Met documentairefotograaf Bertien van Manen is een internationaal gelauwerde fotograaf overleden. Altijd zocht ze naar schoonheid op plekken – of ze nu tussen mijnwerkers of hillbillies verkeerde – waar schoonheid voor anderen maar moeilijk te ontwaren viel.
Bij de opening van een van de laatste tentoonstellingen die Bertien van Manen van haar eigen werk meemaakte, voorjaar 2023, was ze veroordeeld tot de rolstoel. Met aangepast vervoer was ze overgebracht naar Heerlen, de stad waar ze opgroeide, waar in Schunck Glaspaleis de expositie Gluckauf opende, met Van Manens foto’s van mijnwerkers en hun gezinnen in Tsjechië, Siberië, Yorkshire, de Appalachen in de Verenigde Staten.
Het was geen onverdeeld genoegen geweest, vertelde ze de Volkskrant. Ze was er, omdat ze zo laag zat, ‘omgeven door reuzen’. Die ervaring moet de fotograaf, die een leven lang op zoek was naar intimiteit, fysieke nabijheid en warmte, bij alle voldoening over haar homecoming een gevoel van eenzaamheid hebben gegeven.
Van Manen, geboren in Den Haag, probeerde te herstellen van een verkeersongeval dat in 2022 haar broze lichaam ernstig beschadigde en een lang verblijf in het revalidatiecentrum noodzakelijk maakte. Daar wist ze zich omgeven door ‘schatten van Amsterdammers’ met een gevoel voor humor dat zij niet met hen deelde. Ze maakte er, daar in de omgeving van beton en asfalt in Slotervaart, het beste van. In het besef dat ze haar bovenwoning, met die krappe trappetjes en het atelier dat uitkeek op het grachtenwater, nooit meer zou terugzien. Zondag is ze op 89-jarige leeftijd in een verzorgingshuis in Amsterdam overleden.
Over de auteur
Arno Haijtema is redacteur bij de Volkskrant en schrijft onder meer over fotografie en de manier waarop nieuwsfoto’s ons wereldbeeld bepalen.
De internationale roem die haar ten deel is gevallen – nog eens bevestigd in Schunck – wordt al weerspiegeld door een willekeurige greep uit haar erelijst van meer recente exposities: in MoMA in New York (2005), Fotomuseum Winterthur, Zwitserland (2013), Boston Museum of Fine Arts (2016) en, in 2020, een groot retrospectief in Stedelijk Museum Amsterdam, vlak voor de corona-uitbraak geopend. Van Manen, dochter van een mijningenieur die in haar jeugd in een kil, chic Limburgs thuis juist hunkerde naar de knusse warmte van de mijnwerkerswoning, heeft met haar automatische kleinbeeldcamera de wereld veroverd.
Eigenzinnig, avontuurlijk en voor de duvel niet bang was Van Manen. Ze begon haar carrière als modefotograaf voor Viva en de glossy Avenue. Ze ontdekte dat ze zich ondergeschikt diende te maken aan de gril en wil van de artdirector en besloot: dit is niks voor mij. Ze had kennisgemaakt met het fameuze fotoboek The Americans van Robert Frank, en verpandde, bevrijd, in zijn navolging haar hart aan de documentairefotografie.
Haar eerste boek, Vrouwen te gast uit 1979, brengt in zwart-wit de eenzaamheid van migrantenvrouwen in beeld op een zeker toen nog zeldzaam intieme en nabije manier: individuen in hun eigen omgeving. Geen tijdelijke bezoekers die komen en gaan – zoals destijds nog vaak over ‘gastarbeiders’ werd gedacht – maar volwaardige burgers die hier met hun kinderen aan de toekomst bouwen en die erbij horen.
Andere reportages en boeken uit die vroege jaren van Van Manens loopbaan behandelden het feminisme, de mijnwerkers van Yorkshire en het leven van nonnen in het klooster. Foto’s uit Hongarije van nog vroeger datum, 1975, legden al haar interesse bloot voor het leven in Oost-Europa. Net als de nieuwsgierigheid naar het alledaagse leven van gewone mensen, die de rode draad in haar oeuvre zou vormen.
Zie ze ploeteren, de gewone Hongaren in de armoedige communistische dictatuur. Maar ook: zie ze in het koffiehuis, in de tram, op straat en het station, met hun onderlinge warmte en solidariteit, die geen dictatuur kapot krijgt. Pas in 2017 resulteerden de Hongaarse foto’s in een boek, het door de Engelse collega-fotograaf Stephen Gill samengestelde I Will Be Wolf.
Eind jaren tachtig, ze verwisselde het onder documentairefotografen gangbare zwart-wit steeds vaker voor kleur, rook Van Manen nieuwe kansen. De Sovjet-Unie, het in zichzelf gekeerde, economisch vastgelopen en gedeprimeerde wereldrijk, trachtte zich onder leiding van Michail Gorbatsjov te ontworstelen aan de giftige erfenis van Lenin en Stalin. Gorbatsjovs glasnost en perestrojka zetten de luiken open, de Muur viel en de grenzen vielen weg. Van Manen toog meteen oostwaarts, naar de plekken die voorheen voor buitenlanders altijd verboden waren geweest.
Op het platteland en in verre Siberische steden trof ze afwisselend idyllische en huiveringwekkende taferelen aan. De tijdloze schoonheid en stilte van het platteland bij zonsondergang, een vriendenmaaltijd met knapperig brood, kersen en zoutig mineraalwater, twee vrouwen in een kuurbad, totaal ontspannen. Maar ook: de zuipfestijnen die, opgeluisterd met lege flessen wodka als bungelende lampionnen aan de slingers, allang niet meer feestelijk zijn. Een man danst wankelend op zijn laatste benen, een ineengedoken vrouw grijpt in haar haren, uit wanhoop om haar eigen dronkenschap.
A Hundred Summers, A Hundred Winters heet het boek waarin de foto’s uit de post-Sovjettijd hun weerslag vinden. Ze hield, vertelde ze, van de kleuren in Rusland: naturel, niet synthetisch zoals in het Westen. Ze was ook bevattelijk voor de Russische mentaliteit: ‘Mensen zonder franje en aanstellerij.’ Als ze kwaad zijn, zijn ze écht kwaad, zijn ze blij, dan vieren ze met heel hun hart.
Van Manen reisde naar de hillbillies, de straatarme en vaak verpauperde witte mijnwerkersgezinnen in de Appalachen. Werkloosheid en gewelduitbarstingen gaan er vaak over van generatie op generatie – vergeten Amerikanen in verlaten oorden, zonder perspectief. Behoedzaam en vasthoudend wist Van Manen zich bij zulke families binnen te praten om, te midden van een vader lurkend aan de Budweiser, een grommende pitbull aan de ketting en kinderen die achteloos spelen met een geladen pistool, de warmte en liefde te fotograferen die daar ondanks alles óók te vinden zijn.
Menig dronkenlap met amoureuze bedoelingen moest ze weren uit haar bed, fysieke risico’s sloot ze niet uit. Een tijd fotografeerde ze in een Siberische mijnstad: na elk bezoek kwam ze thuis in Amsterdam met een longontsteking door de vergiftigde lucht. Ze bereisde onbekende steden en dorpen in China (East Wind West Wind, 2001) op de grens van het bijna voorbije verleden en de aanstormende moderniteit en industrialisatie. Ze slechtte er eventuele cultuurkloven tussen oost en west met ongekend persoonlijke en kleurrijke beelden, geen spoortje van het collectivisme of de uniformiteit waarmee leven in de dictatuur zo vaak wordt vereenzelvigd.
Het Oosten – Rusland, Siberië, Kazachstan, Moldavië, Georgië, Oekraïne – bleek een bijna onuitputtelijke bron voor Van Manen. In 2011 verscheen Let’s Sit Down Before We Go, eveneens samengesteld met Stephen Gill. De foto’s hierin, gemaakt tussen 1991 en 2009, tonen hoe de stijl van Van Manen evolueerde. Steeds meer speelt toeval een rol in de opnamen, het gegeven dát de fotograaf aanwezig is, wordt steeds belangrijker, compositie en interactie steeds minder. Zozeer cijferde ze haar persoonlijke bemoeienis weg dat ook een, overbelichte, foto van een jochie in een slaapkamer het boek haalde: de opname met Van Manens cameraatje is stiekem door een vriendje gemaakt.
Minder eenduidig werd haar werk, steeds meer kreeg ze lak aan fotografische conventies als uitgekiende belichting, gebalanceerde kadrering of focus op één persoon of onderwerp. Ook in de marge van een foto kan, bijvoorbeeld in een interieur, cruciale visuele informatie schuilen, die misschien meer zegt over een mensenleven dan de toevallige aanwezigheid van de persoon voor de lens. ‘Mijn foto’s zijn niet perfect’, zei ze in 2016, ‘het leven is niet perfect’.
Als fotograaf was Van Manen steeds minder aanwezig in haar werk, dat paradoxaal genoeg steeds persoonlijker werd. In 2009 overleed haar man, Willem van Manen, aan kanker. Een tijd van contemplatie en rouw volgde, waarna het bloed toch weer kroop waar het niet gaan kan: ze maakte lange omzwervingen door Ierland, het ‘einde van Europa’ waar ze, aan de rand van de oceaan, in het eenzame, glooiende, door regenwolken beschaduwde en spookachtige landschap naar sporen van haar verloren geliefde zocht: ‘Er woedde een strijd in me. Ik geloof niet dat hij ergens is, maar tegelijk wíl je het zo graag, je zou hem willen bereiken.’
Het boek dat voortkwam uit haar Ierse omzwervingen Beyond Maps and Atlases (2016) is raadselachtig en gelaagd – steeds als je ernaar kijkt, ontdek je nieuwe elementen. Alsof het werk voortdurend vernieuwt, en het eeuwige leven heeft. Dat is, bij de dood van een grootse fotograaf, een troostrijke gedachte.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant