Defensie heeft de controle-eisen versoepeld zodat Frankrijk kon blijven meedingen naar de miljardenorder om vier nieuwe onderzeeboten te bouwen. Frankrijk wilde niet akkoord gaan met onbelemmerd Nederlands onderzoek naar onder meer de prijsstelling van bouwer Naval Group.
De Tweede Kamer is hierover niet geïnformeerd. Dat blijkt uit gezamenlijk onderzoek van de Volkskrant en de onafhankelijke website met marinenieuws Marineschepen.nl. Blijkens een interne notitie, die de Volkskrant heeft ingezien, heeft de juridische afdeling van Defensie (DJZ) vooraf gewaarschuwd voor deze gang van zaken.
De versoepeling is belangrijk omdat die Naval Group, het enige bedrijf van de drie concurrerende partijen dat in meerderheid in (Franse) staatshanden is, in theorie meer ruimte bood om – zonder controle van buitenaf – onder de prijs te gaan zitten in hun offerte. De andere partijen waren het Zweedse Saab, dat samenwerkte met de Nederlandse werf Damen, en het Duitse TKMS.
Dat de Fransen 1,5 miljard euro onder de prijs van Saab-Damen zaten, heeft een belangrijke rol gespeeld bij het geven van de ‘voorlopige gunning’ voor de bouw van de onderzeeboten aan Naval Group. Met de order is 5,6 miljard euro gemoeid, onderhoudskosten niet meegerekend.
Over de auteur
Arnout Brouwers schrijft voor de Volkskrant over veiligheid, diplomatie en buitenlands beleid.
Volg alles over de kabinetsformatie hier.
Defensie wilde in 2019 de knoop doorhakken ten gunste van de combinatie Saab-Damen, maar die wens werd geblokkeerd door andere ministers in het kabinet, die de concurrentieslag tussen buitenlandse partijen wilden voortzetten. In 2022 ontstond een probleem met de Franse overheid toen deze weigerde een zogeheten Letter of Commitment (LoC) te ondertekenen die basisvoorwaarden stelde aan de drie bedrijven die de order wilden binnenhalen. Een van die voorwaarden was dat er een Nederlands onderzoek, een ‘audit’, zou worden gedaan naar de betrouwbaarheid van de offertes en dat de partijen daar alle medewerking aan moesten verlenen. Parijs stelde dat Franse wetgeving dat verbiedt en dat Naval Group alleen door Franse auditinstanties gecontroleerd mag worden.
Er ontstond maandenlang getouwtrek waarbij volgens een bron ‘de Fransen een enorme lobby in gang zetten om de eis te laten vervallen’. In de later overeengekomen concept-Memoranda of Understanding (MoU’s) met de betrokken landen zijn de harde eisen van een Nederlandse audit vervallen. Nu moeten de bedrijven ‘maximaal meewerken’ voor zover mogelijk binnen hun ‘nationale wetten, voorschriften en openbaarmakingsbeleid’.
Dat betekent dat ook voor de miljarden die na ingebruikneming van de onderzeeboten nog zullen worden uitgegeven aan onderhoud van en aanpassingen aan de onderzeeboten de komende tientallen jaren, de mogelijkheid voor de Auditdienst Rijk (ADR) om de prijsstelling van Franse voorstellen te onderzoeken ernstig beperkt is.
In de interne discussie hierover trok de juridische afdeling van Defensie aan de bel om te wijzen op de ‘juridische risico’s’ van ‘het aanpassen van de eisen ten gunste van Frankrijk’. Een daarvan was dat deze stap door andere partijen ‘kan worden gezien als een poging om Frankrijk te bevoordelen’. Dit risico zou kunnen worden verkleind door die aanpassing van de eisen tenminste transparant en voor alle partijen door te voeren.
Een tweede risico dat de DJZ noemde is dat het ‘wekken van onjuiste verwachtingen richting Frankrijk juridisch nadelige gevolgen kan hebben’. Nederland had immers duidelijk gemaakt aan Frankrijk dat de Nederlandse auditeis overeind bleef staan. Als Nederland het ‘opportuun’ achtte om de precieze invulling van de auditeisen ‘vooruit te schuiven’ zodat de Fransen toch in de race konden blijven, was dat problematisch.
‘Het moet te allen tijde voor Frankrijk en Naval Group duidelijk zijn dat het niet verschaffen van toegang aan de ADR ertoe kan leiden dat Naval Group desnoods in een later stadium alsnog wordt uitgesloten van deelname aan de procedure.’
De Tweede Kamer sprak in december 2020 in een uitgangspuntennotitie van de vaste commissie voor Defensie de verwachting uit dat de ADR en de Algemene Rekenkamer een ‘onbelemmerd recht tot audit’ zouden krijgen, ook bij de buitenlandse partijen, en dat deze ‘niet wordt uitgesloten in door de minister gesloten non-disclosure agreements’.
De Kamer is niet op de hoogte gebracht van de versoepeling van de auditeisen, ook niet na recente Kamervragen over de rol van de ADR. Staatssecretaris van Defensie Christophe van der Maat stelde tegenover de Kamer dat de ADR een ‘belangrijke rol’ speelt en ook onderzoek zal doen ‘naar de financiële voortgang tijdens de ontwikkel- en realisatiefase’. Hij vermeldde er niet bij dat haar rol is beperkt na Franse bezwaren.
Dat het kabinet bereid was zich zo soepel op te stellen jegens Frankrijk is des te opvallender omdat het niet bereid is geweest andere eisen, die moeilijk waren voor het Duitse TKMS om aan aan te voldoen, te verzachten. Zo is de offerte van het Duitse bedrijf uiteindelijk niet eens beoordeeld volgens het puntensysteem waarmee Defensie te werk ging, omdat het bedrijf werd uitgesloten op grond van eisen waarvan de Duitsers vooraf hadden aangegeven dat ze er niet aan konden voldoen. Een van die eisen was dat er tijdens de bouw van de onderzeeboten geen wijziging zou zijn in controlerend eigendom van het bedrijf.
De landsadvocaat adviseerde midden 2022 aan Defensie dat het ‘zonder goede (zwaarwegende) gronden niet is toegestaan om bij de uitvraag knock-out eisen te stellen waarvan Defensie weet of behoort te weten dat (een van) de werven daar niet aan kan voldoen’. Het Duitse bedrijf heeft inmiddels bezwaar aangetekend tegen de voorlopige gunning.
In een reactie zegt Defensie wegens het vertrouwelijke karakter niet te kunnen ingaan op interne ambtelijke advisering en gesprekken met buitenlandse overheden. ‘In zoverre Defensie in het kader van het programma VOZBT (vervanging onderzeeboten, red.) eisen heeft bedongen, zijn deze eisen voor alle betrokkenen gelijk. Dat geldt voor alle eisen, dus ook die met betrekking tot audits.’
Volgens Defensie is een onderzoek naar de offertes ook niet nodig, omdat er twee geldige biedingen zijn gedaan. Staatssecretaris Van der Maat liet eerder al weten dat het prijsverschil van 1,5 miljard euro tussen het Franse en het Zweedse bod geen aanleiding is om nader onderzoek in te stellen. Volgende week debatteert de Kamer met het demissionaire kabinet over de voorlopige gunning aan Naval Group.
Tien jaar nadat Nederland had besloten dat het tijd was voor vervanging van zijn vier onderzeeboten – die nog in Nederland zijn gebouwd en die begin jaren negentig in de vaart werden genomen – hakte het kabinet dit voorjaar de knoop door: de order werd op 15 maart voorlopig gegund aan de Franse Naval Group.
De ‘voorlopige gunning’ is het resultaat van een jarenlange competitie tussen eerst vier en – nadat de Spanjaarden tussentijds waren afgevallen – later drie bedrijven: behalve Naval het Zweedse Saab, dat zich verbond aan de Nederlandse werf Damen, ook het Duitse TKMS.
Frankrijk liep een paar jaar geleden een onderzeeboottrauma op toen Australië terugkwam op een deal met de Fransen en alsnog in zee ging met de VS en het Verenigd Koninkrijk. Dat Nederland het Franse bod nu de ‘beste boot voor de beste prijs’ vindt, is een pleister op de wonde.
Het project voor de vervanging van de onderzeeboten heeft al verschillende malen te maken gekregen met kostenverhogingen, zo memoreerde de Algemene Rekenkamer in een recent rapport. Het voorlopige gunningsbesluit is wel ‘navolgbaar en zorgvuldig’ tot stand gekomen, concludeert de Rekenkamer. ‘Het gunningsproces is volgens de regels verlopen.’
Komende week wordt de order besproken in de Tweede Kamer. Hete hangijzers daar zijn onder meer de vraag of de betrokkenheid van de Nederlandse industrie bij de bouw van de onderzeeboten wat voorstelt en of het voornemen om de nieuwe boten in te richten voor het afvuren van Tomahawk-kruisraketten zo probleemloos zal verlopen als Defensie het voorstelt.
De tijd dringt voor de vervanging. Van de huidige vier boten van de Walrusklasse is er eind vorig jaar een uit de vaart genomen, een tweede volgt spoedig. Met de onderdelen van deze twee karkassen wil de marine de resterende twee zolang als verantwoord is in de vaart houden. Met Naval is afgesproken dat het de eerste twee boten binnen tien jaar na ondertekening van het leveringscontract oplevert.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant