In Lopik wachten we op de nachtbus. De bushalte, een bord in de grond, is zo donker dat ons geadviseerd is te ‘zwaaien’ met een ‘lichtje’, anders zal de bus ‘voorbij denderen’.
Lichtje, hebben we een lichtje? Ja, heeft Steve Jobs aan gedacht. Zodra de bus aan de zwarte kim verschijnt, ontsteken we onze mobiele toortsen en zwaaien ermee.
De chauffeur prijst ons hierom. ‘Zonder jullie zwaaiende lichtjes’, zegt hij letterlijk en uit zichzelf, ‘was ik jullie voorbij gedenderd.’
Tevreden nemen we plaats. Zo hebben we de wereld graag, kloppend als een zwerende nachtbus.
De chauffeur houdt de vaart er goed in, zo midden in de nacht, op een bomenrijke provinciale weg. Te laat zullen we niet komen. Ik hou er niet van, vervoer. Fietsen gaat nog, dan ben ik zelf de chauffeur. Lopen heeft mijn voorkeur, versmolten met de benenwagen.
Ik kan zelf niet aurorijden. Dat zal meespelen. Ik heb ooit een dodemansrit meegemaakt, in zo’n bus. In China. Ik moest van de ene stad naar de andere, ik ben vergeten welke, niet opgeslagen, mijn hersens waren te nat (zweet, adrenaline). Een rit van vijf hele uren. In de bus hingen gordijntjes, maar erachter zaten geen ramen meer. De bus had ook geen voorruit. Om de paar stoelen hing een televisietje, waarop een film kon worden vertoond. Ook in die televisietjes zat geen glas. Toch, vraag me niet waarom, nam ik die bus.
Onze eigen bus, de Lopikse nachtbus, stopt bij een paal in een weiland. De chauffeur stapt uit en helpt een oud dametje naar binnen. Ze gaat op de stoel rechts vooraan zitten.
‘Lekker gedanst?’, vraagt mijn vriendin Jet zachtjes.
‘Achter het stuur van die horrorbus’, antwoord ik, ‘zat Stephen King.’
‘Wie? Hier?’
‘Nee, in China’, murmel ik, ‘een Chinees met een groot hoofd, ik zie hem zitten. Het moest in vier uur en driekwartier. Waarom vertelde het verhaal niet.’
‘Waarover gaat het? Hou jij van Stephen King?’
Nooit gelezen. Plankgas scheurde die kerel over de linkerrijstrook, hard en lang claxonnerend op personenenauto’s afdenderend, en ze dan over rechts inhalend, waar natuurlijk tragere auto’s reden, zodat hij vaak vol in de remmen moest.
Voorin is het niet pluis. De oude dame hangt een stukje opzij, ze praat tegen de nachtbuschauffeur. Ik roep halfhard: ‘Mag dat wel?’
‘Wat?’
‘Over de middenberm gaan. Omdat het niet snel genoeg ging, op zijn eigen tweebaansweg, stak hij, je houdt het niet voor mogelijk, de middenberm over, en reed tegen het verkeer in, als een spookrijder, over de tweebaansweg aan de overzijde.’
‘Wie?’
‘Stil.’ Ik probeer het gesprek voor me op te vangen. Ik prik mijn wijsvinger richting het dametje, leg een hand achter mijn oorschelp.
‘Ja, vijftig jaar samen geweest’, horen we haar zeggen, ‘een hele periode. Henk had nog op de trekschuit gezeten. Heb jij die nog meegemaakt, trekschuiten? Nee? Nou, zijn ome Gerrit verdiende er een goed belegde boterham mee. Totdat er dus inenen van die stookolieboten kwamen te varen, nou, toen waren…’
Ze drukt op de stopknop. Oma moet eruit. Oma stapt er godzijdank uit, op een verlaten afwerkplek. ‘Doei oma’, zeg ik. ‘En wat-ie dan deed, was plankgas spookrijden. Een seconde of tien. Dan reed hij zo hard mogelijk, met die wapperende streekbus van hem, tegen het verkeer in, en vlak voordat we een frontale klap maakten, schoot hij hotsend die mulle middenberm weer over, terug op onze eigen tweebaansweg.’
‘Wat moest die oma op die parkeerplaats?’, mompelt mijn vriendin Jet.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns