Home

Het vóélde soms als moord, zei verpleegkundige Theodoor, en toen ging het mis

Hoe kon de noodkreet van een coronaverpleegkundige tot een arrestatie wegens moord leiden?Waarom pleit niemand hem vrij terwijl justitie geen enkel bewijs vond? ‘Ik zal nooit meer iemand zomaar vertrouwen.’

‘Onbegrijpelijk. Echt onbegrijpelijk.’
Theodoor zit tegenover twee rechercheurs in het cellencomplex in Assen. Het is maandag 17 april 2023, vanochtend is de 30-jarige verpleegkundige in alle vroegte door een twintigkoppig arrestatieteam van zijn bed gelicht. Hij werd geboeid afgevoerd uit zijn huis.

Het Openbaar Ministerie (OM) beschouwt hem als verdachte in wat een van de grootste moordzaken in de Nederlandse geschiedenis zou zijn. Als verpleegkundige zou Theodoor tijdens de coronapandemie in het Wilhelmina Ziekenhuis in Assen het leven van zo’n twintig patiënten vroegtijdig hebben beëindigd.

En nu zit hij hier.

Over de auteur
Maud Effting is onderzoeksjournalist van de Volkskrant en schreef onder meer over grensoverschrijdend gedrag bij De Wereld Draait Door en NOS Sport. Ook volgt ze alle ontwikkelingen rondom het vrijwillig levenseinde, euthanasie, zelfdoding en Middel X. 

Jurre van den Berg is regioverslaggever van de Volkskrant in Noord-Nederland.

‘Ik heb begrepen’, zegt hij, ‘dat het om moord gaat?’

‘Ja’, zegt de rechercheur.

‘Dat eh… verbaast mij echt heel erg’, zegt Theodoor.

Talloze vragen razen door zijn hoofd. Maar de rechercheurs ondervragen hem eerst urenlang over bijzaken. Zijn opvoeding, zijn karakter, zijn relatie, zijn familie, zijn moestuin zelfs. Zo geduldig mogelijk geeft Theodoor antwoord. Totdat hij het niet langer uithoudt.

‘Móórd’, zegt hij verontwaardigd.

‘Wat doet dat met je?’, vraagt de rechercheur. ‘Dat je hier voor moord zit?’

In zijn antwoorden dringen wanhoop en onbegrip om voorrang. ‘Ik heb zo hard gewerkt op die corona-afdeling.’ Hij begint harder te praten. ‘Ik heb zó erg mijn best gedaan. Zo veel mensenlevens gered. Als je dan hier voor moord zit…’

‘Hoe zie jij dat?’, vraagt de rechercheur.

‘Ik héb geen moord gepleegd’, zegt Theodoor. ‘Ik heb mensen geholpen.’

‘Hoe heb je mensen geholpen?’

‘Door mijn werk te doen’, zegt Theodoor. Even is hij stil. ‘Door gewoon mijn werk te doen.’

De brief

Gespannen kijkt Theodoor (inmiddels 32) naar de twee journalisten van de Volkskrant. Het is april 2024. Het afgelopen jaar liep zijn verhouding met andere mensen forse deuken op. ‘Ik zal nooit meer zomaar iemand vertrouwen’, zegt hij.

Voor hem op tafel liggen vier uitgeprinte A4’tjes die zijn leven op zijn kop zetten. Het is de brief die GGZ Drenthe op 21 februari 2023 stuurde aan zijn werkgever, het Wilhelmina Ziekenhuis Assen.

Drie maanden daarvoor ging Theodoor naar de ggz omdat hij door zijn werk in het ziekenhuis in psychische nood was geraakt. Maar de hulpverleners gaven hem geen hulp. Ze deden iets uitzonderlijks: ze verbraken hun beroepsgeheim en schreven een brief met ingrijpende beschuldigingen.

‘Na rijp beraad informeren wij u over ernstige vermoedens van strafbare feiten’, staat er. Theodoor zou hun hebben verteld dat hij ‘met enige regelmaat’ coronapatiënten ‘uit hun lijden zou hebben verlost’. ‘Dit door zonder instructies van een arts en zonder euthanasiewens van de patiënten het beademingsapparaat uit te zetten of door hun zonder opdracht van een arts hogere doseringen morfine te geven dan voorgeschreven’, aldus de brief. ‘Op die manier zou hij ongeveer twintig mensen om het leven hebben gebracht.’ Betrokkene ‘vertelde dat hij geen spijt heeft van zijn handelen en dat hij – als de situatie zich weer zou voordoen – het zo weer zou kunnen doen’.

Met de brief begon er een sneeuwbal te rollen die almaar groter werd. Het ziekenhuis informeerde de politie, en justitie kon vanwege de ernst van de verdenking naar eigen zeggen niets anders dan een jaar lang alles uit de kast trekken om de zaak te onderzoeken. Ze ondervroegen zijn collega’s, keerden zo’n vijftig medische dossiers binnenstebuiten, tapten Theodoors telefoon, plaatsten afluisterapparatuur in zijn huis.

Nu, een jaar na dato, is dat allemaal voorbij.

Het OM maakt medio april bekend dat de zaak tegen Theodoor is geseponeerd. ‘Wij hebben geen bewijs gevonden dat er sprake is geweest van concrete strafbare handelingen’, zegt de officier van justitie in de Volkskrant.

Maar in hetzelfde interview zegt de hoofdofficier: ‘Wij kunnen niets uitsluiten.’ De officier van justitie plaatst openlijk vraagtekens bij Theodoors bewering dat hij verkeerd is begrepen door de ggz. ‘Bijzonder’, noemt ze dat. Ook de directeur van het Wilhelmina Ziekenhuis Assen neemt het in de media niet op voor zijn oud-medewerker. Hij noemt de zaak ‘toch een beetje grijs’.

En zo laten ze een zweem van verdenking om hem hangen. Er blijft ruimte voor speculatie. Voor het idee dat hij misschien tóch iets heeft gedaan en dat het alleen niet valt te bewijzen. Dat hij misschien wel de perfecte engel des doods was. Het laat nabestaanden achter in onzekerheid over wat er met hun geliefden is gebeurd.

Maar is het mogelijk dat deze zaak berustte op één grote spraakverwarring? Op een tunnelvisie van ggz-medewerkers zonder medische kennis? Op gealarmeerde instanties die, eenmaal op het spoor van een vermeend misdrijf, weinig ruimte lieten voor het scenario van onschuld?

De Volkskrant verdiepte zich in de zaak van de verpleegkundige. Theodoor, die alleen bij zijn voornaam genoemd wil worden, wil één keer zijn verhaal vertellen. De krant sprak bijna elf uur met hem en beschikt daarnaast over politieverhoren met Theodoor, longartsen en collega-verpleegkundigen, berichtenverkeer, en over het onderzoek naar medische dossiers.

‘Als ze mij hadden vervolgd’, zegt Theodoor, ‘dan hadden ze alle verpleegkundigen moeten vervolgen die in Nederland op een corona-afdeling hebben gewerkt.’

Covidafdeling

Wanneer de coronapandemie in 2020 losbreekt, vraagt een leidinggevende in het Wilhelmina Ziekenhuis (WZA) aan Theodoor of hij wil helpen op de covidafdeling. ‘We hadden geen idee wat ons boven het hoofd hing’, zegt hij. ‘Maar het was alle hens aan dek. Dus ik zei: ik doe mee.’

Zolang Theodoor zich kan herinneren, wil hij in de zorg werken. Zijn moeder is doktersassistent, zijn zus werkt als verpleegkundige. Hij ziet het als een roeping: mensen beter maken. Na een opleiding tot verzorgende rondt hij mbo-verpleegkunde af. Nu zit hij in het laatste jaar van het hbo. Na banen in andere ziekenhuizen werkt hij inmiddels ruim een jaar in het WZA.

Covidafdeling B1 is klein: zo’n twintig bedden. Maar de grilligheid van corona overvalt iedereen tijdens de eerste golf. Soms hebben ze net gezien dat de waarden van een patiënt stabiel zijn, vertelt hij. ‘Maar als we ons omdraaiden, kon diezelfde patiënt ineens wegzakken. Ik stond als een pitbull met mijn kar met meetapparatuur tussen alle kamers in om iedereen in de gaten te houden.’

Theodoor herinnert zich hoe hij met een longarts naar een patiënt kijkt die op geen enkele behandeling reageert. ‘De longarts verzuchtte: ‘Ik weet het ook niet meer – heb jij nog een idee?’’

In die tijd verzorgt hij een jonge vrouw uit Brabant. ‘De arts zei: ze gaat nú naar de ic. Ik wist: deze mevrouw gaat het misschien niet overleven, dus ik móét zorgen dat ze afscheid neemt. Maar hoe leg je dat uit aan iemand die zich dat nog niet helemaal realiseert? De arts was al weg.’ Hij houdt een telefoon bij haar gezicht. ‘Ze kon nauwelijks praten. Ik hoorde hoe haar kinderen van 5 en 6 het niet begrepen, ik hoorde haar man stil worden. Op zo’n moment klinkt ‘ik hou van jou’ heel anders. Daar sta je dan, als verpleegkundige, terwijl je niet mag huilen. En terwijl je weet: ze moet nu weg.’

Overuren

Bij collega’s valt Theodoor op, zo blijkt uit politieverhoren met collega’s. Hij is anders dan de meeste verpleegkundigen: hij durft zich uit te spreken, ook tegenover artsen. Hij is direct en stelt vragen – ook als die confronterend zijn. Een enkeling schrikt van zijn felheid.

‘Ik vond het fijn om in discussie te gaan met de arts’, zegt Theodoor. ‘Ik wilde alles weten. Hoe werkt dit? Waarom gebeurt dat? Wat zegt dit over de patiënt?’

Daaronder schuilt een gevoelige aard. ‘Hij luisterde naar de patiënt, had aandacht’, zegt een verpleegkundige tegen de politie. Longartsen omschrijven hem als gedreven. ‘Hij was iemand op wie ik kon bouwen’, zegt een arts. ‘Hij kwam op voor zijn patiënten.’

Tijdens de pandemie maakt Theodoor in één jaar 190 overuren. Iedereen werkt hele diensten zwetend in beschermende kleding, zonder veel contact met collega’s. Er zijn nachten bij waarin meerdere patiënten overlijden. ‘Ik heb nooit in een oorlogsgebied gewerkt’, verklaart een collega-verpleegkundige tegen de politie. ‘Maar dit kwam volgens mij wel heel dichtbij.’

Theodoor komt regelmatig huilend thuis. ‘Dan stond ik aan het eind van de nacht bij mijn voordeur en dacht ik: wat heb ik nou weer meegemaakt?’

Patiënten die op de corona-afdeling binnenkomen, worden ingedeeld in vier categorieën: A tot en met D. Code A is er het best aan toe, code D het slechtst. Die laatste groep verkeert in de stervensfase: ze zijn niet meer te genezen. Dit beslist een arts, in samenspraak met naasten. De D staat voor iedereen zichtbaar bovenaan het medisch dossier.

In deze fase stopt de medicatie, verklaart een longarts tegen de politie, en wordt alles gericht op ‘comfort’: het lijden verzachten. Aan deze patiënten mag – in toenemende hoeveelheden – morfine worden toegediend, omdat dit het gevoel van benauwdheid vermindert. Soms wordt ook een slaapmiddel gegeven, zodat de patiënt het sterven niet bewust meemaakt. Daarnaast wordt de toediening van zuurstof langzaam afgebouwd. Het zijn reguliere handelingen in wat het ‘zorgpad stervensfase’ heet. Ook buiten de pandemie.

Aan buitenstaanders zijn handelingen in de stervensfase moeilijk uit te leggen. Zo lijkt het door het afbouwen van de zuurstof misschien alsof het overlijden wordt bespoedigd. Maar feitelijk laat de arts de natuur op dat moment zijn gang gaan: behandeling waarmee het leven onnodig wordt gerekt, heeft geen zin meer, hoe cru dat ook klinkt.

Theodoor wordt vaak op deze patiënten gezet, omdat hij ervaring heeft met de gebruikte zuurstofapparatuur. Maar tijdens de pandemie ziet hij dingen die hij nooit eerder meemaakte.

‘Ik zag mensen naar adem happen’, vertelt hij. ‘Ik zag mensen die met grote ogen in paniek naar me keken, me vastpakten en me niet meer wilden loslaten. Ik zag mensen blauw aanlopen van benauwdheid. Ik zag mensen stikkend wakker worden en in de lucht grijpen, plukken. Er was een patiënt die zijn hand naar me uitstak en zei: hélp.’

Op een nacht zorgt hij samen met een collega-verpleegkundige voor een stervende patiënt tijdens een palliatieve sedatie – een toestand waarbij het bewustzijn is verlaagd. De pomp met slaapmiddel staat aan, de morfine loopt en ze zijn de zuurstof aan het afbouwen – alles volgens protocol, beschrijft Theodoor. ‘En ineens stond die man gewoon naast zijn bed. Wakker. Ik kwam zijn kamer binnen, ingepakt in beschermende kleding, en schrok. Ik dacht: maar dit kán helemaal niet.’

Hij praat tegen de patiënt, maar die reageert niet. Toch lukt het hem de man weer in bed te krijgen. ‘Daarna begon hij in de lucht te graaien en liep hij blauw aan. Dus ja, wat doe je dan? Terwijl de arts ergens anders is?’

Theodoor geeft hem morfine, vertelt hij, en verhoogt de zuurstoftoevoer om de benauwdheid te verminderen. ‘Toen hij onrustig bleef, gaf ik hem na twintig minuten opnieuw morfine, sneller dan gebruikelijk – alles samen met een collega-verpleegkundige. Ik hield de hand van de patiënt vast, zei dat ik bij hem was, dat we hem zouden helpen. Uiteindelijk kreeg ik hem rustig.’

Het zijn traumatische ervaringen als deze waardoor hij uiteindelijk bij de ggz terecht zal komen.

Verpleegkundigen mogen tijdens de stervensfase zelfstandig de zuurstof afbouwen en de morfine met een bepaalde hoeveelheid ophogen. Daarvoor maken ze gebruik van hun ‘klinische blik’: ze houden in de gaten hoe de patiënt erbij ligt. ‘Daarbij vertrouw ik op de verpleegkundige’, vertelt een longarts van het WZA aan de politie. ‘Daarvoor hoeven ze mij niet iedere keer te vragen.’ In het dossier ziet de arts vervolgens altijd wat een verpleegkundige heeft gedaan.

Aan de ggz zal Theodoor later vertellen dat hij soms ‘buiten protocol’ handelde. Maar daarmee bedoelt hij iets anders dan de ggz-medewerkers begrijpen. Medische professionals mogen altijd van het protocol afwijken, mits beargumenteerd. Als verpleegkundigen denken dat de patiënt nóg meer nodig heeft, overleggen ze in principe eerst met de arts of dit mogelijk is.

Maar soms, zegt Theodoor, moet je direct handelen.

‘Als iemand lijkt te stikken, dan moet je iets doen. Dan wandel je niet eerst rustig naar de verpleegpost om een arts te bellen voor overleg. Nee. Dan dien je éérst die dosis morfine toe – en bespreek je dat daarna met de arts.’

In de nachten wordt tijdens de pandemie veel verantwoordelijkheid op zijn schouders gelegd, zegt hij. Dan zijn de spoedartsen het eerste aanspreekpunt. ‘Maar die waren retedruk.’ Ze willen dat hij zelf de zaken oplost, zeker bij patiënten die toch niet meer te redden zijn. ‘Als ik over iemand in code D belde, zeiden ze: ‘Volg het protocol, je weet hoe het moet, deze patiënt gaat overlijden, je hoeft niet meer te bellen. En dan hingen ze op. Klik.’

De patient

In het Wilhelmina Ziekenhuis zullen er tijdens de pandemie in totaal zo’n tweehonderd patiënten overlijden. De derde coronagolf is eind 2021 op zijn hoogtepunt als er iets gebeurt dat Theodoor mentaal doet wankelen.

Een vrouwelijke patiënt van in de zestig, ongevaccineerd, moet volgens de longarts met spoed naar de intensive care. Maar de intensivist weigert. ‘Hij zei dat de ic vol lag, dat we tegen code zwart aan zaten.’

Maar Theodoor ziet in het systeem dat er nog een plek is. Op de afdeling halen ze alles uit de kast. ‘Maar het ging slechter en slechter. Ik denk dat we wel drie of vier keer hebben gebeld naar de ic met de boodschap: je moet haar nú opnemen.’ Na aandringen van de longarts komt de intensivist langs. ‘In de kamer zei hij tegen de patiënt: ‘Had je nu maar die prik genomen, hè? Had je maar geluisterd. Dan was dit misschien niet gebeurd.’’

Theodoor voelt woede opkomen. ‘Ik had de godganse dag geknokt voor het leven van deze vrouw. Ik keek naar haar en haar man, en dacht: dat hadden mijn ouders kunnen zijn.’ Op de gang spreekt hij de intensivist aan. ‘Ik zei dat hij dit écht niet kon maken.’ De intensivist reageert volgens hem nauwelijks en weigert opnieuw om de vrouw op te nemen. ‘Hij zei: we kijken het nog even aan.’

Later geeft de intensivist alsnog toe. ‘Hij schreeuwde bijna door de telefoon: laat haar dan maar komen. Zo snel als ik kon, reed ik met haar naar de ic. Maar toen ik haar daar afleverde, zag ik haar hoofd opzijzakken.’

Hij stokt even.

‘Daarna zag ik de longarts staan. Ik liep naar hem toe en zei: ‘Dít wil ik nooit meer meemaken.’ Het was de eerste keer dat ik dacht: ik stop hiermee.’

Achteraf stuurt Theodoor de longarts een aantal berichten, waarin hij terugkomt op het incident. ‘Misschien was ik even een beetje te in the heat of the moment’, schrijft hij. ‘Als het om patiënten gaat, ben ik soms ook wat te verdedigend. Echt tof dat je het als een pro aanhoorde en erop reageerde.’ De longarts reageert: ‘Een eer om met je te mogen samenwerken.’

De berichten zitten in het strafdossier. Het WZA en de betrokken intensivist willen niet op het beschreven voorval reageren, maar ontkennen het niet.

Uitval

Het is het moment waarop Theodoor begint te twijfelen. Aan de zorg, aan het systeem, aan alles. ‘Ik dacht: wat zijn we hier in godsnaam aan het doen? Zijn we hier nog wel bezig om mensen beter te maken? Of zijn we hier alleen maar mensen aan het begeleiden naar de dood?’

Hij meldt zich ziek, krijgt ook nog corona, gaat weer werken, meldt zich weer ziek.

Het incident, de vele eenzame sterfgevallen, de paniek van patiënten, de vele doses morfine – ze zorgen ineens voor heel veel vragen. ‘Ik ging malen. Zijn mensen niet te snel in code D geplaatst? Had ik harder voor mijn patiënten moeten opkomen? Ik vroeg me af of ik wel een goede verpleegkundige was. Was ik überhaupt wel een goed mens?’

Hij slaapt slecht, voelt zich dag en nacht alert, zijn gedachten worden één grote brij.

Theodoor is niet de enige. Er is tijdens en na de pandemie heel veel uitval geweest onder verpleegkundigen, vertelt een longarts van het WZA aan de politie. ‘Ik denk dat er nu nog maar tien van de zestig werken uit die tijd.’

In het najaar van 2022 benadert Theodoor zijn huisarts. ‘Die zei: ik denk dat je PTSS hebt.’ Hij wordt doorverwezen naar het traumacentrum van GGZ Drenthe dat ‘veteranen en geüniformeerden’ behandelt: militairen, politieagenten, brandweerlieden. Een verpleegkundige hebben ze er nog nooit gehad.

En dan gaat het mis.

Het indicatiegesprek is met een sociaal-psychiatrisch verpleegkundige. Theodoor vertelt haar over zijn twijfels. Over stervende patiënten. Over al die keren dat hij morfine moest geven en zuurstof moest afbouwen. ‘Ik wist zeker dat ik altijd volgens de regels had gehandeld – dat zei ik haar ook.’ Maar uiteindelijk was wel hij het die aan de knop draaide. In een verhoor verklaart Theodoor dat hij bij de ggz heeft gezegd dat dit voor hem soms zo naar was om te doen, dat het voelde als moord.

Een longarts verklaart later tegen de recherche dat dit vaker gebeurt bij de zorg voor stervenden. Hij noemt het ‘internaliseren’. Volgens hem krijgen verpleegkundigen soms onterecht het idee dat zij iemand laten overlijden, omdat zij precies op dat moment handelingen uitvoeren op de patiënt, zoals het toedienen van morfine. ‘Dat kan tussen de oren gaan zitten’, zegt hij. ‘En als je dan gaat zitten malen…’

Op een gegeven moment vraagt de ggz-verpleegkundige volgens Theodoor hoeveel patiënten hij dan heeft zien overlijden. ‘Ik schatte dat het er zo’n twintig waren.’ Dat getal, denkt hij, ‘hebben ze later gebruikt als het aantal patiënten dat ik volgens hen met morfine en slaapmiddel zou hebben gedood’.

Het is niet de enige spraakverwarring, al heeft hij dat dan nog niet in de gaten. Theodoor vertelt de ggz-verpleegkundige ook dat hij het lijden soms mensonterend vond, en dat hij opluchting voelde als de morfine hielp. ‘Dit hebben ze later gezien als ‘uit hun lijden verlossen’’, denkt hij. Hij zegt haar ook dat hij nooit meer in dit soort situaties wil belanden. ‘Dat hebben ze later geïnterpreteerd als spijt.’ Ze vroeg me ook of ik het opnieuw zo zou doen, vertelt hij. ‘Ik zei: ja, als ik weer in die situatie zou komen, zou ik precies hetzelfde handelen. En dat ís ook zo. Ik had niets verkeerd gedaan. Maar dat hebben zij vertaald als recidivegevaar.’

Alarm

Bij GGZ Drenthe gaan na dit gesprek de alarmbellen rinkelen.

In een teamoverleg bespreekt de verpleegkundige de casus kort met collega’s. De regiebehandelaar, een klinisch psycholoog, heeft zelf dan nog niet met Theodoor gesproken. Toch zal hij later tegen de politie verklaren dat hij meteen dacht: ‘Goh, hier zit wel een soort van delictrand aan.’

Dit moet aan de jurist van de instelling worden voorgelegd, is de conclusie. In samenspraak met de jurist schrijft de ggz-verpleegkundige een verslag dat ze Theodoor voorlegt. ‘Juridisch gezien is hier sprake van moord’, staat er in de tekst. Ze geven hem twee opties: als Theodoor meewerkt aan een behandeling bij GGZ Drenthe, zullen zij hun beroepsgeheim niet doorbreken. Als hij dat niet doet, dan zullen ze het ziekenhuis inlichten.

Als ze Theodoor belt om het gespreksverslag toe te lichten, stelt ze hem gerust. De zin over moord is volgens haar ‘iets juridisch’. ‘Ze noemde het een grijs gebied, en daarom wilden ze geen fouten maken. Ik dacht: ik werk overal aan mee, dus wat kan mij gebeuren?’ Per mail gaat hij akkoord met het verslag.

Achteraf, zegt hij, is dit zijn grootste fout geweest. ‘Ik had meteen een advocaat moeten inschakelen. Maar ik wilde zo snel mogelijk hulp. Overal waren eindeloze wachtlijsten.’

Bij GGZ Drenthe vindt ondertussen koortsachtig overleg plaats.

Twee verschillende psychologen krijgen de vraag óók met Theodoor te praten. Maar die gesprekken gaan ze niet blanco in. Nadat ze van hun collega hebben gehoord wat Theodoor gedaan zou hebben, spreken de hulpverleners meermaals met elkaar en met leidinggevenden over de kwestie, zo blijkt uit politieverhoren. Een psycholoog verklaart letterlijk dat hij zich deels baseert op wat Theodoor volgens zijn collega-psycholoog heeft verteld. ‘Die informatie ga ik niet allemaal weer opnieuw vragen.’

Eén ding is zeker: diepgaand zijn de gesprekken niet. De ggz-verpleegkundige die als eerste met Theodoor spreekt, vormt haar oordeel na een gesprek dat volgens haar ‘maar een uurtje’ heeft geduurd, en waarin het ‘over de grote lijnen’ is gegaan. De klinisch psycholoog die vervolgens met Theodoor praat, zegt tegen de politie dat hij weinig tijd had. ‘Ik had maar één gesprek met hem en je zit maar drie kwartier, dus het is heel kort, dus zo diep ben ik er niet ingegaan.’ De derde hulpverlener die met Theodoor praat, de gz-psycholoog, kan zich weinig details uit het gesprek herinneren, verklaart hij.

Geen van de drie vraagt door over de twintig gevallen. Ze kunnen bij de politie geen enkele specifieke casus beschrijven waarin het fout zou zijn gegaan. ‘Heeft hij zelf nog iets verteld over patiënten bij wie hij zelfstandig van het protocol is afgeweken?’, probeert een rechercheur. ‘Nee’, antwoordt de gz-psycholoog.

Uit hun verhoren blijkt bovendien dat de ggz-medewerkers geen kennis hebben van de gang van zaken op een corona-afdeling. ‘Ik weet niet meer zeker wat die codes waren’, aldus de klinisch psycholoog. ‘Maar ik heb het toen opgeschreven als code A, B en code zwart.’ Dat het toedienen van morfine en het verminderen van zuurstof gangbare handelingen zijn tijdens de stervensfase, lijken ze niet te weten.

Allemaal stellen ze vast dat Theodoor verward overkomt. ‘Het is ook nogal wat, wat hij daar heeft meegemaakt’, verklaart een van de psychologen. Toch doet hen dat niet twijfelen. Beide psychologen verklaren uiteindelijk dat Theodoor zegt dat hij twintig keer ‘de situatie een handje heeft geholpen’.

Twee weken na het laatste gesprek nodigt GGZ Drenthe Theodoor opnieuw uit. De twee psychologen en de ggz-verpleegkundige zeggen dat ze vinden dat hij zichzélf moet aangeven bij de politie, omdat zij denken dat er sprake zou kunnen zijn van moord. Het komt voor Theodoor als een volslagen verrassing. ‘Ik kon nauwelijks reageren. Het was de eerste keer dat ik begreep op welk spoor ze eigenlijk zaten.’

Toch stemt Theodoor in. ‘Hij zei dat hij zijn verantwoordelijkheid ging nemen’, verklaart een psycholoog aan de politie, ‘dat hij wilde laten toetsen of hij wel of niet het goede had gedaan.’ De psychologen halen er een psychiater bij om te controleren of Theodoor niet suïcidaal is.

Waarom ging Theodoor akkoord? De situatie overrompelde hem, zegt hij nu. ‘Ze zaten daar met zijn drieën tegenover me. Ik dacht: als zij dit vinden, dan moet de politie er misschien naar kijken. Ze drukten precies op het punt waarover ik twijfelde.’

De volgende dag komt hij op dat besluit terug. Hij gaat zichzelf niet aangeven. ‘Ik had niks strafbaars gedaan.’ GGZ Drenthe kiest er vervolgens voor om het ziekenhuis in te lichten.

Waarheidsvinding

WZA-directeur Hans Mulder kan op 21 februari 2023 niet geloven wat hij leest. Twintig moorden, in zijn ziekenhuis? Hij ligt er meerdere nachten wakker van, vertelt hij in de media. Intern bespreekt hij de kwestie met een crisisbeleidsteam. De longartsen worden pas na Theodoors arrestatie op de hoogte gesteld.

Mulder zegt dat hij geen andere optie ziet dan naar de politie te stappen. ‘Wij konden, uit belang van waarheidsvinding, niet op eigen houtje beoordelen wat de waarde van de brief was’, stelt het WZA in reactie op vragen van de Volkskrant. ‘Juist daarom hebben we aangifte gedaan, zodat er een objectief en onafhankelijk onderzoek zou kunnen plaatsvinden.’

Theodoor, die dan al anderhalf jaar ziek thuis zit, wordt half april gearresteerd. Op de bijeenkomst waarop het ziekenhuispersoneel wordt geïnformeerd, barsten werknemers in huilen uit, geschokt door het nieuws dat zoiets in hun ziekenhuis zou zijn gebeurd.

Diezelfde week verspreidt het OM een persbericht. Theodoor is landelijk nieuws. ‘Je gaat er toch van uit dat je vader in goede handen is’, reageert een nabestaande vol ongeloof in het AD.

Morfine

In de cel heeft Theodoor die eerste tijd grote moeite om overeind te blijven. ‘Niet gek worden, niet gek worden’, zegt hij telkens tegen zichzelf. ‘Je bent onschuldig. Je komt hier weer uit.’

In lange verhoren vragen de rechercheurs hem telkens weer naar de morfine. Hij ontkent stelselmatig iets strafbaars te hebben gedaan.

Ook de drie longartsen van het WZA worden de eerste dagen uitgebreid ondervraagd. Hun verklaringen bevestigen grotendeels wat Theodoor vertelt over de werkwijze tijdens de pandemie. Bijvoorbeeld dat verpleegkundigen op belangrijke momenten altijd worden gecontroleerd door elkaar en nooit alleen te werk gaan. Geen enkele collega – arts of verpleegkundige – heeft ooit verdenkingen van medisch onverantwoord handelen gehad tegen hem, verklaren zij bij de politie.

De longartsen vertellen de rechercheurs nóg iets belangrijks. Morfine, stellen ze, is niet dodelijk. Althans: zeker niet in de hoeveelheden die in het ziekenhuis worden gebruikt. ‘Mensen sterven niet aan morfine, ze sterven met morfine’, verklaart een longarts. Morfine is pas dodelijk als er sprake is van ‘heel hoge doseringen’.

Morfine zit bovendien achter slot en grendel en wordt ‘geregistreerd’. Elke kleine dosis die een verpleegkundige uit de kast haalt, moet door een tweede verpleegkundige worden afgetekend: het ‘vierogenprincipe’. In het systeem is exact te zien wat en hoeveel op welk tijdstip wordt afgetekend en door wie, tot op de milligram en de minuut nauwkeurig. Hetzelfde geldt voor de toediening. ‘Daar kun je niet zomaar mee rommelen’, aldus een longarts.

De longartsen hebben geen enkel signaal ontvangen over misbruik en achten het zo goed als uitgesloten dat morfine in enorme hoeveelheden is toegediend. Of dat zuurstof tegen de regels in werd afgebouwd.

De covidafdeling was geen grote ruimte, verklaart een longarts. ‘Dus je stond elkaar zowat op de tenen. Als hij dit echt had gedaan, dan had dit moeten opvallen.’

Justitie heeft onderzocht of het mogelijk was veiligheidsprocedures te ‘omzeilen’. Hiernaar gevraagd concludeert het OM: ‘Het systeem is niet honderd procent waterdicht, maar er zijn geen concrete aanwijzingen gevonden dat hier (door de verpleegkundige) misbruik van is gemaakt.’

‘Overdosering’

Ondanks deze ontlastende bevindingen wil het OM Theodoor langer in voorlopige hechtenis houden. Maar de rechtbank oordeelt dat daar op dat moment onvoldoende grond voor is: er zijn geen aanwijzingen gevonden dat Theodoor ‘op ontoelaatbare wijze betrokken is geweest bij de dood van één of meerdere patiënten’. Op 1 juni, na zes weken gevangenschap, komt hij op vrije voeten.

Het onderzoek is dan nog niet afgerond. Het OM laat bijna vijftig medische dossiers door externe deskundigen tegen het licht houden van patiënten die tijdens of kort na Theodoors diensten zijn overleden.

In alle dossiers vinden de experts, een GGD-arts en een emeritus hoogleraar interne geneeskunde, slechts één opmerkelijke kwestie. In het dossier van een patiënt van Theodoor treffen ze een melding aan van een ‘overdosering’.

De recherche legt deze bevinding voor aan de verantwoordelijke longarts. Die zou 50 milligram morfine in één keer hebben voorgeschreven. De longarts is resoluut: ‘Ik heb dit waarschijnlijk zelf niet goed ingevoerd’, zegt hij. Het patiëntensysteem heeft automatisch een waarschuwing van overdosering afgegeven. En bij zo’n waarschuwing, legt de longarts uit, verstrekt de apotheek de medicatie niet eens.

De arts wijst bovendien op een cruciaal detail: de patiënt blijkt pas drie dagen later overleden. Áls Theodoor al een dodelijke dosis zou hebben gegeven, zou dit vrijwel meteen effect moeten hebben gehad. Niet pas dagen later. De longarts is stellig: ‘Hij heeft die 50 milligram morfine niet gehad.’

De conclusie van het medisch dossieronderzoek dat in oktober wordt afgerond is helder: op dit geval na zijn er ‘geen aanwijzingen gevonden voor onregelmatigheden in het handelen van de verdachte’.

Geen bewijs

Het is april 2024 als justitie bekendmaakt dat de zaak tegen Theodoor wordt geseponeerd. Hij is nu officieel geen verdachte meer. Toch pleit niemand Theodoor publiekelijk vrij. Een persofficier van het OM houdt na het sepot tegenover de NOS vol dat hij een ‘bekentenis’ aflegde. ‘Hij heeft tegen meerdere mensen gezegd: ik heb dit gedaan.’ Nabestaanden blijven daardoor in onzekerheid.

Waarom spreekt het OM niet uit dat er veel aanwijzingen zijn dat Theodoor onschuldig is? ‘Uit het onderzoek is niet komen vast te staan dat de verpleegkundige verkeerd is begrepen door GGZ-medewerkers’, antwoordt het OM. ‘Tegelijkertijd heeft het uitvoerige onderzoek geen bewijs opgeleverd die de uitlatingen van de verpleegkundige onderbouwen.’

Theodoors advocaten Tjalling van der Goot en Ronald Knegt vinden dat hun cliënt recht heeft op eerherstel. ‘Het OM had óók kunnen zeggen: hij heeft het niet gedaan. Maar het is voor instanties als het OM heel moeilijk om toe te geven: wij zaten ernaast.’

Ook het WZA zuivert ondanks het sepot de naam van zijn oud-medewerker niet, integendeel. ‘Allerlei vragen worden niet beantwoord en er komt ook geen heldere conclusie’, zegt directeur Mulder in Dagblad van het Noorden. Volgens hem is er sprake van een ‘vertrouwensbreuk’. Theodoors dienstverband wordt beëindigd middels een vaststellingsovereenkomst met financiële compensatie. Het ziekenhuis wil een geheimhoudingsplicht opnemen. Theodoor weigert.

GGZ Drenthe, het WZA, het OM: geen enkele organisatie vindt desgevraagd dat ze de zaak anders had moeten aanpakken.

Theodoor probeert ondertussen zijn leven weer op te pakken. Hij denkt na over een nieuwe loopbaan. Zijn BIG-registratie, waaruit blijkt dat hij een bevoegd zorgmedewerker is, heeft hij gedesillusioneerd opgezegd. ‘In een systeem waar niemand je beschermt’, zegt hij, ‘wil ik nooit meer werken.’

Tuchtzaak

Theodoor en zijn advocaten beginnen een tuchtprocedure tegen de medewerkers van GGZ Drenthe die volgens hen onterecht hun beroepsgeheim hebben doorbroken. ‘De ggz-medewerkers moeten zich achter de oren krabben en de volgende keer, als iemand zoals ik tegenover hen zit, hun werk doen: mensen onderzoeken en behandelen’, zegt Theodoor.

GGZ Drenthe wil niet ingaan op specifieke vragen van de Volkskrant over de handelswijze van medewerkers, maar laat in een algemene reactie weten nog steeds achter haar besluit te staan. ‘We hebben aan de hand van de ontvangen informatie een weloverwogen keuze gemaakt om het beroepsgeheim te doorbreken. Dat is gedaan in het belang van voorkoming van mogelijke grotere risico’s voor de maatschappij.’

Advocaten Tjalling van der Goot en Ronald Knegt vinden echter dat daar geen sprake van was. ‘Het gevaar was niet aanwezig en de uitlatingen van onze cliënt waren niet concreet. De basis voor het schenden van het beroepsgeheim is dus onjuist geweest, zeker gelet op de toenmalige psyche van de verdachte persoon. Dat zou juist de ggz moeten weten.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Weekendverhalen

Amerika-duider Michiel Vos: ‘Ik kom als schoonzoon overal binnen, waarom zou ik dat niet gebruiken?’

Na week van meevallers heeft het kabinet zonder naam de wind in de zeilen

Is de opkomst van nationalistisch-rechts een opstand van het ‘achterland’?

Source: Volkskrant

Previous

Next