Demonstranten op Nederlandse universiteiten vragen om een boycot van Israëlische academische instellingen. Maar hoe denken wetenschappers erover die zélf samenwerken met Israëlische onderzoekers? ‘Als je niet in gesprek blijft, hoe krijg je dan verandering?’
‘Verbreek de banden met Israëlische universiteiten.’ Met de dag klinkt die eis harder op universiteiten. Op de ene na de andere instelling bezetten demonstranten gebouwen of kamperen ze op het campusterrein. In Maastricht gingen studenten zelfs in hongerstaking.
Israëlische universiteiten staan in dienst van de Israëlische staat en het leger, is de kritiek van de activisten, en zijn daarom ‘medeplichtig aan de genocide’ in Gaza. Ze trainen bijvoorbeeld soldaten en ontwikkelen militaire technologie. Zolang Nederlandse instellingen blijven samenwerken met Israëlische zusterinstellingen, zouden zij daarom ook schuldig zijn aan het geweld in Gaza.
De demonstranten zullen zich gesterkt voelen in hun eisen, nu de hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof een arrestatiebevel wil voor de Israëlische premier Nethanyahu (naast Hamas-kopstukken). Nederlandse universiteiten zelf willen daarentegen vooralsnog de lijnen met Israël openhouden. Academische vrijheid is een groot goed, redeneren zij, en bovendien is het goed om lastige onderwerpen te kunnen blijven bespreken en zo invloed te houden.
Maar wat houden die samenwerkingen in de praktijk in en hoe kijken onderzoekers om wie het gaat zelf aan tegen een boycot?
Sommige samenwerkingen lijken inderdaad moreel problematisch. Zo zit de Universiteit Leiden samen met zes grote en achttien kleine partners in het EU-project EU-Glocter. Diverse promovendi gaan onderzoeken hoe landen het beste kunnen omgaan met terrorismedreigingen, op zowel lokaal als wereldwijd niveau.
De Israëlische projectpartner, een consultancygroep van de Reichman University gespecialiseerd in contraterrorisme, is echter dubieus, schreef het Leidse universiteitsblad Mare onlangs. Er werken allerlei veteranen uit het leger en uit veiligheidsdiensten als de Mossad. Binnen EU-Glocter zouden promovendi bij Reichman langsgaan voor workshops op het gebied van contraterrorisme, vertelt Joachim Koops, die vanuit Leiden betrokken is bij het project, dat nog moet beginnen.
Koops doet zelf onderzoek naar hoe de Europese Unie en de Verenigde Naties omgaan met het beschermen van burgers in conflictgebieden. ‘Mensenrechten komen expliciet aan bod in het project. Vanwege de ontwikkelingen na 7 oktober gaan we nu zeer serieuze gesprekken voeren over de samenwerking met Reichman. Ik ben daar zelf de aanjager van. Het is duidelijk dat de aanpak van de Israëlische strijdkrachten erg problematisch is als het gaat om mensenrechten.’ Het project kan ook prima zonder de Israeli’s, benadrukt hij, aangezien zij maar een beperkte rol hebben in het project.
Over de auteur
Stan van Pelt schrijft voor de Volkskrant over medische- en bètawetenschappen. Ook volgt hij de ontwikkelingen in academische wereld.
Hoe zit het met ogenschijnlijk minder beladen vakgebieden, zoals historisch onderzoek? ‘Ik begrijp de studenten goed’, zegt de Leidse hoogleraar Jürgen Zangenberg, ‘maar ik zou een samenwerkingsverbod persoonlijk jammer vinden. We moeten juist bruggen bouwen.’
Zangenberg doet al meer dan vijftien jaar onderzoek in Israël naar vroegjoodse en vroegchristelijke samenlevingen. Hij ontdekte samen met buitenlandse collega’s een synagoge, daterend uit de 4de tot 6de eeuw na Christus bij Horvat Kur, ten noordwesten van het meer van Galilea. Tijdens jaarlijkse expedities hielpen Nederlandse studenten met de archeologische opgravingen. Vier jaar geleden zijn deze afgerond.
Hij kreeg naar eigen zeggen alle academische vrijheid bij zijn werk. ‘De overheid bemoeide zich niet met de opgravingen. Het enige contact dat ik met hen had, ging over vergunningen, maar die heb je overal nodig. Ik heb vooral te maken met individuele Israëlische onderzoekers, zoals archeologen met wie we gezamenlijk de opgravingen interpreteren. Die heb je nodig, want archeologie is specialistisch.’
Hij snapt de kritiek van bijvoorbeeld de kritische Joods-Israëlische onderzoeker en activist Maya Wind, die vindt dat Israël archeologische opgravingen gebruikt om betwist gebied als ‘Joods’ aan te duiden. ‘Archeologie is niet voor niets volkssport nummer een in Israël. Dat de archeologie ingezet wordt om een bepaalde ideologie en nationalisme te onderbouwen is van alle tijden. Noord-Macedonië en Griekenland discussiëren ook over waar Alexander de Grote geboren zou zijn. Voor studenten is het inzichtelijk om die dynamiek te snappen en die aan den lijve te ondervinden in Israël. Het schaadt de wetenschap als dat niet meer kan.’
Bovendien, stelt Zangenberg, juist door als buitenstaander betrokken te blijven bij zulk onderzoek, kun je bijdragen aan objectieve kennisvorming en geschiedschrijving. ‘Onder religieus-fundamentalistische groepen heerst bijvoorbeeld nog steeds de misvatting dat de Arabieren de vroege Joden verjaagd zouden hebben uit wat nu Israël is. Uit opgravingen als de onze blijkt dat sommige Joodse nederzettingen allang verlaten waren, en elders leefden de groepen gewoon naast elkaar.’
Academische samenwerking met Israël is een gevoelig onderwerp. Sommige onderzoekers spreken daarom liever niet met de krant. ‘Commentaar van mij zal de situatie op dit moment niet helpen’, mailt bijvoorbeeld een Nederlandse wetenschapper die in Israël werkzaam is.
Ook Tobias Ebbrecht-Hartmann van de Hebrew University in Jeruzalem kijkt met zorg naar de discussie in Nederland. De onderzoeker werkt samen met onder meer wetenschappers van de Radboud Universiteit, het oorlogsdocumentatiecentrum NIOD en Westerbork, in een groot Europees project naar het bewaren van de nagedachtenis aan de Holocaust.
Ze maken bijvoorbeeld virtualrealityversies van naziconcentratiekampen. Juist zo’n project verbieden zou wrang zijn, zegt hij. ‘Er is zoveel dat onze landen historisch verbindt, aandacht daarvoor is belangrijk.’
Aan de ene kant hebben universiteiten en de staat inderdaad van oudsher sterke banden in Israël, zegt Ebbrecht-Hartmann. ‘Er zijn banden met het leger, ook persoonlijk. Bijna iedereen is in militaire dienst geweest. En de Hebrew University is als zionistische universiteit opgericht, in 1925, omdat Joden destijds niet welkom waren aan Europese instellingen.’ Tegelijkertijd, benadrukt hij, doen wetenschappers in de sociale en geesteswetenschappen juist kritisch onderzoek naar de Israëlische geschiedenis. Zij kijken bijvoorbeeld naar het lijden van de Palestijnen en hun perspectief op het conflict.
Een internationale boycot maakt het werk voor zulke progressieve onderzoekers lastiger. Ook zullen zij zich in de steek gelaten voelen, zegt de onderzoeker. ‘Dat terwijl Hebrew University bijvoorbeeld actief beleid heeft om het aandeel Palestijnse studenten te vergroten, ondanks weerstand vanuit de overheid.’ Hij wijst op een petitie die rondgaat waarin wetenschappers wereldwijd zich uitspreken tegen een boycot, met inmiddels vijfduizend ondertekenaars.
Ebbrecht-Hartmanns collega Paul Verschure, die vanuit de Radboud Universiteit betrokken is bij het holocaustproject, is stellig. Banden doorbreken? ‘Onzin. Dit conflict is zo complex en heeft zo’n lange geschiedenis, dat los je niet op met een simpele boycot. Er is niet simpelweg één goede en één slechte kant.’ Een eendimensionale boycotoproep laat volgens Verschure zien dat er nog veel meer holocausteducatie nodig is, omdat die leert hoe je omgaat met ingewikkelde informatie. ‘We moeten daarom juist méér samenwerken.’
De discussie wordt nu platgeslagen, verzucht ook de Israëlische antropoloog Erella Grassiani. Aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) doet ze onderzoek naar mensenrechten en de Israëlische veiligheidsindustrie, onder meer samen met kritische wetenschappers in Israël. ‘Wat ik mis, ook in hoe demonstranten hun eisen formuleren, is het onderscheid tussen institutionele en individuele samenwerkingen.’ Uiteindelijk, zo legt ze uit, gaat de boycotoproep terug op de zogeheten Pacbi-campagne van de Palestijnse burgerrechtenbeweging uit 2004. ‘Daarin gaat het nadrukkelijk om het verbreken van alleen institutionele banden. Samen publiceren of werken met Israeli’s kan gewoon.’ Net zoals er momenteel ook individuele samenwerkingen mogelijk zijn met Russische wetenschappers.
Hoe nu verder? Een ‘collectieve straf’ van de Israëlische academische gemeenschap in de vorm van een algehele boycot vindt terrorismeonderzoeker Koops van de Universiteit Leiden problematisch. ‘Ik begrijp de argumenten voor een boycot, maar als je niet in gesprek blijft, hoe krijg je dan verandering? Het is lastig discussiëren wanneer je iemand buitensluit.’
In plaats van alle samenwerkingen stoppen, zou je elk project apart moeten evalueren, zeggen ook andere geïnterviewden. Worden er mensenrechten geschonden? Treden onderzoekers op als ambassadeur van de staat? UvA-onderzoekster Grassiani: ‘Dat zijn gronden voor een boycot. Maar zo zou je ook moeten kijken naar projecten in China of Iran.’
De Israëlische onderzoeker en activist Maya Wind denkt dat een geval-per-gevalbenadering onvoldoende zoden aan de dijk zet. Alleen als álle institutionele (formele) relaties opgeschort worden, zullen Israëlische universiteiten zich echt gedwongen voelen hun banden te verbreken met overheid en leger, zei ze eerder in gesprek met de Volkskrant. ‘Dan pas zullen ze stoppen met het trainen van soldaten en het onderdrukken van kritische wetenschappers en studenten.’
De colleges van bestuur van Nederlandse universiteiten kunnen zich in elk geval meer uitspreken, vindt hoogleraar Verschure van de Radboud Universiteit. ‘Zij houden zich nu veelal afzijdig van het debat en lijken te hopen dat het overwaait. Maar de universiteit is juist de plek voor dit soort moeilijke gesprekken, zij zouden de bolwerken moeten zijn van maatschappelijke waarden als dialoog. Maar waar zijn die waarden, als de UvA de politie op studenten afstuurt?’
Langzaam maar zeker komt er wel beweging. Diverse universiteiten, zoals die in Leiden en Nijmegen, kondigden aan ethische commissies in te stellen. Die gaan per project kijken of buitenlandse partners (ook niet-Israëlische) zich wel houden aan de mensenrechten. Een goede zaak, vindt Koops, die hiervoor ook al pleitte. ‘Dat werkt beter dan ad-hocbeslissingen.’
In 15 jaar tijd publiceerden Nederlandse wetenschappers 15 duizend keer samen met Israëlische wetenschappers, maar wat betekent dat? Dit zijn de feiten en cijfers:
Israël is geen grote of prominente samenwerkingspartner van Nederland, blijkt uit een overzicht dat het Leidse onderzoekscentrum CWTS op verzoek van de Volkskrant samenstelde van de gezamenlijke publicaties. Minder dan een op de honderd wetenschappelijke publicaties met een Nederlandse wetenschapper bevat ook een Israëlische auteur. Daarbij gaat het in de regel om kolossale, internationale projecten waarbij talloze landen betrokken zijn. Vakgebieden waarin men het meest samenwerkt: deeltjesnatuurkunde, sterrenkunde, genetica en geneeskunde. De samenwerkingen zijn bovendien redelijk gelijkmatig verdeeld over de Nederlandse universiteiten: alle universiteiten werken weleens samen met Israëlische wetenschappers, niet één universiteit springt eruit.
Een blik in Cordis, een database van Europese onderzoekssamenwerkingen, bevestigt dat beeld. In Horizon2020, een van de grootste wetenschappelijke subsidieprogramma’s van de Europese Unie, zitten of zaten (sommige projecten zijn al afgelopen) Nederlandse universiteiten in ruim 8.700 projecten. Die omvatten al snel tien of meer buitenlandse instellingen uit diverse landen. Bij 409 hiervan zijn ook Israëlische organisaties betrokken, nog geen 5 procent. In 60 gevallen is Nederland projectleider. Ter vergelijking: in 3.300 projecten werkt Nederland samen met onder meer een Duitse instelling. Dit relatief kleine Israëlische aandeel komt overeen met de lijstjes die de universiteiten zelf ook publiceren. De Universiteit van Amsterdam noemt bijvoorbeeld 8 door de EU gefinancierde projecten, Leiden 11.
Een zoekopdracht in een universitaire database levert ruim 15 duizend treffers op voor publicaties van de afgelopen vijftien jaar met zowel Nederlandse als Israëlische onderzoekers. Hiervan hebben 79 studies een Israëlisch ministerie als geldschieter. Vaak is dat het ministerie van Wetenschap en Technologie, maar in twee gevallen dat van Defensie. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om een studie uit 2022 naar de interpretatie van gezichtsuitdrukkingen, waarbij een Nederlandse onderzoeker betrokken was. Ter vergelijking: er zijn bijna tien keer zoveel Nederlands-Duitse publicaties.
De hoeveelheid EU-subsidie die naar Israël vloeit, wisselt per project. Soms krijgt de Israëlische partner weinig geld, omdat hij een beperkte bijdrage levert. Dit is bijvoorbeeld het geval bij Brigaid, een project van 8,8 miljoen euro naar betere manieren om om te gaan met klimaatrampen. De TU Delft ontving als penvoerder 1,3 miljoen euro, het Israëlische onderzoeksinstituut Migal Galilee nog geen drie ton. Bij een project met de naam ‘Expert’ krijgt de Israëlische partner juist relatief veel geld: 1,5 miljoen euro, tegen 1,75 miljoen voor projectleider UMC Utrecht. In deze studie proberen medische wetenschappers een slimme manier te vinden om mrna-therapieën in te zetten tegen kanker.
Binnen het Europese Erasmus-plusprogramma kunnen studenten of docenten enkele weken of maanden trainingen volgen of geven aan een universiteit in Israël. Vaak hebben universiteiten ook zulke afspraken buiten EU-verband om. Onlangs besloot de Universiteit Leiden bestaande uitwisselingsprogramma’s met de Universiteiten van Tel Aviv en Jeruzalem voorlopig te bevriezen. Vanwege de veiligheidssituatie gingen er overigens sowieso al geen studenten of medewerkers meer naar Israël.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant