alleen Volkskrant-collega’s tegen het lijf: de krant deelt het gebouw – zes verdiepingen, 44 duizend vierkante meter – met tientallen andere titels van moederconcern DPG Media, waaronder nu.nl, Trouw, Het Parool, QMusic, Donald Duck en Story.
Vorige week is de Volkskrant verhuisd van het Init, een gebouw op het Oostenburgereiland in Amsterdam, drie kilometer ten oosten van het Centraal Station, naar Mediavaert, in Amsterdam-Duivendrecht. Mediavaert is de vierde thuisbasis in de naoorlogse geschiedenis van de Volkskrant. Hoe is de sfeer op de redactie in die tijd veranderd?
De Volkskrant werd opgericht in 1919 in Den Bosch en verhuisde in 1934 naar Utrecht. Na de Tweede Wereldoorlog verkaste de krant naar Concordia, een gebouw aan de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam. Daar zouden de redacteuren tot 1965 blijven zitten.
Victor Lebesque (83) en Ineke Jungschleger (81) hebben daar nog kort gewerkt – beiden begonnen in 1963 bij de Volkskrant, en gingen in 2003 met de VUT. Lebesque wil niet telefonisch op die tijd terugblikken. ‘Over dit soort dingen moet je ouwehoeren, met een biertje erbij.’ Dus zit hij nu met Jungschleger in Café Hesp, aan de Amstel. De twee zijn bevriend.
Lebesque heeft een schets van het Concordia-gebouw meegenomen en begint er met een pen driftig op te krassen. ‘Hier, bij de ronde deur, kwamen we binnen’, zegt hij. ‘Via de wenteltrap liepen we naar boven. De hoofdredacteur, Joop Lücker, zat achter een schuifdeur.’ Sidderend liepen sommige redacteuren bij hem naar binnen, zegt Lebesque. ‘Er waren erbij die huilend naar buiten kwamen. Hij was streng en autoritair.’
In een hok op zolder zaten de dictafonisten, vertelt Jungschleger. Zij typten de teksten over die journalisten, van wie velen hun stukken nog op kladblok schreven, naar ze doorbelden.
Elders op zolder zaten de redacties economie, sport en stad, vertelt Lebesque. ‘Eens in de twee, drie weken, op vrijdagmiddag 4 uur, riep een van die mensen zomaar ineens ‘oorlog!’. Vanaf dat moment vloog alles door die zaal. Er werd zelfs met zware, gietijzeren schrijfmachines gegooid.’
‘Is dat waar?’, vraagt Jungschleger. ‘Ik dacht dat er alleen met telefoonboeken werd gegooid.’
‘Met álles!’, roept Lebesque. ‘Na tien minuten was het uitgeraasd, begon iedereen weer serieus te tikken en dan was het zoetjesaan alweer tijd om naar het café te gaan.’
Daar troffen ze collega’s van kranten en weekbladen die ook aan de Nieuwezijds Voorburgwal waren gevestigd – de straat werd ‘de Nederlandse Fleet Street’ genoemd, een verwijzing naar de krantenboulevard in Londen.
‘Wij gingen dan naar Café Scheltema’, zegt Jungschleger.
Lebesque steekt zijn hand op. ‘Herstel’, zegt hij. ‘Herstel.’
Jungschleger kijkt hem vragend aan.
‘De Volkskrant kwam nóóit in Scheltema’, vertelt Lebesque. ‘De Volkskrant ging naar Hoppe, De Engelse Reet en De Koningshut, maar níét in Scheltema.’
‘Nee’, zegt Jungschleger, ‘maar wij kwamen daar weleens met zijn tweeën, omdat we vrienden hadden bij De Telegraaf.’
Lebesque: ‘O ja. De Telegraaf verneukte ons voortdurend. Ze lieten iemand naar het café bellen, waarna een van hun verslaggevers met haastige spoed het café verliet. Journalisten van andere kranten renden vervolgens naar hun redactie, in de veronderstelling dat er groot nieuws was.’
De Volkskrant-journalisten vermaakten zich uitstekend op hun rommelige redactie in het hart van de stad, maar moesten er vertrekken omdat de krant floreerde en het pand te klein werd. In 1965 trokken ze in een speciaal voor de krant gerealiseerd gebouw aan de piepjonge Wibautstraat, die het Amstelstation en de binnenstad met elkaar verbond.
De verhuizing viel niet bij iedereen in goede aarde. ‘We vonden het vreselijk dat we uit het centrum weg moesten’, zegt Lebesque. ‘En dan gingen we ook nog naar die verschrikkelijke Wibautstraat. Daar hing een kale, Oost-Berlijnse sfeer. We noemden het de Jozef Stalin Allee.’
Het gebouw staat er nog en wordt nu uitgebaat door het Volkshotel, een populair hotel dat zich richt op creatievelingen. Vanuit Café Hesp gaan Lebesque en Jungschleger ernaartoe om te kijken wat er nog van hun redactie over is.
Weinig, behalve de letters die ‘volks’ vormen en nog in het kenmerkende lettertype op het dak staan, en een overgebleven cartoon in een van de hotelkamers, gemaakt door de illustrator Opland. Toch kost het Lebesque, staand tussen tientallen studenten en flexwerkers die in de lobby zitten te laptoppen, geen enkele moeite om alles weer voor zich te zien.
Hij wijst naar een bijgebouw dat door het achterraam te zien is. ‘Daar zat de drukkerij.’ Op de eerste verdieping zat de directie, vervolgt hij, op de tweede en derde de redactie. Bij de liften vertelt Jungschleger over een priester in vol ornaat die bij iedere verdieping uitstapte om alles met een wijwaterkwast in te zegenen. ‘Dat gebeurde buiten ons zicht, want wij als krant waren inmiddels van ons geloof gevallen en hadden net besloten om de ondertitel ‘Dagblad van katholiek Nederland’ te laten vallen. Dat was een komische mijlpaal.’
De ‘linkse golf’ was begonnen en Jan van der Pluijm, hoofdredacteur tussen 1964 en 1982, zette daar de deur ‘zo wijd mogelijk’ voor open, zegt Jungschleger. Zij kreeg de leiding over de in 1965 begonnen rubriek Dag in, Dag uit.
‘Van der Pluijm noemde het ‘de speeltuin voor de wilde jongens’, zegt ze. ‘Wij deden in die rubriek verslag van allerlei anarchistische bewegingen, zoals Provo, en we hadden een netwerk van studentencorrespondenten die berichtten over wat er binnen de universiteiten broeide.’
Die linkse golf betekende niet dat de vrouwenemancipatie zich op de krant spoedig zou voltooien. Toen Jungschleger begon, was ze de enige vrouw op de redactie. Hoofdredacteur Lücker had het beleid dat er maar één vrouw in de redactie mocht zitten. Voor salarisverhoging kwam Jungschleger niet in aanmerking. In 1968 verliet ze uit onvrede de krant. Tien jaar later zou ze terugkeren. In Mediavaert is een vergaderzaal naar haar vernoemd.
Suzanne Baart (82) werkte van 1968 tot 2001 bij de krant. ‘Toen ik begon, werkten er tachtig mannen en drie vrouwen’, zegt zij telefonisch. ‘Mijn chef hamerde erop dat er geen seksueel getinte grappen mochten worden gemaakt, maar dat gebeurde natuurlijk wel. Ook vond iemand het weleens leuk om aan je te zitten, maar daar bleef het bij.’
Er gebeurden schunnige dingen in het gebouw, vertelt Victor Lebesque op de zevende etage van het Volkshotel. Nu zit daar een restaurant, toen zat daar de kantine, met uitzicht op de stad. Lebesque loopt naar het raam en wijst naar een balkon van een appartementencomplex even verderop. ‘Daar bedreef een stel regelmatig open en bloot de liefdesdaad. Als dat gebeurde, stond het hele trappenhuis vol.’
Jungschleger: ‘Daar heb ik nou nooit wat van meegekregen.’
‘Nee’, zegt Lebesque, ‘dat was net in de tien jaar dat jij weg was.’
De lift gaat naar de tweede etage, waar Jungschleger en Lebesque tientallen jaren hebben gewerkt. Van de redactie is door alle hotelkamers weinig meer te zien. ‘De redactie was met allerlei schotten in compartimenten opgedeeld’, zegt Lebesque. ‘Aanvankelijk hadden we een harde vloer, van linoleum of zoiets. Peuken – we rookten allemaal drie pakjes per dag – werden daarop uitgedrukt. Toen we een vloerbedekking kregen, gingen we protesteren.’
Suzanne Baart, een longpatiënt, deed dat niet. ‘Al dat meeroken heeft me niet geholpen’, vertelt ze telefonisch. ‘Maar goed, ik ben nu boven de 80, en ik leef nog.’
Het gebouw zelf werkte ook niet mee. ‘Het was een sick building’, zegt Marjon Hardonk, die sinds 1986 verantwoordelijk is voor de documentatie. ‘Of het was er te warm, of het was er te koud. Mensen werden gewoon ziek.’
Het gebouw was vreselijk, zegt Baart. ‘En de systemen waren vreselijk, de omgeving was vreselijk. Eigenlijk was alles vreselijk. Behalve de mensen, die waren geweldig.’
Het stonk er bijna altijd, zegt Gijs van den Heuvel (65), die nu als eindredacteur op de sportredactie werkt. ‘Er stond een eigenaardige tocht waarvan niemand precies de oorsprong kon traceren en die ik weleens de Volkskrant-passaat heb genoemd. Maar dat deed er allemaal niet toe. Het was misschien geen geweldig gebouw, maar het was óns gebouw.’
Van den Heuvel begon in 1980 als redactiebediende. ‘Dat hield in dat ik pijpjes Heineken haalde voor de collega’s en die rond de klok van 4 uitdeelde’, zegt hij. ‘In de aanloop naar dit schitterende moment scheurde ik telexberichten uit en legde ik die op de bureaus van de collega’s. Hetzelfde deed ik met de post.’
Een groot deel van de redacteuren plopte al tijdens het werk de eerste halve liter bier open, zegt Marcel van Lieshout (66), die van 1979 tot 2022 bij de krant werkzaam was. ‘Zelf spoog ik er ook niet in.’ Hij herinnert zich een middagbezoek van de hoofdredactie van de Britse krant The Guardian. ‘Onze toenmalig hoofdredacteur had een oekaze doen uitgaan: ruim het bier op. Dus wij haalden dat bij hoge uitzondering uit het zicht. Vervolgens kwam die Brit zelf met een pint de redactie op.’
De journalistiek was ‘met alcohol doordrenkt’ en dat kwam volgens Van Lieshout het werk niet ten goede. ‘Je hoort weleens dat alles vroeger beter was, maar de krant is nu echt veel beter.’ Op de dag van de door rellen ontsierde kroning van koningin Beatrix, in 1980, was bijna iedereen dronken, zegt hij. ‘De volgende dag was de krant een puinhoop.’
Café Hesp, waar Jungschleger en Lebesque hebben verzameld, gold als ‘bijkantoor’, zegt Jungschleger. Lebesque moest soms van zijn chef verplicht mee. ‘Dan was het nog geen 12 uur en zaten we al aan het bier.’
Wilma de Rek kwam in 1999 bij de krant werken en heeft ‘het staartje van de Hesp-cultuur’ nog meegemaakt. ‘Als iemand afscheid nam van de krant, werd in Hesp door allemaal dronken mannen For He’s a Jolly Good Fellow gezongen’, zegt ze. ‘Daar zat ik met grote, verbaasde ogen naar te kijken. Ik vond het folkloristisch, maar ook een beetje sneu.’
In afscheidsstukjes ging het vaak over hoeveel er wel niet gezopen werd, zegt De Rek. ‘Om 10 uur ging de fles open, las je dan, en om 12 uur was iemand al niet meer aanspreekbaar. Dat werd een soort van bewonderend opgeschreven.’ De Rek zag de sfeer veranderen. ‘Die oudere generatie mannen kon dat doen omdat ze thuis een vrouwtje hadden dat hun vuile onderbroeken waste en de boodschappen deed. Bij mijn generatie was het gelijkwaardiger.’
De gevolgen zijn dubbel, zegt De Rek. ‘Vroeger zagen journalisten hun werk als heilig. Het is mooi dat dat leidde tot een groot saamhorigheidsgevoel, maar het lijkt me ook gezond om je werk te zien als een van de leuke onderdelen van je leven, om er ook nog een leven naast te hebben.’
De cultuurverandering versnelde toen een Brits opkoopfonds, dat destijds grootaandeelhouder was van de uitgever PCM, het gebouw aan de Wibautstraat in 2007 besloot te verkopen. ‘Een gebouw dat met dubbeltjes en kwartjes van de katholieke vakbond is gefinancierd, viel ten prooi aan het grootkapitaal’, zegt Lebesque.
Op het Oostenburgereiland werd een nieuw onderkomen gevonden: het Init-gebouw. De Volkskrant deelde het onder meer met Trouw en Het Parool.
Net als bij de Wibautstraat in 1965 leidde ook dat gebouw en die locatie tot klachten. Van Lieshout noemt het een ‘glazen kolos’. Vluchten naar een café ging moeilijker, want op de nabijgelegen Czaar Peterstraat zaten vooral coffeeshops en ‘enge tentjes’, zegt Van Lieshout, al vestigden zich er later ook gezellige cafés.
Het interieur van het Init, met tapijttegels en systeemplafonds, was ‘steriel’, zegt De Rek, en de redactie was opgesplitst in twee zalen: een voor het nice to know-gedeelte van de krant (het cultuurkatern V en Volkskrant Magazine), en een voor het need to know-gedeelte (de rest). De twee groepen liepen elkaar daardoor niet makkelijk tegen het lijf.
Adjunct-hoofdredacteur Chris Buur probeerde de kloof te dichten door borrels te organiseren, zegt Stan Putman (29), de coördinator van de buitenlandredactie, die sinds 2014 op de krant werkt. ‘Chris besefte hoe belangrijk het was om de ongemakkelijke mannen en vrouwen die normaal gesproken langs elkaar heen werkten, wat losser te krijgen. Dus trapte hij altijd af met een stevige cocktail.’
Maar die cocktails werden ongeveer eens in de twee maanden gedronken. De tijd dat een café vijf dagen in de week voor driekwart gevuld was met Volkskrant-journalisten, zoals bij Hesp, was voorbij.
Het gevoel dat in het Init met de drankcultuur ook de saamhorigheid is versleten, wordt echter niet door iedereen gedeeld. ‘Vroeger werd de afdeling documentatie volledig over het hoofd gezien’, zegt Marjon Hardonk. ‘Nu heb ik het gevoel dat ik er meer bij hoor dan ooit. Toen ik in 2012 na een periode van ziekte terugkeerde, kwam ik in een warm bad terecht. En dat is nog steeds niet afgekoeld.’
Het Init kende een weifelende start, zegt Gijs van den Heuvel, maar uiteindelijk is het goed gekomen. ‘Na verloop van tijd wordt zo’n gebouw toch je jas. Of je broek, je trui, of je handschoen.’
Na zestien jaar vertrok de Volkskrant afgelopen maand uit het Init, omdat DPG Media een groot deel van de eigen Nederlandse merken wilde onderbrengen in één gebouw.
Ook Mediavaert kan rekenen op scepsis. ‘Ik vind het een heerlijk gebouw, maar voor mijn gevoel ligt het mijlenver van de levendigheid van de stad’, zegt Putman. ‘Ook is het ontdaan van iedere persoonlijkheid. Het interieur doet me denken aan een gate op Schiphol.’ Hij vreest dat de Volkskrant verder wordt ingekapseld door DPG Media. ‘Op onze toegangspas staat niet ‘journalist’, maar ‘mediamaker’. Dan ben je nog net geen contentcreator.’
Mediavaert probeert uit te stralen dat iedereen bij de grote DPG-familie hoort, zegt ook Wilma de Rek. ‘En misschien krijgen we dat gevoel straks ook wel. De tijden zijn veranderd, de Volkskrant staat al lang niet meer op eigen benen.’
Uiteindelijk maakt een gebouw niet zo gek veel uit, zegt ze. ‘Het gaat erom wat je daar beleeft, en of daar leuke collega’s werken. Zo’n gebouw is dan alleen het decor van je herinneringen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant