Bij een ‘grootschalige’ invasie van Rafah moeten de VS hun koers in de oorlog herzien, waarschuwde president Joe Biden. Maar na meerdere Israëlische aanvallen op de Zuid-Gazaanse stad is van die Amerikaanse ‘rode lijn’ weinig te bekennen.
Toen de luchtaanval begon, was het al donker in Gaza. De meeste mensen lagen in hun tenten te slapen, of bereidden zich voor op de nacht. ‘We waren bezig onze kinderen naar bed te brengen’, zou Umm Mohammed al-Attar nadien zeggen tegen tv-zender Al Jazeera. Van hun nachtrust kwam niks terecht, want plots klonken er luide explosies en vlogen tientallen tenten in brand. Israëlische gevechtsvliegtuigen hadden de aanval geopend. Matrassen vatten vlam, tentzeilen stortten zich op slapende families. ‘Mijn vader is weg’, brulde een jongen die zijn vader had zien verbranden.
Het bloedbad aan de noordwestkant van Rafah, in de nacht van zondag op maandag, was bepaald niet het eerste in deze oorlog die inmiddels ruim 36 duizend mensen het leven heeft gekost. Evenmin was het de eerste keer dat Israël een gebied aanviel dat – hoewel gelegen buiten het ‘evacuatiegebied’ – door Palestijnen als veilig werd beschouwd. Dat gebeurde ook aan het begin van de oorlog, toen burgers op aanwijzing van Israël vluchtten van noord naar zuid, en deze week opnieuw met de luchtaanvallen op zowel Rafah als Al-Mawasi (21 doden) – een dorre kuststrook die door Israël was aangewezen als evacuatieoord. ‘We hebben naar hun pamfletten geluisterd’, schamperde Issam Saeed Salman op camera. ‘Vervolgens hebben ze zich daar niet aan gehouden.’
Over de auteur
Jenne Jan Holtland is correspondent Midden-Oosten voor de Volkskrant. Hij woont in Beiroet. Hiervoor was hij correspondent Centraal- en Oost-Europa.
De getuigenissen die via lokale journalisten naar buiten kwamen, laten zien dat de ontreddering onder Palestijnen momenteel een dieptepunt bereikt. Het gevoel overheerst dat ze er alleen voor staan – vermorzeld door Israël, verraden door Arabische buurlanden en in de steek gelaten door een besluiteloos Amerika. ‘Waar ligt die rode lijn waar de VS het over hebben?’, vraagt de Palestijnse journalist Salem al-Rayyes (38) retorisch. Hij doet zijn verhaal aan de Volkskrant in een reeks geluidsberichten op WhatsApp. ‘Is de verwoesting van alle huizen, moskeeën en universiteiten geen rode lijn? Of de tienduizenden mensenlevens?’
Als freelancer schrijft Al-Rayyes voor een Egyptische en een Saoedische website. Zijn eigen huis werd ten dele verwoest. De ochtend na de aanval haastte hij zich met een handvol andere verslaggevers naar het uitgebrande tentenkamp bij Tal al-Sultan. ‘Een deel van het kamp stond nog in brand. Ik hoorde mensen schreeuwen. Vrijwilligers gingen op zoek naar vermiste vrouwen en kinderen, maar vonden soms alleen ledematen of verkoolde lichamen. Het was pure horror.’
Aanvankelijk sprak het Israëlische leger van een ‘precisieaanval’, maar die lezing bleek niet houdbaar, waarna premier Benjamin Netanyahu bakzeil haalde en repte van een ‘tragische vergissing’. Ook dat was niet voor het eerst. Na de aanval op medewerkers van hulporganisatie World Central Kitchen, begin april, moest Israëls legerleiding ook al door het stof. Voor aanvallen op een hulpkonvooi (februari) en op vluchtelingenkamp Jabaliya (december) is nooit een heldere verklaring gekomen.
Dat er dit keer – zoals Israël staande houdt – twee Hamascommandanten omkwamen, is goed mogelijk, al heeft niemand het kunnen verifiëren. De legerleiding gaf een (evenmin geverifieerd) bandje vrij waarop te horen is hoe twee Palestijnen beweren dat er een ‘munitiedepot’ geraakt zou zijn. Hulpmedewerkers houden daarentegen vol dat het dichtstbijzijnde pand toebehoorde aan VN-hulporganisatie UNRWA.
‘Bij ons zijn alleen burgers binnengebracht’, verzekert woordvoerder Hisham Mhanna (34) van het Internationale Rode Kruis via een haperende internetverbinding. Zelf was Mhanna niet ter plekke, zijn collega’s wel. ‘Ik sprak een chirurg die bij een minderjarig kind beide benen heeft moeten amputeren.’ Mhanna ontvluchtte Rafah al voor de Israëlische inval van begin mei, en is nu in Deir al-Balah (Midden-Gaza). ‘Ik zie de angst met de dag groter worden. Mensen zijn bang iedere dag te kunnen sterven, puur omdat ze op het verkeerde moment op de verkeerde plek zijn.’
Netanyahu’s mea culpa suggereerde een eenmalig ongeluk, maar critici zien een patroon. Beloften over ‘veilige gebieden’ worden niet nagekomen, gerechtelijke bevelen van het Internationaal Gerechtshof in de wind geslagen, de ‘rode lijn’ van het Amerikaanse Witte Huis opgerekt tot slap elastiek. De regering van president Joe Biden gaat intussen door met het leveren van wapens. ‘Ze geven ons humus en bonen en de vijand wapens en explosieven’, aldus de reeds genoemde Salman bij Al Jazeera.
Vraag je Palestijnen op de man af of ze veilig zijn, dan krijg je sinds maanden hetzelfde antwoord: het is hier nergens veilig. Een verzoek van de Volkskrant aan een inwoner om binnen afzienbare tijd opnieuw contact te hebben, ontlokte hem de woorden: ‘Als we dan nog in leven zijn.’ VN-mensenrechtenbaas Volker Türk onderstreepte dat na ‘Rafah’ eens te meer duidelijk was geworden ‘dat er letterlijk geen plek veilig is in Gaza’.
Die wanhoop wordt breed gedeeld. ‘Wanneer gaat deze oorlog eindigen?’, riep een Gazaanse vrouw met overslaande stem in een Instagramfilmpje dat deze week veel werd gedeeld. ‘Waar zijn de moslimlanden?’, sprak ze tussen de verkoolde resten van het tentenkamp. ‘Waar is Jordanië? Waar is Saoedi-Arabië? Waar zijn al die mensen?’
Feitelijk zijn de Amerikanen de enigen die in staat worden geacht Netanyahu’s oorlogskabinet onder druk te zetten. Volgens het Witte Huis draait alles om de aard van de invasie in Rafah. Als die verandert van ‘beperkt’ naar ‘grootschalig’, dan zal Amerika volgens president Biden zijn koers in de oorlog moeten herzien. Zover is het volgens Washington niet. ‘We hebben ze (Israël, red.) niet zien binnenkomen met grote aantallen troepen in colonnes en formaties, in een soort gecoördineerde manoeuvre tegen meerdere doelen’, zo zei Bidens woordvoerder John Kirby deze week.
Op papier klinkt dat logisch, maar het gevaar is dat het precies dat blijft: een papieren werkelijkheid. Op de dag dat Kirby de pers te woord stond, rolden er Israëlische tanks het centrum van Rafah binnen – in andere oorlogen doorgaans het teken dat het menens is. Alleen al in de 48 uur volgend op het vonnis van het Internationaal Gerechtshof om de aanval op Rafah te stoppen, turfden mensenrechtenorganisaties zo’n zestig bombardementen op Rafah. ‘Er is geen rode lijn, enkel groen licht’, twitterde de Palestijnse mensenrechtenadvocaat Diana Buttu.
In het Midden-Oosten gaan de gedachten bij velen terug naar het moment, dik een decennium geleden, dat een van Bidens voorgangers, Barack Obama, met militair ingrijpen dreigde als de Syrische dictator Assad gifgas zou inzetten tegen zijn eigen bevolking. Ook dat heette een ‘rode lijn’, en ook Obama durfde de daad niet bij het woord te voegen, met als gevolg dat Assad zijn gang kon gaan en de Russen het initiatief in de Syrische burgeroorlog konden overnemen.
Oftewel: wie zich niet aan zijn woord houdt, geeft de regie uit handen – in dit geval aan Netanyahu. Israëls militaire tactiek lijkt er sinds weken op gericht om, Amerika’s rode lijn indachtig, stukje bij beetje Rafah in te nemen. Niet met één groot offensief, maar als de flinterdunne plakjes die je van een salami snijdt. Een rode lijn valt op die manier eindeloos op te rekken.
Midden-Oostenkenner Mouin Rabbani, verbonden aan het pan-Arabische platform Jadaliyya, ziet sinds maanden een vergelijkbaar patroon. ‘Washington probeert Israël tot ander gedrag te bewegen, maar alleen met verbale dreigementen’, zo zegt hij aan de telefoon. ‘Als de Israëliërs vervolgens doen alsof hun neus bloedt, haasten de Amerikanen zich te zeggen dat ze het dreigement zo niet hadden bedoeld.’
De enige plek waar volgens Rabbani enige beweging mogelijk is, is bij de VN-Veiligheidsraad waarvan Amerika een permanent lid is. Er is een Algerijnse resolutie in de maak die oproept tot het stoppen van de gevechten in Rafah, maar het is nog onzeker of de VS die – zoals vaker in deze oorlog – zullen vetoën. Onthouden ze zich van stemming, dan zou de resolutie het kunnen halen, hetgeen de druk op Israël zou kunnen verhogen.
Illustratief voor Amerika’s weifelachtige koers is het lot van de 300 miljoen euro kostende pier die voor de kust van Gaza werd aangelegd. De bedoeling was om via die weg de gebrekkige hulptoevoer over land te compenseren, maar na de levering van zo’n zestig vrachtwagens aan hulp (ruwweg eentiende van wat Gazanen dagelijks nodig hebben) raakte de pier beschadigd door hoog water. Hij is weggesleept voor reparatie. Freelancejournalist Al-Rayyes: ‘Ik begrijp niet dat ze daar al hun energie in steken. Waarom zorgen ze er niet voor dat de grensovergang bij Rafah weer opengaat?’
Intussen blijft de humanitaire nood groeien. ‘Het tekort aan diesel betekent dat we vaak moeten kiezen’, zo verklaarde een hoge functionaris van UNRWA. ‘Houden we de generatoren gaande bij het ziekenhuis, de bakkerij of de rioolwaterzuiveringsinstallatie?’ Voor de drie liter benzine die Al-Rayyes nodig had om Rafah te bereiken, moest hij naar eigen zeggen 90 dollar neertellen; een veelvoud van wat het voor de oorlog was.
Palestijnen, zeker zij die 30 jaar of ouder zijn, weten wat oorlog is. Ze overleefden de Israëlische bombardementen van 2008-2009, die van 2014 en 2021. Die strafexpedities hadden, anders dan deze, een haalbaar einde, terwijl het dit keer uit dreigt te lopen op een zogeheten forever war, naar het voorbeeld van de VS in Irak en Afghanistan. Een Israëlische veiligheidsadviseur zei deze week dat de oorlog weleens zou kunnen doorgaan tot begin 2025.
‘Dat houden mensen niet vol’, verzucht Mhanna van het Rode Kruis. ‘Ik zie mijn collega’s nu al vermageren. Zelf mag ik trouwens niet klagen – ik krijg nog iedere dag een maaltijd.’ Hij vertelt dat zijn gezin Gaza tijdig wist te ontvluchten, waarna zijn vrouw in Egypte beviel van een tweede zoon, inmiddels zeven maanden oud. Zijn vader heeft hem nog nooit ontmoet.
Het missen van je kind is in Gaza iets alledaags geworden, beschrijft Mhanna. Recentelijk belde een vrouw naar het veldhospitaal. Haar 10-jarige dochter was om het leven gekomen en haar moeder wilde haar nog één keer vasthouden voor ze werd begraven. Het lukte, maar wel pas na een zoektocht van vier of vijf dagen. In vredestijd zou je daarvan opkijken, maar in een oorlog doet niemand dat.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant