Of het nu gaat om Benjamin Netanyahu of om de Duitse keizer Wilhelm II: de vervolging van wereldleiders is een precaire aangelegenheid. In 1919 wilde Nederland er niet aan meewerken, en bewees het internationaal recht daarmee een slechte dienst.
De Israëlische premier Benjamin Netanyahu is niet de eerste wereldleider die op de nominatie staat om te worden vervolgd. En hij zou ook niet de eerste zijn die zich aan vervolging zal weten te onttrekken. Alleen verslagen en gevallen leiders lopen een reëel risico op strafrechtelijke vervolging. Maar ook zij ontspringen vaak de dans, zoals ex-keizer Wilhelm II in 1919.
Over de berechting van de leiders van oorlogvoerende landen wordt al nagedacht zolang de term ‘internationaal recht’ wordt gebezigd – in 1780 voor het eerst door de Britse filosoof Jeremy Bentham. Meestal ging het dan om wat de Duitsers – ervaringsdeskundigen op dit gebied – Siegerjustiz noemden: de berechting van overwonnenen door de overwinnaars. De verbanning van Napoleon (eerst naar Elba, later naar Sint Helena) was daarvan een voorbeeld. Maar ook de Neurenberg- en Tokio-tribunalen na de Tweede Wereldoorlog, hoewel die de geest van universele rechtsprincipes ademden: de aanklagers en rechters werden afgevaardigd door de geallieerde mogendheden, de overwinnaars van nazi-Duitsland en Japan.
Over de auteur
Sander van Walsum is historicus en recenseert non-fictie voor de Volkskrant.
Sindsdien hebben internationale tribunalen zich altijd moeten verweren tegen het verwijt dat ze feitelijk Siegerjustiz bedreven, of anders wel westerse belangen dienden. Servische en Rwandese oorlogsmisdadigers werden pas berecht toen hun machtspositie zodanig was aangetast dat zij konden worden uitgeleverd.
Vooralsnog is het onwaarschijnlijk dat de Israëlische premier Benjamin Netanyahu ooit hun lot zal ondergaan, nog afgezien van het feit zijn land op het slagveld ongeslagen is. Het voornemen van het Internationaal Strafhof (ICC) om hem te vervolgen stuit in Israël op brede weerstand en is internationaal omstreden. Het feit dat mogelijk ook drie Hamasleiders worden vervolgd, vrijwaart het ICC niet van het verwijt zich door anti-Israëlische – zelfs antisemitische – motieven te laten leiden. De pretentie van het ICC dat het namens de internationale gemeenschap optreedt, is dus enigszins dubieus.
Zo beschouwd, is de internationale rechtspraak bijster weinig opgeschoten sinds 1919. Toen werden de eerste, enigszins halfslachtige, pogingen ondernomen om de Duitse ex-keizer Wilhelm II en enkele secondanten (onder wie zijn oudste zoon en naamgenoot) door een internationaal tribunaal te laten berechten ‘voor een zware misdaad tegen de internationale moraal en de onschendbaarheid van verdragen’. Siegerjustiz inderdaad, want Wilhelm had in november 1918 moeten aftreden na de Duitse nederlaag op het slagveld van de Eerste Wereldoorlog, en de aanklacht ging uit van zijn vroegere vijanden, die samen de Entente vormden.
Die vroegere vijanden waren bepaald wraakzuchtig: ‘Hang the Kaiser’, was de oproep waarmee de Britse oorlogsleider David Lloyd George probeerde het electoraat te paaien. Tezelfdertijd werden er pogingen ondernomen om het tribunaal te neutraliseren: het zou moeten zetelen in een land dat buiten de oorlog was gebleven, en er zou een Duitse rechter deel van moeten uitmaken. Al was het maar omdat Duitsland met de ondertekening van artikel 277 van het vredesverdrag van Versailles de wenselijkheid van een tribunaal had onderschreven.
Het tribunaal, in welke vorm en op welke plaats dan ook, is er echter nooit gekomen. Dit hing niet alleen samen met onoverbrugbare verschillen van inzicht binnen de Entente over zijn vormgeving, maar ook met de weigering van de Nederlandse regering om de ex-keizer en diens oudste zoon, de voormalige kroonprins, uit te leveren. Eerstgenoemde verbleef sinds november 1918 op kasteel Amerongen, als (veeleisende) gast van graaf Godard van Aldenburg Bentinck. De kroonprins werd ondergebracht in de pastorie van de Nederlands-Hervormde gemeente in Oosterland op Wieringen – toen nog een winderig eiland.
Dat de ex-keizer pas in 1920 een permanente verblijfplaats, Huis Doorn, kon betrekken, hing samen met wat ‘de uitleveringskwestie’ werd genoemd: zolang het verzoek, of de eis, tot uitlevering boven de markt hing, wilde de Nederlandse regering – die met de toelating van beide Wilhelms toch al het misnoegen van de Entente had gewekt – niet de indruk wekken hem permanent gastvrijheid te hebben geboden.
De vrees voor uitlevering hield de ex-keizer en zijn entourage intussen voortdurend in z’n greep. Wilhelm jammerde over de gruwelen die hij als gevangene van de Entente zou moeten ondergaan. Hij zinspeelde op zelfdoding. Hij beraamde een vlucht naar Zwitserland, of naar een loyale (en ruim behuisde) onderdaan in Duitsland. Er werd een uitmonstering samengesteld waarmee de ex-keizer in de anonimiteit zou kunnen verdwijnen. Er werd ook druk op de keizer uitgeoefend om zich te verantwoorden voor een neutrale rechtbank. Maar het thema verloor gaandeweg zijn urgentie. De Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken, Van Karnebeek, kreeg de indruk dat de Entente andere prioriteiten had dan de berechting van de ex-keizer. Toen nochtans een verzoek tot uitlevering werd ingediend, kon de regering dat afwijzen in het besef dat dit voor Nederland geen nadelige consequenties zou hebben.
Vanuit internationaal juridisch perspectief is het een gemiste kans dat het in 1919 voorziene tribunaal er, mede door toedoen van Nederland, nooit is gekomen, meenden acht historici en juristen die in 2016 – na een voorbereiding van acht jaar – de rechtszaak tegen Wilhelm ensceneerden zoals die destijds volgens de toen geldende normen gevoerd had kunnen worden. Zij behandelden vijf concrete aanklachten die in het Vredesverdrag van Versailles waren vastgelegd, en verklaarden de keizer op slechts één punt schuldig: de schending van de Belgische neutraliteit in 1914. Hiervoor veroordeelden zij de verdachte alsnog tot ‘levenslange detentie, te ondergaan in Huis Doorn, plus ontzetting uit elk openbaar ambt’.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant