‘Volgende week ben ik jarig’, zei mijn oude vader. ‘Ik wou het eigenlijk maar niet vieren, want dat is altijd zo’n gedoe...’ Ik wilde net ‘heel verstandig’ antwoorden toen hij vervolgde: ‘Maar ik word wél 85. Dat is niet niks. Dus ik vier het tóch. Bij jou thuis.’
Terwijl ik hem perplex aanstaarde, somde hij nog even op wie er allemaal beslist moesten komen, ‘en die, en die, en die – en die natuurlijk. En verder mag je zo veel mensen uitnodigen als je maar wilt’, sprak hij grootmoedig, waarna hij de deur uit slofte en mij achterliet, ten prooi aan opperste verwarring.
Over de auteur
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.
Een paar uur later belde hij op. Niet om dat plan voor zijn verjaardag ongedaan te maken, helaas, maar om te melden dat hij zijn bankpasje bij me had laten liggen. ‘Stuur het maar even op, want ik zit lelijk onthand.’
‘Stuur het maar even op’, ja hoor. Eerst moest ik dat pasje vinden (in het logeerbed), vervolgens een enveloppe (tussen de oude kranten), een postzegel uiteraard (ha, nog één, onder in de fruitschaal) en googlen waar de dichtstbijzijnde brievenbus zich bevond. (Wie stuurt er nog brieven?)
En daar zat ik op de fiets, met de enveloppe in mijn linkerhand, onderweg naar de brievenbus in de Tweede Helmersstraat. Ik heb daar gewoond, zowat een kwarteeuw geleden. Maar op welk nummer ook alweer? Drie hoog, dat wist ik nog heel goed. Want mijn eerste kind was toen pas geboren, en dat nauwe trappenhuis bleek een logistieke nachtmerrie.
Bij thuiskomst moest ik eerst mijn volle boodschappentas onderaan de trap zetten, daar vervolgens de baby op goed geluk overheen draperen (gezichtje tussen het preiloof), de kinderwagen inklappen en aan een haak hangen in het minuscule halletje, en daarna tas en baby al die trappen op naar boven zeulen, waar ik steevast in tranen uitbarstte, omdat ik de koffie was vergeten. Of het wc-papier. En omdat ik het leven niet aankon. Ja, dat ook.
Welk huis was het nou? In de Tweede Helmersstraat lijken alle huizen op elkaar. Nummer 32? Of toch 58? Zo ingespannen tuurde ik naar de gevels dat ik de hobbel in de weg niet zag. Mijn fiets bleef nog net overeind, maar de enveloppe viel in een plas. Zeiknat. Een hoekje van het bankpasje piepte al gniffelend naar buiten.
Terug naar huis, dus, voor een nieuwe enveloppe. Maar éérst naar het postkantoor voor een nieuwe postzegel. In de aanzwellende regen.
Ik bedoel maar: begrijpelijk is het wel, dat mensen geen brieven meer sturen. En dat ze het leven niet aankunnen. Ja, dat ook.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant