Sjoerd Kuyper viert zijn 50-jarig jubileum als kinderboekenschrijver en dat doet hij met een jeugdroman waarin alles langskomt: asielbeleid, klimaat, privacy. ‘Ik dacht: dit kan weleens mijn laatste grote boek zijn. Zo kan ik nog een beetje helpen, misschien, aan een mooiere wereld.’
In de jaren negentig konden kinderboekenschrijvers ruim leven van hun werk, maar die tijd is voorbij. ‘Het is een marginaal vak aan het worden’, zegt kinderboekenschrijver Sjoerd Kuyper (72), die deze maand vijftig jaar schrijverschap viert, terwijl hij een sjekkie opsteekt in zijn houten schrijvershuisje, achter in de weelderige tuin van zijn huis in Bergen. ‘Het is een soort hobby geworden, je moet er een baan bij hebben. Terwijl dat niet nodig is. Want als ouders en leerkrachten willen dat er gelezen wordt, dan lezen kinderen net als vroeger. Kinderen zijn niet veranderd. Dus er is iets gaande in het systeem dat het tegenwerkt. O, help, ik was al bang dat het deze kant op ging. Mopper, mopper, mopper. Ik zal niet mopperen!’
Hoe kan het dat het zo snel is teruggelopen?
‘In de jaren negentig was er een bloeiende jeugdcultuur. De kranten stonden vol met besprekingen van jeugdfilms, jeugdtheater, alles was booming. Daar gingen de kinderboeken in mee. In 1996 won ik met Robin en God een Gouden Griffel en verkocht ik vijftigduizend exemplaren. Echt! Iedereen wilde dat lezen, het werd door scholen gekocht, er werd lesmateriaal bij gemaakt. Dat is allemaal snel verdwenen. En dat maakt het moeilijk om in deze tijd nog jeugdboeken te schrijven.
‘Af en toe kom ik nog langs op een school, dan doe ik iets voor een klas met een enthousiaste juf en een geweldige groep kinderen die allemaal lezen. Maar als je op een pabo komt en daar een boek laat zien, vragen ze wat dat is. En dan donderen hun mobieltjes van schrik uit hun handen. En dat moet dan ongeletterd, ongeïnteresseerd en ontzield onze kinderen verder helpen? Ja, dat lukt niet.
‘Nou, dat is dus de pabo. Maar wie stuurt die aan? Hoe komt dat? Zit het bij de regering? Zit het in de tijdgeest? Ik kan mijn vinger er niet op leggen. Iedereen weet dat lezen belangrijk is. Iedereen weet hoe je kinderen aan het lezen moet krijgen. Niemand doet het.’
Sjoerd Kuyper – felblauwe ogen, wit haar – debuteerde in 1974 als dichter, maar is vooral bekend als kinderboekenschrijver van onder meer Het zakmes, dat later ook werd verfilmd, de serie boeken over de kleuter Robin en de jeugdromans Hotel De Grote L en Bizar. Zijn boeken zijn in vijftien landen gepubliceerd. Hij won zeven Zilveren Griffels en één Gouden, voor Robin en God. Voor zijn gehele oeuvre kreeg hij in 2012 de Theo Thijssenprijs. Afgelopen week verscheen zijn nieuwe jeugdroman, De grote vloed.
Hoe krijg je kinderen aan het lezen?
‘Door boeken in huis te hebben, door te laten zien dat je leest, door voor te lezen en te zeggen: ‘O stil, dit is zo mooi, zo spannend.’ Dat is zo makkelijk als wat. Kinderen zijn zo beïnvloedbaar, naar links of naar rechts. Als je iedere ochtend stil mag lezen in de klas en de juf of meester leest ook, dan wordt het een magisch iets. Of dat heerlijke moment dat je tegen je opa en je oma aan op de bank zit en wordt voorgelezen.
‘En dan kun je zeggen: de telefoontjes zijn gekomen, daarom wordt er minder gelezen, maar dit soort dingen is nooit de schuld van kinderen. Die worden precies zo geboren als tweeduizend jaar geleden, exact hetzelfde en net zo programmeerbaar. Dus de volwassenen laten het afweten. Niet de kinderen. Zo sprak de dominee! Maar het moet van onderaf komen: van ouders en leerkrachten.’
De grote vloed (voor 10+) speelt zich af in de toekomst. Het gaat over Moos, zijn opa Leon en hun vrienden, die hopen te overleven op Atlantis, de enige berg die na de vloed nog boven water uitsteekt. Het bevat, naast een spannend verhaal, ook maatschappijkritiek. Alles komt langs: asielbeleid, klimaat, corona, privacy.
Was dat vooraf het idee?
‘Ja, ik was behoorlijk aan het freaken omdat ik dacht: het kan weleens mijn laatste grote boek zijn. Ik heb een redelijk fanatieke socialistische achtergrond en ik zie dingen gebeuren in de samenleving die moeilijk zijn. En ik wil kinderen daarin een beetje proberen te helpen. Te laten zien hoe complotdenkers denken, dat niet alles waar is wat je krijgt voorgeschoteld. Want kinderen staan nog open voor andere gedachten.
‘Volwassenen lezen vanuit hun vaststaande, vastgeroeste principes en kiezen boeken die daarbij passen. Kinderen kun je een draai in hun hoofd geven. Op deze manier kan ik tot na mijn dood nog een beetje helpen, misschien, aan een mooiere wereld. Niet dat ik me erg machtig voel. Machteloos, maar niet moedeloos. Dat ben ik. Maar een boek kan het leven voor kinderen veranderen. Dat je opeens een inzicht krijgt of een gevoel, een sociaal gevoel, liefde voor wat er goed is in de mens. Niet liefde voor de mens, want die raak je wel kwijt. Maar de goede dingen in de mens.’
Waarom denkt u dat dit weleens uw laatste grote boek zou kunnen zijn?
‘Dat heeft met energie en uithoudingsvermogen te maken. Die worden minder. En je hoeft niet meer zo nodig te laten zien dat je het kunt. Wie dat nog niet heeft gezien, zal het nooit zien. Dus de bewijsdrang is weg. Zo’n boek is echt een klus. Als ik geen beurs van het Nederlands Letterenfonds had gekregen, had ik het niet gemaakt. Want daarmee kon ik er een jaar voor uittrekken. Ik heb geen pensioen, alleen AOW. Het risico was te groot dat ik een jaar zou werken aan iets dat niets zou opbrengen. Ik doe ook nog steeds dingen voor theater, en liedjes. Maar met boeken verdien je in principe niets.’
Een paar jaar geleden had u nog last van een writer’s block.
‘Achteraf was het, denk ik, die stomme coronaperiode, maar ik had een soort inzinking. Het was geen burn-out, maar er zaten angsten in me waardoor ik nauwelijks mijn handen naar het toetsenbord kon krijgen. Ik heb het eerder gehad, toen ik filosofie studeerde in Amsterdam. Angstaanvallen midden in een collegezaal. En dat je dan nog door de stad moest.
‘Mijn analyse is dat ik dan met dingen bezig ben die te hoog gegrepen zijn voor me. Te inspannend of te moeilijk. Sommige delen van die studie begreep ik gewoon niet, de logica, de wiskundige kant. Ik had filosofie gekozen vanwege de oude Grieken, de ontwikkeling van de gedachten van de mens. Maar driekwart was niet leuk. Gelukkig kwam mijn schrijverschap toen op gang. En heb ik het één gedumpt en het andere voluit ingezet.’
En nu bent u vijftig jaar schrijver. Wat doet u anders dan toen u begon?
‘De brave verhaalstructuur heb ik losgelaten. En ik laat de gekte toe. Het is fijn om in een serieus boek over het milieu drie kabouters te ploppen, zoals in De grote vloed. Twintig jaar geleden had ik dat nooit gedaan. Maar nu maakt me dat allemaal geen moer meer uit. En ik denk dat ik beter ben gaan schrijven. Wat dat betreft zou het jammer zijn als ik niet nog een dikke roman schrijf, haha.’
Wat is het grootste verschil tussen een kinderboek en een boek voor volwassenen?
‘Kinderboeken gaan over de lezer en volwassen boeken gaan over de schrijver. Als ik een boek van Gerard Reve lees, dan kan ik genieten van de stijl, van alle bizarre avonturen die hij beschrijft, alle relaties die hij aangaat. En dat zie ik Gerard Reve allemaal meemaken. Als een kind Het zakmes leest, dan is hij halverwege zijn zakmes kwijt. Zijn zakmes. Niet dat van Mees. Dat is het verschil.’
U heeft ruim zestig boeken geschreven. Op welk boek bent u het trotst?
‘Mijn nieuwste kan ik nog niet meenemen, maar dat is natuurlijk nu mijn favoriete boek. Een nieuw boek is als een baby’tje in je armen. Maar dan zet ik toch Robin – Alle verhalen (2022) bovenaan. Dan De duik (2014) en dan Bizar (2019).’
En de verzameling Robin-verhalen op één, want…
‘Dat ben ik. Dat boek is mijn jeugd. Die reeks is nog vrij tijdloos. Daar heb ik ook mijn best voor gedaan, door bepaalde dingen weg te laten. In mijn hoofd hangt de telefoon aan de muur, maar ik schrijf: ‘Opa belt op.’ Dat heb ik bewust gedaan, dat er geen jarenvijftigdingetjes in staan.’
De duik speelt zich af op Curaçao. Lang heeft u gezegd dat u niet over kinderen op Curaçao durfde te schrijven. Waarom niet?
‘Nu is er discussie over culturele toe-eigening, maar daar had het niets mee te maken. Ik dacht: ik kan niet vanuit die kinderen schrijven als ik niet weet hoe ze thuis leven, hoe ze naar bed gebracht worden, hoe ze op hun donder krijgen als ze iets verkeerd doen. Die cultuur kende ik niet en dus kon ik niet vanuit zo’n kind schrijven.
‘Maar toen leerde ik schrijver Roland Colastica kennen. Ik coachte hem met het schrijven van zijn boek Vuurwerk in mijn hoofd. Toen zijn we zo diep in elkaar terechtgekomen dat ik het durfde. Wetende dat hij het goed zou nalezen en checken op gevoel en feiten. Want ik had al een verhaal bedacht dat zich alleen daar kon afspelen. Ook omdat ik Curaçao een warm hart toedraag. Uiteindelijk zei Roland de verlossende zin: ‘Ik kan niet geloven dat het door een makamba geschreven is!’
‘Later heb ik hierover discussie gevoerd op Aruba. Of ik wel mocht schrijven over alleen maar gekleurde mensen. Sommigen vonden van niet. Het was trouwens een discussie zonder harde woorden. Toen vroeg ik: mag ik dan wel over mijn kleinkinderen schrijven? Dat mocht. Maar toen zei ik: dan hebben we een probleem, want die hebben een kleurtje. Uiteindelijk kwamen we erop uit dat het mocht, als je je maar goed informeert en inleeft.’
Wat vindt u van de discussie over culturele toe-eigening?
‘Tim Hofman zei ooit in NRC: ‘Ik wil me helemaal de tyfus deugen.’ Dat vond ik zo’n fijne uitdrukking. Ja, dat wil ik eigenlijk ook. Dat zit helemaal in me, dus bijna woke zijn. Ik wil proberen alle standpunten te begrijpen, naar alles luisteren.
‘Maar ik kom er niet uit dat er ook maar iets is in de wereld waarover ik niet zou mogen schrijven. Daar kan ik niet tegen… Sabel me helemaal neer als ik het verkeerd heb gedaan. Schrijf dan in de krant: ‘Hij heeft iets over Jemen geschreven. En hij is er nooit geweest. En hij weet niet hoe die mensen leven. En alles is fout.’ Mag. Dat is jouw podium om mij dan aan te vallen. Maar verbied het me niet. En dat zit eraan te komen. Of dat is al zo.
‘Want voor mijn boeken over Maantje was belangstelling in Engeland, tot bleek dat de schrijver wit was en het over een gekleurd meisje had. Toen hoefden ze het niet meer.
‘Maar goed, mijn lieve vrouw zegt altijd: alles moet ontzettend duidelijk gesteld worden voor het weer een beetje naar het midden gaat. These, antithese, synthese. Bij #MeToo kun je af en toe ook vraagtekens zetten. Maar het moet wel allemaal aangekaart, benoemd, veroordeeld en beoordeeld worden. Zo ontwikkelt de wereld zich. Dus ik houd er rekening mee. Maar in m’n hoofd, niet tijdens het schrijven.’
En dat de boeken van Roald Dahl worden aangepast?
‘Belachelijk. Maar ik las laatst toevallig een oude Jules Verne, Robur de veroveraar, en dat was zo racistisch. O, zo erg. Dat kun je niet meer op de markt brengen. Als kinderen dat lezen, krijgen ze een verkeerd beeld van de wereld. Maar je moet dat soort boeken niet vernietigen. Ook om aan te kunnen tonen dat het beeld is veranderd. Maar dat bij Dahl woorden als ‘dik’ werden geschrapt en vervangen door ‘enorm’, en dat de dames geen caissières of secretaresses meer mochten zijn, vind ik met de haren erbij gesleept.’
Let u nu op die woorden bij het schrijven?
‘Jazeker! In mijn boek staat: ‘Hij was niet dik, het was veel erger. Hij was enorm.’ Daar verwijs ik bewust naar Dahl, haha!
‘Aan de andere kant heb ik een aantal Zwarte Pieten uit oude boeken van mij verwijderd. Maar dan doet de schrijver het zelf. En ik vind: je kunt kinderen nu echt niet meer met een Zwarte Piet om de oren slaan.’
Wie vindt u goed van de jongere generatie kinderboekenschrijvers?
‘Films die nergens draaien van Yorick Goldewijk vind ik mooi in elkaar gestoken. Maar er worden veel goede, fijne kinderboeken geschreven.’
Maar ook pulp. Onlangs werden de winnaars van de Kinderjury’s bekend. Daar gaat het inmiddels meer om de beste marketingmachine dan om het beste boek.
‘Ach, weet je, in mijn tijd had je Pinkeltje en dat was echt pure shit, zo flauw en bedacht, maar ik vond het fantastisch. En dat zeg ik niet omdat het later erg seksistisch bleek te zijn, want dat wisten we toen nog niet, daar hadden we geen last van. Janneke van Jip was ook een volgzaam meisje, dat niks durfde. En of De Kameleon nou wereldliteratuur was, weet ik niet. Maar we lazen ook Miep Diekmann, An Rutgers van der Loeff, Tonke Dragt. Dus dat heeft altijd naast elkaar bestaan.
‘Je hoopt dat kinderen die veel van die shit lezen, de sprong een keer maken. Omdat ze de vreugde ontdekken van kleine zwarte lettertjes op wit papier. En dat er een wereld uit opstijgt die zich in hun hoofd vestigt. Dat zou mooi zijn. Van Kameleon naar Kafka. Dat kan. Tenminste, ik heb ze beide met plezier gelezen.
‘Ik ben al blij als ik een kind met een Waanzinnige boomhut in de trein zie zitten en niet op zijn telefoontje. Dus daar ga ik me niet tegen verweren. Nergens meer tegen, trouwens. Zoals ook staat in mijn brievenboek, De spanning stijgt, dat ook net is verschenen: ‘Ik maak tegenwoordig met niemand meer ruzie. Ik ben al lang blij als iemand nog leeft!’
Sjoerd Kuyper groeide op in een onderwijzersgezin, op het platteland. Eerst in Berkhout, toen in Oostvoorne en later Winkel (NH). Naast kinderboeken en poëzie is Kuyper bekend vanwege zijn werk voor film en televisie, zoals onder meer: De Freules, Het zakmes, De rode zwaan, Mijn opa de bankrover. Zijn vrouw, Margje Kuyper, is kunstschilder. Het andere tuinhuisje in de weelderige tuin van de Kuypers is haar atelier.
Sjoerd Kuyper: De grote vloed. Hoogland & Van Klaveren; 192 pagina’s; € 19,90.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant