Aan tennissen op gravel komt geen einde, is het vooroordeel. Maar wie de data bestudeert, ziet dat ook op het Grand Slam van Roland Garros, dat zondag begint, de eerste klap telt.
Voor liefhebbers van eindeloze slagenwisselingen, van tennissers die urenlang kreunend en knarsend over het gravel rennen en glijden, is Roland Garros het ultieme grandslamtoernooi. Nergens duren de rally’s langer, nergens krijgt toptennis sneller het karakter van een uitputtingsslag dan op de roodbruine banen in het hart van Parijs.
Toch?
Niet volgens de data. Daaruit blijkt bijvoorbeeld dit: verreweg de meeste rally’s duren in Parijs niet langer dan vier slagen. En: de meest voorkomende rally telt een enkele slag (de opslag).
Veel tennisliefhebbers reageren geschokt op dit soort feiten. De cijfers druisen in tegen hun waarnemingen, tegen jarenlange kijkervaring. Zelfs de Australische dataspecialist Craig O’Shannessy erkent volmondig dat hij aanvankelijk onthutst was door de cijfers, die nagenoeg identiek zijn voor alle grandslamtoernooien. Vandaar zijn mantra: ‘Vertrouw je ogen niet, vertrouw je spreadsheet.’
Over de auteur
Mark van Driel schrijft al ruim twintig jaar voor de Volkskrant over olympische sporten als tennis, schaatsen en atletiek.
O’Shannessy is binnen het tennis een van de voorlopers in het gebruik van data. Hij heeft gewerkt met Novak Djokovic, met Wimbledon, de BBC en met de succesvolle Italiaanse tennisfederatie, die dankzij een innovatieve aanpak toptalenten als Jannik Sinner heeft voortgebracht.
De voormalige journalist deelt zijn kennis via allerlei platformen (Brain Game Tennis), nieuwsbrieven, webinars en spreekbeurten voor tennisleraren (Youtube). Hij kiest niet voor de details waar topspelers voor betalen (zoals: welke opslag slaat een bepaalde speler meestal bij breakpoint tegen?), maar presenteert de grote lijn. Vijf getallen keren steeds terug in zijn beschouwingen.
Op Roland Garros registreert IBM al jaren allerlei wedstrijdgegevens. Eerste en tweede opslagen, winnende forehands en backhands, volleys, breakpoints, lengte van rally’s, zogeheten onnodige fouten: het wordt allemaal door menselijke handen ingevoerd in de computer die ze rangschikt in zeventien categorieën. De cijfers zijn na de partij beschikbaar voor media, spelers en fans.
O’Shannessy bekeek welk facet het meest bepalend was voor de winst. Het was niet de lange rally die zo kenmerkend is voor het Parijse toernooi. Die stond pas op plaats tien en bleek nauwelijks een verschil te maken in de uitslag van een partij. ‘Hoe langer de rally, hoe gelijker de uitkomst’, aldus de conclusie van de data-analist.
Wat wel de doorslag geeft? De korte rally van 0 tot 4 slagen. Oftewel, maximaal een opslag, een return en nog twee slagen. De speler die domineert in die heftige, korte reeks, wint vrijwel altijd de wedstrijd. In bijna 90 procent van de duels geeft het de doorslag.
‘Vastheid is niet de heilige graal van tennis’, schrijft O’Shannessy op Brain Game Tennis, die zijn ontdekking ‘de verborgen waarheid van tennis’ noemt. ‘Het is de first strike, de eerste aanval. De eerste twee maal dat je de bal raakt zijn belangrijker dan alles wat erop volgt.’
Ter illustratie voert hij Jannik Sinner op, de beste speler van dit jaar. Die won de Australian Open door onder meer tienvoudig kampioen Novak Djokovic en de Rus Daniil Medvedev te verslaan op de korte punten: 57 procent. Op de langere punten waren de andere twee iets beter.
Het belang van korte punten blijkt ook uit een ander cijfer. Hoewel tennis deze eeuw bewust heeft gekozen voor langere rally’s door banen minder snel te maken, ballen te verzwaren en betere rackets te ontwikkelen, loont het vooral om snel toe te slaan. 70 procent van de rally’s duurt maximaal 4 slagen, 20 procent tussen de 5 en 8 slagen, en slechts 10 procent meer dan 9 slagen.
Dat geldt ook voor Roland Garros, hoezeer marathonrally’s van meer dan dertig of veertig slagen ook de beeldvorming domineren van dat toernooi en zijn belangrijkste kampioen: Rafael Nadal.
Het verrassende cijfer was een toevalstreffer voor O’Shannessy, die in 2015 plotseling ontdekte dat dataleverancier IBM had besloten de rallylengtes te registreren en publiceren. Hij had geen idee dat korte punten zo doorslaggevend waren.
Dat gold ook voor topspelers als Djokovic, die hij tussen 2017 en 2019 aan vier grandslamtitels hielp. Vandaar dat de Australiër meer vertrouwen heeft in spreadsheets dan in zijn eigen waarneming. ‘We zien het, we bekijken het, maar we letten niet op.’
Als adviseur van Djokovic liet de dataspecialist de nummer één van de wereld inzien dat ‘het beloofde land van de lange rally’ een omweg naar de zege was, zelfs voor een speler die zijn tegenstanders het liefst langzaam uitput door ze van hoek naar hoek te dirigeren. Vaker naar het net, sneller afmaken: dat werd het devies. Het leverde vier grandslamtitels op tijdens hun samenwerking.
Zelfs Nadal, de veertienvoudig kampioen van Roland Garros, is beter in het korte werk. O’Shannessy analyseerde een reeks graveltoernooien (Monte Carlo, Barcelona, Madrid, Rome) waarin de onvermoeibare Spanjaard 21 van zijn 23 duels won. Wat bleek: 60 procent van zijn rally’s duurde minder dan tien slagen. Zijn conclusie: ‘Niemand is beter in de lange rally dan Nadal en toch is hij beter in de korte rally.’
Bij wijze van experiment ondervroeg O’Shannessy topspelers als Djokovic, befaamde coaches als Nick Bollettieri en gewone tennisleraren geregeld over rally’s. Hij wilde weten wat zij zagen als de meest voorkomende lengte. Vaak kreeg hij als antwoord: vier slagen.
Het juiste antwoord? Eén slag, de opslag. ‘Onze sport wordt gedomineerd door één enkele slag.’
Zelfs op Roland Garros, waar het trage gravel in het nadeel van de serveerder werkt, was de verdeling enkele jaren geleden klip en klaar. 28 procent van de rally’s duurde één slag; 17 procent drie (opslag, return en nog een slag); bij 12,2 procent bleef de rally steken op een opslag en return; in 8,6 procent waren er vier slagen en vijf slagen maakten 10 procent van het totaal uit. Het resterende kwart bestond uit lange rally’s.
Het belang van de opslag blijkt ook uit het tweede cijfer: 17 procent van de rally’s duurt geen twee maar drie slagen. Tennisspelers spreken van ‘serve plus one’. Met de harde of slimme opslag proberen ze zichzelf in een voordelige positie te brengen, zodat ze na de return gemakkelijk kunnen scoren. Vaak met een verwoestende forehand.
De meeste slagenwisselingen blijven kort door een fout. Het gaat meestal om afgedwongen fouten, niet de zogenaamd ‘onnodige’ fouten die tot ergernis van O’Shannessy vaak opduiken in de tennisdata. Die term is ruim een halve eeuw geleden vanuit het honkbal in tennis geïntroduceerd, maar zorgt door zijn onduidelijkheid vooral voor verwarring. Wat een ‘onnodige fout’ is, is vaak een kwestie van interpretatie.
De conclusie van O’Shannessy liegt er niet om: ‘Tennis is een sport van fouten, heel veel fouten. Op het professionele niveau eindigt 70 procent van de rally’s met een fout.’
De dominantie van Nadal in zijn topjaren, van Djokovic en dit jaar vooral van Sinner is dan ook toe te schrijven aan hun vastheid. Het spel is niet gebouwd rondom het scoren van de spectaculaire punten (zoals Federer), ze zijn vooral meesters in het vermijden van fouten.
Ze spelen zogeheten ‘percentagetennis’. Met relatief veilige spelpatronen zetten ze hun tegenstanders zo onder druk dat zij in de fout gaan. Dat is in lijn met de data. Uit cijfers blijkt dat verliezers van een duel vaak meer winnende ballen slaan dan de uiteindelijke winnaars.
Dat ze toch verliezen is te wijten aan de extra fouten die ze maken met hun riskante spel: ze kiezen, al dan niet bewust, voor moeilijke ballen met een laag succespercentage.
O’Shannessy: ‘Een oud mantra uit het tennis is: maak geen fouten. Het nieuwe mantra is: dwing fouten af. Maak het je tegenstander zo onaangenaam mogelijk, tot die in de fout gaat.’
Toptennissers winnen in hun beste jaren zo’n 90 procent van hun partijen. Op sommige toernooien scoren uitzonderlijke specialisten nog hoger: Rafael Nadal komt in Parijs tot 97 procent, Novak Djokovic bij de Australian Open tot 91 procent.
Wat onveranderlijk is: het gemiddelde aantal punten dat ze per wedstrijd winnen, bedraagt maar 55 procent. Dat betekent dat slechts iets meer dan helft van rally’s in hun voordeel eindigt.
Dit cijfer is al 25 jaar constant: Federer, Djokovic en Nadal zweefden allemaal rond die 55 procent. Datzelfde gold voor Serena Williams in haar hoogtijdagen. Eerdere topspelers als Pete Sampras, Lleyton Hewitt en Stefan Edberg bleven steken op 53 procent.
Dat gegeven heeft O’Shannessy teruggebracht tot een prikkelende oneliner, waarmee hij duidelijk maakt dat het verliezen van punten een essentieel onderdeel is van tennis. ‘Als je 45 procent van de punten verliest, kun je de beste speler van de wereld worden.’
Hoe klein de verschillen werkelijk zijn, blijkt bij spelers buiten de toptien. De marges slinken razendsnel. Een speler in de topvijftig, zoals de Nederlander Tallon Griekspoor, sluit gemiddeld 50 tot 51 procent van de rally’s als winnaar af. Door het aparte scoringssysteem van tennis, met games en sets, komt het zelfs voor dat hij een wedstrijd wint terwijl hij minder punten heeft gemaakt.
‘We spelen een sport met belachelijke kleine marges’, zegt O’Shannessy graag. ‘Een puntje hier, een puntje daar: dat is alles.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant