‘Ik mag dan geen spectaculair leven hebben geleid, veelbewogen was het zeker’, aldus dichteres Hanny Michaelis (1922-2007). Haar Joodse ouders werden tijdens de Duitse bezetting in Sobibor vermoord, zelf overleefde ze de oorlog, ondergedoken in diverse, vaak zeer ongezellige huishoudens. Michaelis’ postuum gepubliceerde oorlogsdagboeken heb ik verslonden. Zoveel angst en eenzaamheid , zo helder, intelligent en prettig opgeschreven, zonder enige navelstaarderij.
Na de oorlog trouwde Michaelis met Gerard van het Reve. Ze bleven zo’n twaalf jaar samen, ook toen Reve als homo al ‘uit de kast’ was, en zouden ook na hun scheiding tot hun dood bevriend blijven. Nop Maas, Reve-biograaf, voerde ten behoeve van zijn imposante biografie nogal wat gesprekken met Michaelis. Wat ze hem vertelde is nu, zeventien jaar na haar dood, als bijvangst te lezen in Vastgenageld aan de rand van het niets.
Het is een heerlijk boek. Michaelis vertelt zonder enige schroom, over Reves gierigheid bijvoorbeeld: ‘Naar Frankrijk nam Gerard lege literflessen mee, omdat de tapwijn per fles werd afgerekend en de normale flessen 70 centiliter waren.’ Ook gingen er in de loodzware rugzak ‘twaalf rollen closetpapier mee en twintig blikken sardines van de Hema, die waren goedkoper dan in Frankrijk’.
‘Gerard bracht soms bedorven bokkingen mee, die ik eerst bij de kat testte, want poezen eten geen bedorven vis. De kat lustte ze niet, maar Gerard at ze gewoon op, de mijne erbij. (...) Gerard bakte ook wel witlof in margarine en deed er dan stukjes Spaanse peper bij. En hij maakte bruine bonen met geraspte kaas, walgelijk. (...) Hij was trots op die vinding. En hij verweet me dat ik verwend was: ‘Jullie aten vers krentenbrood met stukjes gember erin.’’ Als hij, op Hanny’s dringende verzoek, eens bloemen meebracht, waren het altijd ‘de allergoedkoopste met slijmerige en gebroken stelen’.
Over zijn behoudendheid: ‘Gerard was gewend: om half zes aan tafel en om zes uur de thee op het lichtje. Maar in Parijs gingen de restaurants ’s avonds op zijn vroegst om 7 uur open. Dat was wennen voor hem.’ En over zijn merkwaardige ‘watervrees’: ‘Ik moest er op toezien dat hij elke week een keer onder de douche ging’, waarbij Gerard verzuchtte ‘Godverdomme, schoon ondergoed’.’
Over hun seksleven: ‘Als hij teveel wilde zei ik ‘steek hem maar tussen twee kussens’, en over zijn later geopenbaarde homoseksualiteit: ‘Ik wist ook niet goed wat homoseksuelen met elkaar deden. Geen idee. (...) Gerard heeft nooit geprobeerd mij van achter te nemen. Een thermometer rectaal vond ik al een gruwel.’ En over hun huwelijk, waar ze liefdevol aan terugdenkt: ‘Ik voelde me geborgen bij hem, hij was solidair, hij nam het altijd voor me op tegen de buitenwereld.’
Het boek is doorspekt met fijne anekdotes: ‘Dat Gerard steenkolenengels schreef, merkte ik toen ik het voor uitgeverij Van Oorschot terugvertaalde in het Nederlands, voor 25 gulden en een keukentrapje. Van Oorschot was zo gierig, die wilde er ongeveer niks voor betalen. Toen Gerard hoorde wat Van Oorschot ervoor overhad, zei hij: ‘dan krijg jij van mij een Brabantia-keukentrapje’. Ik gebruik dat trapje nog steeds. Als ik een nieuwe lamp moet indraaien, sta ik op dat trapje en kan ik er nog altijd niet bij en leg ik er een telefoonboek onder.’
Ook wat haar tijdgenoten betreft neemt Michaelis geen blad voor de mond. Rudy Kousbroek was ‘ontzaglijk pedant’ en zijn vrouw Ethel Portnoy ‘een orang-oetan met opgekamd haar’. Simon Carmiggelt was een ‘vervelende man’, Remco Campert een ‘onappetijtelijke jongen. Zijn gedichten zijn halfzacht, een beetje gejat van die en die.’
Allemaal bijvangst van Reve-biograaf Nop Maas. Kostelijke bijvangst, mals, sappig en zonder graten. Een boek om in één ruk uit te lezen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns