De campagne voor de Europese verkiezingen verloopt bedeesd, maar de inzet is hoog. Als eurosceptische, rechtse partijen inderdaad veel zetels winnen, verschiet het Europees Parlement van kleur. En dat zal de komende jaren in alle stemmingen voelbaar zijn.
Wat staat er op het spel bij de Europese verkiezingen volgende week? Vrijwel niets, zo lijkt het voor wie naar de timide campagne tot nog toe kijkt. Een misvatting: de EU wordt misschien niet bedreigd in haar voortbestaan, waarvoor de Franse president Emmanuel Macron onlangs waarschuwde, maar de uitslag van de verkiezingen bepaalt wel haar voortgang.
Feitelijk is de inzet voor de circa 360 miljoen Europese kiezers de verdeling van de 720 zetels in het Europees Parlement. Nederland trapt donderdag de stembusgang af, de andere EU-landen volgen de dagen erna. De Nederlandse kiezer bepaalt alleen welke Nederlandse partijen de aan Nederland toebedeelde 31 zetels krijgen. In de peilingen wint de PVV de meeste zetels (9), op hielen gezeten door GroenLinks-PvdA (7 of 8).
Over de auteur
Marc Peeperkorn is sinds 2008 de EU-correspondent van de Volkskrant. Hij woont en werkt in Brussel.
Nu is het Nederlandse smaldeel in het Europees Parlement gering, de Duitse afvaardiging (96 zetels), de Franse (81), Italiaanse (76) en Spaanse (61) leggen meer gewicht in de schaal. Wie naar de pan-Europese peilingen kijkt, ziet evenwel dat de winst voor de PVV geen typisch Hollands verschijnsel is. In veel landen zijn rechtse en rechts-extreme partijen bezig aan een opmars. Als deze trend volgende week zondag – als de uitslagen worden bekendgemaakt– werkelijkheid wordt, verandert het parlement van kleur.
Neem de ECH (Europese Conservatieven en Hervormers) waar het Spaanse Vox, het Belgische N-VA, de Poolse PiS en de Italiaanse Fratelli D’Italia bij zijn aangesloten: die groeit van 69 naar mogelijk 75-85 zetels. Voor Identiteit en Democratie (Lega, Vlaams Belang, Rassemblement National, PVV) is de verwachte winst nog groter: van 49 naar mogelijk 70-80 zetels. Als deze twee fracties samen met de niet-gebonden parlementariërs (AfD, Forum voor Democratie, Vijfsterren, Fidesz) een nieuwe politieke groep vormen, zou die in één klap met ruim 200 zetels de grootste zijn.
De Hongaarse premier Viktor Orbán (Fidesz) en Marine Le Pen van Rassemblement National roepen de laatste dagen op tot de vorming van zo’n rechts-nationalistisch verbond en lonken naar steun van de Italiaanse premier Giorgia Meloni en haar Fratelli. De kans dat zo’n coalitie er komt is klein. Het nationale dna van deze partijen maakt dat ze elkaar nauwelijks het politieke licht in de ogen gunnen. Samenwerken, compromissen maken en verantwoordelijkheid nemen voor Europese besluiten: het zit niet in hun aard.
Hun standpunten liggen ook ver uiteen: waar Fratelli D’Italia van Meloni gebaat is bij een Europese aanpak van de migratie, gruwen Le Pens Rassemblement en de PVV daarvan.
Daarmee blijft naar verwachting de christendemocratische Europese Volkspartij (EVP) de grootste in het Parlement (peiling: 170-180 zetels), gevolgd door de sociaaldemocratische S&D-fractie (140-145 zetels), ruwweg wat beide nu ook hebben. De klappen vallen bij de liberalen (van 102 naar circa 80 zetels) en bij de Groenen (van 72 naar ongeveer 50). Al met al is er nog steeds een pro-Europees motorblok in het parlement, maar met minder cilinders en minder pk’s.
Dat laat zich voelen bij álle stemmingen de komende vijf jaar in het Parlement; de uitslag daarvan wordt ongewisser dan nu. De eerste test is de benoeming van de nieuwe voorzitter van de Europese Commissie. Een fors rechts, anti-Europees blok vermindert de kans van Ursula von der Leyen op een tweede termijn en zal (in ruil voor steun) concessies eisen. Datzelfde blok kan een rechtsere signatuur afdwingen van de voltallige Commissie en vervolgens elke keer opnieuw wetsvoorstellen afzwakken, vertragen of tegenhouden.
Een rechtser Parlement en een behoudendere Commissie staan niet op zichzelf. Bij de lidstaten (de derde punt van de machtsdriehoek in de EU) zitten extreem-rechtse, anti-Europese partijen steeds vaker in de regering: Nederland, Italië, Hongarije, Kroatië, Slowakije, Portugal, Finland.
Dat beïnvloedt niet alleen de initiërende rol van EU-toppen met de regeringsleiders – zij zetten de grote lijnen uit en beslissen over de zware politieke kwesties – maar bepaalt ook de opstelling van de Europese vakministers die met het Parlement de wetsvoorstellen goedkeuren.
Opvallend is dat deze eurosceptische trend komt op het moment dat de meeste van die leiders, lidstaten en parlementariërs juist méér vragen van de EU. De Unie moet meer samenwerken om de veiligheid te garanderen, de defensie-industrie te versterken, de EU minder afhankelijk te maken van grondstoffen uit China, de groene omwenteling tot een goed einde te brengen, de rechtsstaat te beschermen en migratiedeals met derde landen te sluiten.
Op het moment ook dat de buitenwereld – met een ontketende Trump of een verzwakte Biden, een Poetin op oorlogspad en een agressiever China – er voor Europa niet vrediger op wordt.
Wat er volgende week op het spel staat is het elan van Europa, zeggen EU-ambtenaren. En de geloofwaardigheid van de Unie. Want veel vragen en vervolgens niet leveren, zal de steun voor de EU eroderen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant