Jo Verboom is 100 jaar. Hoe kijkt deze gelovige vrouw, die haar leven lang voor anderen gezorgd heeft, terug op de eeuw die achter haar ligt?
Jo Verboom-de Jong is een serieuze, diepgelovige vrouw die haar dagen grotendeels lezend doorbrengt, met een voorkeur voor streekromans en christelijke familieromans. Als kind was ze al verslingerd aan boeken, maar lezen werd gezien als tijdverspilling omdat er een overvloed aan huishoudelijk en ander werk te doen was in het gezin. Daarom deed ze het stiekem ’s avonds, voor het slapengaan, in bed. Op het tafeltje naast de leunstoel van de 100-jarige ligt haar huidige leesvoer: een bijbel, een bijbels dagboek en de romans Op weg naar de ander van Jos van Manen Pieters en De Hoeve aan de Linge, van Mien van ’t Sant, twee bestsellerauteurs in hun genre.
Hoe zien uw dagen er momenteel uit?
‘Ik lees bijna de hele dag, vier à vijf boeken per week, veel anders kan ik niet meer doen. Ik ben heel voorzichtig geworden sinds ik een paar keer ben gevallen, daarom blijf ik het liefst in deze stoel zitten. Gelukkig had ik niets gebroken. Mijn leven lang ben ik nooit ziek geweest: de bof, mazelen, waterpokken, griep – allemaal niet gehad.’
Kijkt u ook veel televisie?
‘Alleen 2 voor 12 op vrijdagavond. Ik ben een jaar geleden gestopt met het volgen van het nieuws. Ik kijk niet meer naar Het Journaal en heb mijn abonnement op het Reformatorisch Dagblad opgezegd. Ik werd beroerd van al het slechte nieuws, wat heb ik eraan om dat allemaal te weten?’
Dus de politieke ontwikkelingen in Den Haag volgt u ook niet?
‘Politiek interesseert mij niet. De laatste keer dat er verkiezingen waren, ben ik niet gaan stemmen. Ik moest er in een rolstoel naartoe en dacht: wat maakt het uit als ik thuis blijf? Gelukkig had de SGP het goed gedaan in de gemeente Montfoort. De SGP is resoluut en staat voor christelijke principes. Ik ben blij dat de partij sinds kort vrouwen toelaat. Vrouwen doen het vaak beter dan mannen, ze zijn veel intelligenter, in alles.’
Hoe kijkt u terug op uw jeugd?
‘Ik had een lieve moeder, ze was zo eerlijk als wat. Mijn vader was streng en de baas in huis. We waren met vier kinderen, drie meisjes en een jongen. Er waren eigenlijk nóg drie kinderen. Mijn moeder was zwanger van een tweeling, maar kreeg na zes maanden een miskraam. En een zusje stierf toen ze negen maanden oud was. We mochten even in het kistje kijken voordat het werd gesloten. Daarna reed een grote zwarte koets voor. Alleen mijn vader en opa’s stapten in. Mijn moeder bleef thuis. Vrouwen mochten in die tijd van de kerk niet mee naar een begrafenis.
‘Ik begreep niet wat er met mijn zusje aan de hand was geweest. Mijn moeder had het over eczeem, daar ga je toch niet dood aan? Mensen waren in die tijd niet verzekerd voor ziektekosten en hadden weinig geld, dus liepen ze niet zo hard naar de dokter als tegenwoordig.
‘We hadden een winkel aan huis aan de rand van Utrecht. We verkochten melk, boter, kaas, eieren, limonade en jam. Mijn vader bezorgde met een handkar boodschappen aan huis. Moeder hielp de klanten in de winkel, de kosten van hun inkopen schreef ze op een briefje, ze mochten later betalen. Maar steeds meer mensen konden de rekening niet meer betalen. Het waren de crisisjaren dertig, met grote werkloosheid en armoede.
‘Er werd weinig gepraat in ons gezin, als kind begreep je vaak niet waarom iets gebeurde. Een jaar na het overlijden van mijn zusje, ik was een jaar of 7, hoorde ik met Pasen mensen van het Leger des Heils zingen op straat. Ik vond het prachtig, liep achter de stoet aan, en raakte steeds verder van huis. Toen ik thuiskwam, stuurde mijn vader mij zonder eten naar boven. Waarom hij boos was, vertelde hij niet. Ik begreep er niets van, ik had toch niks kwaads gedaan? Mijn moeder kwam stiekem eten brengen en zei dat vader mij een kwart liter slagroom naar een klant had willen laten brengen, maar mij niet kon vinden.
‘Ik was 11 jaar toen ik mijn moeder riep: ‘Ik bloed! Ik ga dood!’ ‘Dat valt wel mee hoor’, antwoordde ze, ‘ik geef je een doekje dat je moet indoen. Je bent nu een vrouw.’ Ik begreep niet wat ze bedoelde. Het bloeden ging door, ik was zo bang als een wezel en dacht echt dat ik doodging.’
Heeft u uw eigen dochter later wel voorbereid op haar menstruatie?
‘Ik heb haar verteld hoe het zat, niet met heel veel woorden.’
Welke herinneringen heeft u aan de oorlogstijd?
‘Ik was 16 jaar toen de Duitsers ons land bezetten. Op een dag liep een lange stoet mannen door Utrecht, velen in pyjama, zonder jas. Ze waren vanuit Den Haag komen lopen en gingen naar het station, waar ze op de trein werden gezet naar Duitsland. ‘Kijk maar niet’, hoor ik mijn moeder nog zeggen.
‘In de tweede klas van de mulo sloot de school zijn deuren, de Duitsers hadden beslag gelegd op het gebouw. Verder ben ik nooit gekomen. Ik ben in het huishouden gaan werken, in een winkel en daarna op het politiebureau, arrestanten eten brengen in hun cel. Één kerel ontsnapte via een gat in de muur.
‘Er zaten veel zwarthandelaren in de cel. Aan het eind van de oorlog hadden de meeste mensen niets meer te eten. Wie mooie spullen had, verkocht die aan handelaren om wat voedsel te kunnen kopen. Na de oorlog hoorde ik dat een oud echtpaar uit onze buurt van de honger was gestorven. Doordat mijn vader voor de winkel veel contacten had met boeren, hadden wij wel genoeg te eten.
‘Wat grote indruk op mij maakte, was dat studenten hadden geprobeerd een trein vol oorlogstuig, dat op het station van Utrecht stond, onklaar te maken, zodat hij niet kon rijden. Iemand heeft ze verraden, vier werden er doodgeschoten, de anderen werden naar het politiebureau gebracht. Ik zag dat ze op de binnenplaats met een spuit werden schoongespoeld. Helemaal ontdaan van deze gebeurtenis kwam ik thuis.
‘In het laatste oorlogsjaar had ik mij met een vriendin opgegeven voor een opleiding tot verpleegkundige. Van ons spaargeld hadden we een wit uniform gekocht. Maar mijn vader zei: ‘Dat gaat niet door, breng maar terug. Vrouwen gaan toch trouwen, waarom zou je iets leren?’ Dat vond ik erg, maar vaders wil was wet.’
Heeft u het gemist geen opleiding te hebben gevolgd?
‘Het was niet anders, na de oorlog had ik er ook geen zin meer in. Ik ben in een winkel gaan werken, totdat ik in 1950 met Henk trouwde, die ik tijdens de oorlog had ontmoet op de verjaardag van een vriendin uit de buurt. Eerder trouwen lukte niet door de woningnood.
‘Ik ben niet dom, ik weet nog wel iets van wat ik op de mulo heb geleerd, zoals un, deux, trois, quatre, cinq. Ik heb het altijd erg druk gehad met het huishouden en onze grote tuin. We kregen een dochter en hadden door de woningnood een politieman in huis. Hij zei nooit één woord, ook niet aan tafel tijdens het eten. Dat had denk ik met zijn werk te maken.
‘In 1962 heb ik mijn vader in huis genomen, negen jaar lang, totdat hij ineens neerplofte in de tuin en ter plekke stierf. Mijn moeder was 66 toen ze overleed aan kanker – de artsen namen haar klachten lange tijd niet serieus en toen uiteindelijk longkanker werd geconstateerd, was het te laat. Na haar dood was mijn vader totaal onthand, hij kon helemaal niets in het huishouden. Hij nam twee huishoudsters in dienst, maar die stuurde hij al snel weer weg. De ene wilde met hem trouwen en daar had hij geen zin in. De ander kon wel goed koken, maar deed verder niks.
‘Hij ging het zelf proberen: plukte andijvie uit de tuin en waste die in de sloot waar het riool op uitkwam. Al om 9 uur zette hij het warme eten op dat hij om 12 uur ging eten. Het huis werd een smeerboel, het ging niet, als man alleen. Mijn dochter was 3 jaar toen ik mijn vader in huis nam om voor hem te zorgen – ze genoot van opa die haar alle aandacht gaf en haar vaak verhaaltjes voorlas.’
Voelt u zich nog thuis in deze tijd?
‘Het gaat niet de goede kant op. De mens raakt van het geloof af, dan wordt het er niet beter op in de wereld – en dat is te zien. De samenleving wordt harder, er is veel verschil van mening. Er is geen liefde meer voor elkaar. Als je een ander in nood helpt, gaat het met jou ook goed. Hier in het dorp is het nog niet zo erg, en gaan nog veel mensen naar de kerk. Maar je ziet er nog maar weinig jongeren. De meesten streven alleen naar geld en roem. Daar hadden jongeren uit mijn tijd geen last van, wij waren niet zo kortzichtig.
‘In de kerk hoor je hoe je moet leven, dat je van God moet houden. Als je alles doet voor hem, dan haalt hij je binnen, de hemel in. In de hel is alleen pijn. Niemand weet hoe de hemel eruit ziet, maar het moet heel mooi zijn. Daarom ben ik niet bang voor de dood. Ik wacht rustig af wanneer het mijn tijd is.’
geboren: 9 april 1924 in Utrecht
woont: in een woonzorgcentrum in Linschoten
beroep: huisvrouw
familie: nog een zus (92), een dochter en twee kleinkinderen
weduwe: sinds 1996
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant