In de film Kunstroof, over de zeven wereldberoemde werken die in 2012 uit de Kunsthal werden gestolen, volgen we de klungelige daders van begin tot eind. Dat levert niet alleen een spannende film op, maar ook een boeiend verhaal over de waarde van kunst.
‘Laten we bij het begin beginnen’, klinkt het in de eerste scène van de film Kunstroof. ‘Hoe ben je op het idee van deze roof gekomen?’
‘Weet ik veel’, antwoordt een Roemeense jongen van eind twintig nukkig. Onrustig kijkt hij om zich heen in een ouderwets, houten politiekamertje. ‘Ik neem aan dat je geld nodig had’, zegt de verhoorder. ‘Misschien’, zegt de jongen. Hij wrijft verveeld in zijn oog. ‘Misschien ook niet.’
Over de auteur
Marsha Bruinen schrijft voor de Volkskrant over hedendaagse beeldende kunst.
Dit is geen écht politieverhoor waar we naar zitten te kijken. De Roemeense jongen, Radu, en de politieagent worden gespeeld door acteurs. Maar regisseur Jorien van Nes heeft hun dialoog wel direct overgenomen uit het originele politieverhoor. Zo brengt ze ons terug naar begin 2013, wanneer Radu samen met drie vrienden wordt opgepakt voor niets minder dan ‘de kunstdiefstal van de eeuw’.
Zeven schilderijen en tekeningen hebben ze op 16 oktober 2012 uit de Kunsthal in Rotterdam gestolen, waar de werken op dat moment te zien waren in een tijdelijke tentoonstelling van bruiklenen van een beroemd verzamelechtpaar. Picasso, Gauguin, Matisse, Monet, Meijer de Haan en Lucian Freud: in slechts twee minuten en 48 seconden wisten de jongens de wereldberoemde namen van de muren te trekken.
Hoe breng je als regisseur het verhaal over die destijds zo veelbesproken roof in beeld? Je zou een speelfilm kunnen maken, met Radu en zijn vrienden als hoofdpersonages. Of een documentaire, waarin je allerlei betrokkenen erover aan het woord laat. Van Nes doet beide in Kunstroof: de film is een mix van fictieve scènes, die de regisseur baseerde op de getuigenissen van de jongens, en meer documentaire elementen, zoals interviews met detectives, conservatoren en advocaten.
‘Ik wilde terug naar het moment van de roof’, zegt Van Nes op het terras van een Haarlems café. Toen ze de echte Radu sprak, ergens in ‘een beachclub-achtige toestand aan de Zwarte Zee’, kwam hij aanzetten met allerlei ‘achteraf gefabriceerde verhalen’, vertelt ze. Het zou zijn schuld niet zijn, maar die van de Kunsthal: zij zouden eigenlijk aangeklaagd moeten worden, voor hun gebrekkige beveiliging!
Fascinerend natuurlijk, maar Van Nes wil juist terug in de tijd, naar de getuigenissen die de jongens destijds aflegden, de verklaringen die ze tóén gaven. Dat lukt als ze verslagen van de politieverhoren uit 2013 in handen krijgt. ‘Het was enorm interessant om die verhoren in te kunnen zien. Tijdens het lezen voelde het alsof ik daar aan tafel zat, met die jongens en de politie.’
Dat effect heeft Kunstroof ook op de kijker. Als kijker leun je niet achterover, luisterend naar een reeks droge terugblikken, maar zit je op het puntje van je stoel terwijl de regisseur de diefstal spannend en zo getrouw mogelijk reconstrueert. We volgen de jongens vanaf het moment dat hun familie ze emotioneel uitzwaait in Roemenië tot de roof in Rotterdam – waarna de stress volgt zodra internationale media de diefstal met veel bombarie verslaan.
‘This was a very well planned theft’, zien we een Amerikaanse verslaggever verkondigen. ‘Een nachtmerrie voor iedere museumdirecteur’, noemt toenmalig Kunsthal-hoofd Emily Ansenk het. Gedurfd, goed voorbereid: iedereen is het erover eens, dit moet een professionele criminele organisatie zijn geweest.
Wat Van Nes mooi laat zien: dat waren Radu, Eugen, Adrian en Bitu helemaal niet. Ze zijn een jonge vriendengroep uit Roemenië. Met een strafblad weliswaar, onder andere wegens vernieling en geweldpleging, maar een museum bestelen? Dat hebben ze nog nooit gedaan. Vlak na de toetreding van Roemenië tot de Europese Unie zijn ze naar Nederland gekomen om hier een grote knaller te maken. Van een vriend krijgen ze de tip dat kunstwerken veel waard kunnen zijn. Dus wat doen ze? Ze typen ‘museum’ in op een navigatiesysteem en kijken waar ze naartoe worden gestuurd.
‘Toen ik dat hoorde, wist ik: dit is een film’, zegt Van Nes. ‘Ik zag alle ingrediënten voor een goede heistfilm: de huis-tuin-en-keukenachtige manier waarop de jongens te werk gaan, de naïviteit waarmee ze zo’n museum in lopen en de paniek die daarop volgt.’ De jongens krijgen de werken namelijk maar niet verkocht: men blijkt niet zo happig op het kopen van een wereldberoemd gestolen kunstwerk voor boven de keukentafel. Als een van hun verkooppogingen ertoe leidt dat ze worden aangegeven, worden moeder, tante en vriendinnen opgetrommeld om de rommel op te ruimen. Er wordt een gat gegraven, een koffer verstopt, een vuur aangestoken.
Die scènes wisselt Van Nes af met gesprekken die ze voerde met mensen die meer van de roof afweten, zoals kunstdetective Arthur Brand, die veel in beeld komt. Hij heeft talloze kunstdiefstallen weten op te lossen en houdt zich ook met deze roof nog steeds bezig.
En Okkie Durham, die in 2002 twee schilderijen uit het Van Gogh Museum stal. Tegen detective Brand – de twee begroeten elkaar als oude vrienden – vertelt hij over de gebrekkige beveiliging van de Kunsthal ten tijde van de roof door de Roemenen. Er waren ’s nachts geen bewakers aanwezig. De buitenwereld en expositiezaal werden door slechts een branddeur van elkaar afgescheiden. ‘Ik ben bij die deur gaan kijken. Dat is gewoon lachwekkend man. Die gasten hebben dat gezien en hun ogen niet geloofd.’
Wat ook niet hielp: de ‘bijna doorschijnende’ architectuur van de Kunsthal. Wie weleens een bezoek heeft gebracht aan de Rotterdamse bruikleenhal, weet dat je van buitenaf zo de tentoonstellingszaal in kunt kijken. Ook de expositie met topstukken waar de jongens voor vielen was ‘helemaal open en bloot’ van buiten te zien, zegt Van Nes: voor de Kunsthal een belangrijke manier om toegankelijk te ogen, voor de kunstrovers de belofte van een jackpot.
‘Er vallen twee werelden over elkaar heen op dat moment’, zegt de regisseur: die van het museum en die van de jongens. En zo ontmoeten nog meer verschillende werelden elkaar in Kunstroof, werelden die elkaars taal soms niet spreken. Als Peter van Beveren, oud-curator van de collectie die in de Kunsthal werd tentoongesteld, door de politie wordt uitgenodigd voor een gesprek over de gestolen ‘schilderijen’, wijst hij ze er meteen op dat twee van de geroofde kunstwerken helemaal geen schilderijen zijn, maar tekeningen: werken op papier, dus, in plaats van op doek. Gemaakt met pastel, in plaats van met verf. ‘Maakt dat verschil uit?’, vraagt de politie. Ja-ha, hamert Van Beveren: ‘Zo gauw je zo’n tekening van Claude Monet uit de lijst haalt, is er al bijna niets meer van over.’
Met vriendelijke blauwe ogen vertelt ook hoofdinspecteur van de politie Raymond Kolsteren over de ochtend na de roof. Tot dan werkt hij voornamelijk aan moordzaken en ontvoeringen. Als hij wordt gebeld over de Kunsthal, denkt hij: wat moet ik met een kunstroof? Ik heb daar helemaal niets mee!
Daar is sinds de roof en het politieonderzoek verandering in gekomen. Als hij Van Nes reproducties van de gestolen kunstwerken laat zien, zegt hij terloops over het schilderij Woman with Eyes Closed (2002) van Lucian Freud: ‘Dit is mijn persoonlijke favoriet.’ De regisseur vraagt meteen door. ‘Waarom vind je die mooi?’ Kolsteren kijkt naar het schilderij: een klein portret van een vrouw met dichte ogen, gemaakt met dikke lagen olieverf. ‘Als ik daar lang naar kijk, vind ik het wel een heel apart schilderij.’ Haalt de schouders op: ‘Intrigeert.’
De inspecteur begrijpt inmiddels de wereldwijde ophef die na de roof is ontstaan. Van Nes maakt die ook voor de kijker invoelbaar, door bij sommige kunstwerken langer stil te staan. Bij het portret van Freud hoort een bijzonder en ontroerend verhaal over de afgebeelde vrouw, die tijdens het poseren kanker heeft en van moeheid haar ogen niet de hele tijd open kan houden. En het gestolen zelfportret van Meijer de Haan is volgens kunsthistoricus Benno Tempel een uniek en ‘absoluut hoogtepunt’ uit zijn oeuvre.
‘De roof zelf is natuurlijk een hartstikke smakelijk verhaal’, zegt Van Nes. ‘Maar we wilden ook iets vertellen over de kunstwerken, over hun waarde en hoe die afhangt van degene die ze in handen heeft.’ Voor de moeder van Radu, die alles doet om haar zoon te helpen, zijn die paar topstukken niet zo belangrijk. Voor oud-curator Van Beveren wel: hij beschouwt de kunstwerken een beetje als ‘zijn kinderen’.
Naast een spannende reconstructie met open einde – of de gestolen werken nog ergens zijn, en waar dan, blijft onduidelijk – is Kunstroof ook een boeiende verzameling van blikken op kunst geworden. Met als stuwende vraag: wat raakten we precies kwijt in 2012? Wat is de waarde van kunst, en voor wie?
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant