De stad en zijn onvaste muren is vintage Murakami: een inventief verhaal over een fantasiewereld waar de tijd niet lijkt te bestaan. De Nederlandse vertaling verschijnt nu (hulde!) een half jaar vóór de Engelse.
Toen vorig jaar de nieuwe roman van Haruki Murakami werd aangekondigd, compleet met een beknopte synopsis, betekende dat voor veel lezers een schok van herkenning. De nieuwe roman, getiteld De stad en zijn onvaste muren, bleek de nodige overeenkomsten te vertonen met een eerder boek van de schrijver: Hard-boiled wonderland en het einde van de wereld (1985). Nu bevatten bijna al Murakami’s romans een rijkdom aan elementen en motieven die we kennen uit zijn andere werken, maar in dit geval waren de overeenkomsten wel erg opvallend.
In beide boeken is sprake van een mannelijk personage dat in een ommuurde stad woont, waarin iedereen zijn schaduw heeft moeten afstaan. Die persoon werkt als dromenlezer in de plaatselijke bibliotheek. Ook spelen in beide boeken eenhoorns een rol van betekenis.
In het nawoord bij de zojuist verschenen Nederlandse vertaling (hulde, de Engelse vertaling verschijnt pas in november) legt Murakami uit hoe het zit. Het begon allemaal met een novelle die hij in 1980 publiceerde in een literair tijdschrift, maar die nooit in boekvorm verscheen. Vijf jaar later maakte hij uit het materiaal van deze novelle een van de twee verhaallijnen in Hard-boiled wonderland. Achteraf was hij niet tevreden met het resultaat, dat hij onrijp en onvoldoende afgehecht vond. Hij omschrijft het gevoel als ‘een graatje dat in je keel is blijven steken’.
Over de auteur
Hans Bouman schrijft voor de Volkskrant over boeken en richt zich met name op literatuur en auteurs uit het Engelse taalgebied.
De coronacrisis, die reizen langere tijd onmogelijk maakte, betekende voor hem het startsein om terug te keren naar ‘de stad’ en de definitieve versie van dat verhaal te schrijven.
De stad en zijn onvaste muren bestaat uit drie delen. In het eerste deel worden afwisselend twee verhalen verteld, een aanpak die Murakami-lezers niet alleen kennen uit Hard-boiled wonderland, maar ook uit bijvoorbeeld Kafka op het strand en 1Q84.
De eerste verhaallijn is gesitueerd in een voor Murakami-begrippen realistisch beschreven hedendaags Japan, qua sfeer vergelijkbaar met Norwegian Wood. We lezen over een 17-jarige ik-figuur en zijn 16-jarige vriendin. De twee leren elkaar kennen bij de prijsuitreiking van een essaywedstrijd met als thema ‘Mijn vriend’. De verteller – zoals veel van Murakami’s personages een eenzame, op zichzelf betrokken figuur – heeft daarbij geschreven over zijn kat. (Bestaan er Murakami-boeken zonder katten? Ook in dit boek spelen ze op allerlei niveaus een rol van betekenis.)
De twee worden verliefd, maar het valt op dat het meisje nogal zwaarmoedig van aard is. Dan vertelt ze dat zij slechts de schaduw is van haar eigenlijke zelf. Haar echte ik woont in een stad, omringd door hoge muren. Daar werkt ze in een bibliotheek.
Op een dag verdwijnt het meisje. Ze schrijft nog een lange, laatste brief en daarna blijft het stil. Pas verderop in de roman volgen, subtiel, aanwijzingen voor de oorzaak van deze stilte.
De tweede verhaallijn beschrijft het verblijf van de ik-figuur in de ommuurde stad. Zijn ogen zijn verminkt om ze geschikt te maken voor het lezen van dromen en aanvankelijk heeft hij last van koortsaanvallen, kennelijk een overgangsritueel voor de nieuwe dromenlezer. Ter genezing schenkt het 16-jarige meisje, dat inderdaad in de bibliotheek werkzaam blijkt, hem medicinale kruidenthee. Overigens herkent ze hem niet, zoals haar ‘schaduw’ al in de ‘oorspronkelijke wereld’ had gewaarschuwd. Haar ‘echte ik’ heeft de jongen immers nooit ontmoet en bovendien blijkt de verteller in de stad ‘een stukken oudere man’ te zijn geworden.
De stad zelf is een wonderlijke plek. Behalve eenhoorns, die overdag de stad worden binnengelaten maar deze ’s avonds weer moeten verlaten, zijn er geen dieren. Er is geen elektriciteit of gas, de torenklok heeft geen wijzers, in de bibliotheek staat geen enkel boek. Het gebouw huisvest alleen dromen, die de vorm hebben van een ei. De stad en zijn bewoners zijn zelfvoorzienend, er is nauwelijks sprake van emoties, de hele omgeving heeft iets artificieels.
Meermaals wordt gesuggereerd dat de stad een hersenspinsel van het meisje is. Een hersenspinsel waarin de ik-figuur is meegegaan, zodat de stad uiteindelijk hun gezamenlijke schepping is.
De stad is dus (vermoedelijk) een fantasiewereld waarin fantasiedieren rondlopen, waar de tijd geen betekenis heeft. Maar wat heeft die fantasiewereld precies te betekenen? Is hij op te vatten als een metafoor? Voor de levensangst van een 16-jarig meisje dat zich verliest in escapisme, bijvoorbeeld? Of voor een wereld die zijn bewustzijn, zijn angsten, zijn creativiteit, zijn menselijkheid heeft ingeruild voor een comateuze droom?
In deel twee en drie wordt een aantal interessante ‘bijfiguren’ geïntroduceerd. Zo maken we kennis met Tatsuya Koyasu, directeur van de gemeentelijke bibliotheek in een provinciestadje. De man valt onder meer op doordat hij een alpinopet en een rok draagt. Aan zijn pols heeft hij een horloge zonder wijzers. Aan hem kleeft een tragisch verhaal, dat nieuwe stof biedt voor de interpretatie van de roman.
Een ander boeiend personage is een 17-jarige jongeman die de hele dag in de bibliotheek van het provinciestadje zit te lezen. Hij draagt een hoody met de afbeelding van de gele onderzeeër uit Yellow Submarine van de Beatles. En hij heeft een John Lennon-brilletje. Nee, bij Murakami zijn muziekverwijzingen nooit ver weg. Naast de vertrouwde Beatles-associaties passeren ditmaal Vivaldi en een keur aan jazzgrootheden de revue.
Het is fascinerend om te zien hoe personages die het op het eerste gezicht vooral van hun excentriciteit moeten hebben, bij nadere beschouwing een heel functionele rol vervullen binnen de compositie van de roman. De stad en zijn onvaste muren is doordrenkt met het besef dat tijd, plaats en persoonlijkheid relatieve begrippen zijn. Via kleinere en grotere aanwijzingen suggereert Murakami dat diverse personages in feite ‘variaties’ op elkaar zijn, op een andere plaats en in een andere tijd. Het klinkt pretentieus, maar je zou deze roman een literaire fuga kunnen noemen.
Tegen het einde concludeert de ik-verteller dat de tijd geen betekenis heeft, maar slechts rondgaat in cirkels. Dat zich telkens op verschillende manieren hetzelfde afspeelt. Interessant is dat die relativering van het begrip tijd niet alleen in de plot maar – in een staaltje fraaie interne coherentie – ook op grammaticaal niveau tot uiting komt. Al vroeg in het boek valt het op dat Murakami in dezelfde scène dikwijls tegenwoordige tijd en verleden tijd met elkaar afwisselt:
‘De zware houten deur ging zwaar krakend naar binnen open en erachter bevond zich een schemerige, vierkante kamer. Er is niemand. (…) Toen ik over de versleten vurenhouten plankenvloer liep, maakte dat af en toe een scherp geluid. Er zijn twee verticale ramen en er staat geen enkel meubilair.’ (Mijn cursiveringen, HB)
Voor trouwe Murakami-lezers bevat het boek een rijkdom aan elementen die ze kennen uit andere werken van de schrijver, soms in kleine variaties. De put uit De opwindvogelkronieken is hier een kuil, de belangrijke doos waarin niets blijkt te zitten, uit diezelfde roman, is in dit boek een kluisje. Ook het opzoeken van isolement uit Norwegian Wood en Kafka op het strand komt hier terug, net als de wonderlijke bibliotheek uit Kafka op het strand en het zelfmoordmotief uit Norwegian Wood. Natuurlijk zijn er geestverschijningen. De whisky-van-dienst is Bowmore. En dan heb ik het nog niet eens over het koken van spaghetti… Net als het oeuvre van David Mitchell is dat van Murakami, uiteraard op geheel eigen wijze, te beschouwen als een soort überroman.
De stad en zijn onvaste muren is vintage Murakami. Ook in dit boek presenteert hij je als lezer een inventief, toegankelijk geschreven en intrigerend verhaal waar je je gretig doorheen leest richting het slot. Om je aan dat slot achter te laten met vragen. En met de vrijheid die zelf te beantwoorden.
Haruki Murakami: De stad en zijn onvaste muren. Uit het Japans vertaald door Elbrich Fennema. Atlas Contact; 640 pagina’s; € 34,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant