Jaren geleden heb ik een keer mijn tanden stukgebeten op een boek van Willem Schinkel, hoogleraar theoretische sociologie aan de Erasmus Universiteit. Veel in dat boek snapte ik niet en als ik het wel snapte, was ik het er vaak niet mee eens. Op grond van die ervaring had ik Schinkel geplaatst in een persoonlijke categorie waarin ik ook Derrida heb staan, namelijk ‘denkers die geen rekening houden met mensen zijn auteurs die geen rekening houden met lezers’.
Daar ben ik nu helemaal van teruggekomen. Ik heb van Schinkel net een bundel aforismen gelezen die hijzelf liever ‘aphonismen’ noemt, Waarom ik geen mobiele telefoon heb. Niet alleen snapte ik al die aphonismen, ik was het bijna overal mee eens en ik las ook nog dingen die ik zelf nooit zo had doordacht. Ronduit ijzersterk vond ik deze flashback naar de begindagen van ons digitale prachttijdperk:
‘De eerste lui die een mobiele telefoon hadden, zagen er voor mij (en als ik het mij goed herinner voor veel andere mensen) uit als yuppen, corporate kwezels en anderszins foute types die vooral een maniakale obsessie met hun ego en met het uitstralen van succes hadden. Wat zegt het (...) dat de early adopters zulke afgrijselijke types waren?’
Niet goeds hè. Ik vond die mensen die midden jaren negentig al pontificaal op straat liepen te bellen dermate abominabel dat ik dacht dat er een afschrikwekkende werking van uitging. Dat was, eufemistisch gesteld, verkeerd gezien. Een paar jaar later liepen ook collega’s, buren en familieleden met die rottelefoons rond. Weer een paar jaar later, in 2001, in het tweede jaar van mijn Oost-Europese correspondentschap, kreeg ik in Boekarest een telefoontje van de buitenlandredactie van de Volkskrant met een ‘aankoopinstructie’ waarover ‘verder geen discussie mogelijk’ was: ik bleek de enig overgebleven correspondent zonder rotding.
Mijn petje af voor een vrij jonge hoogleraar sociologie die in 2024 nog steeds zonder rotding door het leven gaat.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns