Home

Windsurfer Bart Verschoor werd vierde op de Spelen van Seoul: ‘Het was een tranendal, vijf dagen lang’

Deze zomer maken ruim tienduizend sporters in Parijs jacht op olympische roem. Maar wat gebeurt er als je net naast de medailles grijpt? In een tweewekelijkse serie herbeleven Nederlandse deelnemers het moment dat ze in de allerbelangrijkste arena op de ondankbaarste plek belandden. Vandaag: windsurfer Bart Verschoor (59), vierde op de Spelen van Seoul in 1988.

‘Ik wist na de finish niet onmiddellijk op welke plek ik nou was geëindigd, de onderlinge verschillen waren klein. In de laatste van de zeven races zeilde ik de hele tijd achter mijn grootste concurrent aan. Die zat constant zo’n 10 meter voor me. Ik dacht alleen maar: glij uit, glij uit. Maak een fout! Maar ja, dat dacht hij ook, en degene die achter mij aan zat, hoopte dat het mij zou overkomen.

‘Het was worstelen in best heftig weer, het kan bij Pusan in het zuidoosten van Zuid-Korea behoorlijk tekeergaan. Er stond die dag behoorlijk veel wind. Als de stroming tegen de windrichting ingaat, krijg je van die steile golven. Dan duik je telkens een diep dal in. Bij de zeilboten waren er veel over de kop geslagen.

Over de auteur
Rob Gollin is sportverslaggever voor de Volkskrant en schrijft vooral over wielrennen. 

Tranendal

‘Maar toen ik aan de wal kwam, zag ik het al aan de gezichten van de bondscoach, Henri van der Aat, en een bevriende zeiler, Guido Alkemade. Ik herkende het plaatsvervangende balen. O nee, dacht ik. Het was een tranendal, meteen. Ik heb vijf dagen gehuild. Ik heb nooit beweerd dat ik wel even een medaille ging ophalen, maar stilletjes hoopte ik er wel op. Ik zat in de jaren ervoor in internationale wedstrijden telkens zo rond de vijfde plek, soms stond ik op het podium. Het was ook mijn strategie om niet veel prijs te geven. Als je naast je schoenen gaat lopen, verlies je het sowieso.

‘Dat ik zo lang heb gehuild, moet een ontlading zijn geweest van de concentratie die ik had opgebouwd. Je weet van tevoren: hoger dan de Spelen kun je niet komen. Nadat ik me had gekwalificeerd, was ik alleen maar bezig met het vinden van de laatste grammetjes om nog beter te worden. Letterlijk ook: ik heb een tijdje alleen maar sla gegeten, omdat ik gewicht wilde verliezen. Totdat ik een keer tijdens een zware training zomaar flauw van de plank viel. Het was verstandiger toch maar een diëtist te raadplegen. Ook zoiets: ik had lang haar, maar ik had me vlak voor de Spelen stekeltjes laten aanmeten. De bondscoach vond het niks. Maar ik was zelfverzekerd. Ik zei: jij hoeft me nu niet meer te vertellen wat ik moet doen. Ik voel me hier goed bij. Maar dan ben je vierde geworden en besef je dat je dat ene, allerlaatste grammetje toch niet hebt gevonden.

‘Wat meespeelde, is dat ik graag naast Bruce Kendall op het podium had willen staan. Hij won goud. Hij was een van de Nieuw-Zeelanders die in de begintijd bij ons thuis in Baambrugge kwamen als ze deelnamen aan het Europese circuit. Mijn vader heeft nog een oude Mercedesbus voor ze gekocht. We ontwikkelden een sterke band. Het was zo mooi geweest om te kunnen zeggen dat we het met z’n tweetjes hadden geflikt, Bruce en ik, allebei een olympische medaille. Maar het was: hij wel, ik niet.

Afgeleid

‘Misschien was ik ook wat afgeleid. Een deelnemer had geklaagd over het materiaal; iedereen moest destijds nog onderling van plank wisselen. Hij vond gehoor en kreeg wat extra punten. Het was een detail, ik wist dat ik er eigenlijk boven moest staan, maar ik maakte het te belangrijk. Het is beter om het hier maar niet meer over te hebben.

‘Het water, het zicht op de horizon, ze bepaalden al vroeg mijn leven. Mijn vader was organisatieadviseur bij Berenschot. Zodra hij thuiskwam, zette hij zijn koffer neer en ging alle energie naar zijn zeilboot, de Dikkes, tien meter lang. Daarmee gingen we in de weekeinden en de vakanties vanuit Amsterdam naar de Wadden, Terschelling vooral, of naar Engeland, Frankrijk en Scandinavië. Het hele gezin zat aan boord, ik had vier zussen en een broer, ik was het nakomertje. De Dikkes lekte nogal, wij zaten boven te zeilen en benedendeks was mijn moeder aan het pompen. Intussen zette ze koffie en bakte ze eitjes. Het was echt de liefhebberij van mijn vader.

‘Samen met een neef begon ik met windsurfen, in Friesland. We belandden telkens in de rietkraag, dan sleepten we elkaar weer terug het meer op. Een week later konden we het. Het is magisch dat je één bent met het vaartuig. Elke centimeter beweging beïnvloedt de ligging van de plank. Je bent onderdeel van de tuigage. Ik ging al snel meedoen aan wedstrijden, eerst op regionaal niveau. Op het Abcoudermeer won ik mijn eerste prijs.

Strijd met vader

‘Ik heb een enorme strijd met mijn vader moeten voeren. Op mijn 15de wilde ik van de mts af, op het Kamerlingh Onnes Laboratorium in Leiden leerde ik voor instrumentenmaker. Maar ik was aangestoken, ik beleefde ongelooflijk veel plezier aan de wedstrijden. Hij vond dat ik een echt vak moest leren.

‘Je moet weten: ik ben dyslectisch en heb dyscalculie, dus problemen met letters en cijfers. Er is van alles geprobeerd, op de lagere school al. Remedial teaching. Motorische oefeningen, zoals balletjes overgooien en touwtjes trekken tussen spijkers op een bord. Elektrodes op mijn hoofd. Leraren zaten maar te drammen. Ga door, probeer dit eens. Achter de draaibank was ik op m’n best, maar op de mts raakte ik verstrikt in wiskunde.

‘Ik zei thuis: ik kan niet meer naar school, ik moet naar EK’s en WK’s in het buitenland, het gaat de goede kant op, ik voel het. Mijn vader vroeg of ik dat uit kon leggen. Maar ik had de woorden niet paraat. Ik liet hem de beker zien die ik op het Abcoudermeer had gekregen. Kijk, dit is het. Hij zwichtte niet. Hij vond dat hij niet tegen zijn jongste kind kon zeggen: ga maar, doe maar. Dat is tegenwoordig toch wat makkelijker. Mijn zoon en mijn dochter – ze zijn nu mid-twintig – heb ik veel meer de vrije keus gelaten. Het ging uiteindelijk toch wat schuiven. Ik mocht naar het WK in Perth, in Australië, en kreeg de vliegreis betaald. Als lid van de kernploeg ontving ik 1000 gulden per maand. Dat maakte toch wel indruk. Maar het heeft me zo’n vier jaar aan conflicten gekost, vier jaar huilbuien. Stoppen met school voelde als een bevrijding. Eindelijk was ik los.

‘Nee, ik heb me nooit als potentiële opvolger van Stephan van den Berg gezien. Toen hij vier jaar eerder in Los Angeles goud won, keek ik niet eens. Alles stond in het teken van mijn eigen ontwikkeling. We monteerden ijzers onder de plank om het ijs op te gaan, we gingen erop snowboarden op de Hoge Venen in België. Ik leerde van meteorologen wat donkere wolkjes betekenen voor de draaiing van de wind. Met coaches besprak ik strategieën. Het was doorzettingsvermogen, maar tegelijkertijd bewijsdrift. Zie je wel, vader, dat ik het kan?

‘Het heeft maar kort geduurd. Op mijn 17de was ik lid van de kernploeg, ik was 24 in Seoul. Het lijkt onbeschrijfelijk veel langer. Zoveel geleerd, zoveel gedaan. Ik zou graag teruggaan in de tijd. Het was de eenvoud van het leven en tegelijkertijd een rijkdom aan voldoening. Het was ook de blijdschap dat ik had doorgezet. Als ik er nu op terugkijk, overheerst toch ook tevredenheid over die vierde plek.

‘Maar toen ik daar in Pusan met dat diploma in mijn handen stond, wist ik het al zeker: ik ga wat anders doen. Een professioneel zeiler, een Nederlander, zocht mensen die zijn boten wilden bouwen, boten van composiet. Je moest ervoor naar Engeland in de winter en in de zomer kon ik als bemanningslid deelnemen aan wedstrijden. Vrijwel iedereen die op de Spelen was geweest, ging nog zeker vier jaar door, maar ik was ineens botenbouwer. Ik had een baan. Ik denk toch dat ik uiteindelijk onbewust naar mijn vader heb geluisterd.

‘Later nog heb ik nog allerlei disciplines beoefend. Dekbeslag van zeiljachten restaureren, meubels maken, interieurs bouwen, ik heb zelfs in mijn eentje hier in Amsterdam twee huizen ontworpen en opgetrokken; ik had het nog nooit gedaan. Ik kan mezelf nu architect noemen. Het is nog altijd bewijsdrift – ook zonder school kun je veel klaarspelen. Zoiets neem je mee uit de topsport. De keerzijde is er ook. Ik heb last van mijn heupen en de pezen in mijn handen zijn versleten, het is begonnen met dat zeilen.

‘Voor mijn vader had ik die switch niet hoeven maken. Toen ik uit Zuid-Korea terugkwam, stond hij op Schiphol. Hij had een brief van vier kantjes geschreven. Het was zijn analyse van het loslaten. Hij maakte zijn excuses dat hij pas later is gaan inzien welke waarde zo’n proces in de topsport kan hebben en sprak zijn vertrouwen in mij uit. Hij leeft al lang niet meer, maar – je merkt het – ik raak nog steeds geëmotioneerd als ik het erover heb. Dit was ook zo mooi: hij gaf me een koperen medaille.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next