Home

‘Taal geeft betekenis, bepaalt of iets goed of fout is’

Als teamchef bij de Eindhovense politie probeert Jallal Barta te blijven zoeken naar verbinding, taal helpt hem daarbij:‘Een verslaafde kun je wegzetten als een dief en een junk, wat letterlijk afval betekent. Dan focus je op de verschillen.’

‘Mijn ideaal is een eerlijke en rechtvaardige samenleving. Bij onrecht denk ik aan het leed dat mensen wordt aangedaan, maar ook aan mensen over wie generaliserend wordt gesproken. Daarmee moet je erg oppassen, ik vind dat je altijd naar de nuance en het tegengeluid moet zoeken. Denk vooral niet dat je weet hoe de wereld in elkaar zit. Op die kennis zit een houdbaarheidsdatum, de samenleving verandert razendsnel.’

Als teamchef bij de Eindhovense politie geeft de 46-jarige Jallal Barta, samen met een vrouwelijke collega, leiding aan ongeveer 180 agenten: ‘We staan midden in de samenleving. Die positie moeten we zien te behouden. We moeten voorkomen dat we er tegenover komen te staan.’ Racistische uitlatingen bij de Nationale Politie, breed uitgemeten in de media, doen hem dan ook pijn: ‘Die bedreigen onze legitimiteit en geloofwaardigheid. Ze ondermijnen onze kansen voor een rechtvaardige samenleving op te komen.’

Over deze serie

In Het Ideaal interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.

Voor iemand met een Marokkaanse achtergrond is een hoge politiefunctie uitzonderlijk – op het niveau van teamchefs is er maar een handjevol. Dat Barta zo ver is gekomen, ligt tijdens zijn jeugdjaren niet voor de hand. Opgroeiend in een Roermonds gezin, met een vader die als laborant werkt, een moeder die huisvrouw is en een oudere broer, ervaart hij op school dat hij ‘met een kleurtje’ op achterstand staat: ‘Ik kreeg nooit het voordeel van de twijfel. Haalde ik een slecht cijfer, dan was de reactie: dat was te verwachten. Haalde ik een goed cijfer, dan dachten ze: die heeft gespiekt.’

Op de basisschool krijgt hij een laag advies (lts; nu vmbo-p), op de mts ondervindt hij weerstand van twee leraren: ‘Een van hen zei zelfs hardop in de lerarenkamer: ‘Die Marokkaan moet niet denken dat hij met een diploma vertrekt.’ Toevallig liep ik langs. Toen ik later mijn tentamen bij hem inleverde, beweerde hij dat ik had gefraudeerd. Hij wilde me schorsen. Ik sprak de directeur daarop aan. Maar die wilde het niet onderzoeken en adviseerde me van school te gaan. Dat heb ik gedaan, ik voelde me daar niet meer veilig.’

In de avonduren behaalt hij alsnog zijn diploma: ‘Een belangrijke overwinning. In mijn omgeving heb ik mensen na zo’n ervaring een muur om zich heen zien bouwen, die wilden niets meer met de gevestigde orde te maken hebben. Ik was echt op mijn ziel getrapt, maar hield mezelf voor: ik ben ook mooie mensen tegengekomen die me wel een eerlijke kans hebben willen geven.’

Na uw diploma bent u met een rugzak door Europa getrokken – nogal ongebruikelijk in die tijd voor iemand met een Marokkaanse achtergrond?

‘Ik wilde zo mezelf beter leren kennen. Mijn omgeving was niet verbaasd, ze zeiden: zoiets hadden we van jou wel verwacht. Ik was altijd al anders. Als ik vrienden bij me thuis uitnodigde, zei mijn vader: het lijkt hier wel een vreemdelingenlegioen. Er kwamen Afrikanen, Marokkanen, Duitsers, Nederlanders. Ik vind: je kiest je vrienden zelf. Kwam ik bij een autochtone Nederlandse kameraad thuis dan zag ik ze denken: aha, dus zo ziet Jallal eruit. Daarna leerden ze me kennen. Dat zeg ik altijd: leer me kennen, dan komt het goed. Daarin zit mijn kracht.’

U koos na uw backpack-avontuur voor een opleiding bij de politie. Hoe viel dat in uw omgeving?

‘Bij de oudere generatie best wel goed – mijn vader was zelfs mega-enthousiast. Alleen mijn moeder vond het niks, ze kende te veel slechte verhalen. Mijn broer vond het idioot, maar zei alleen: wel normaal blijven, hè? De meeste leeftijdgenoten waren niet positief – zij maken al die controles mee. Ik ben er goede vrienden door kwijtgeraakt. Maar je moet soms eigenwijs zijn en je hart volgen, dat heb ik tijdens het backpacken geleerd. Je kunt je laten adviseren, maar uiteindelijk sta je zelf aan de lat en maak je je eigen keuze.’

Uw ideaal van een eerlijke en rechtvaardige samenleving, had u dat van meet af aan?

‘In eerste instantie voelde ik me vooral aangetrokken tot actie en sporten. Gaandeweg kom je erachter dat er veel meer bij politiewerk komt kijken. Je wordt erg snel volwassen. Als twintiger moest ik troost bieden aan ouders die hun dochtertje hadden verloren doordat een vrachtwagen over haar heen was gereden. Terwijl ik die beelden zelf nog moest verwerken. Je wordt geconfronteerd met heftig menselijk leed, met handelen waarvan je niet wist dat het bestond. Dat vormt je, mijn naïviteit verloor ik snel. De kunst is niet te verharden. Wat me heeft geholpen, is dat ik bij mijn collega’s op verhaal kon komen. Dat soort psychologische ondersteuning is tegenwoordig gelukkig veel professioneler dan toen ik begon.’

Wanneer begon uw ideaal vorm te krijgen?

‘Vooral in mijn tijd als wijkagent, toen ik verantwoordelijk was voor vijfduizend inwoners in drie wijken. In een daarvan leefden mensen in grote armoede. Ik kwam bij een ouder echtpaar dat voor hun koffie drie keer dezelfde drab gebruikte – een schrijnende situatie die ik op Twitter deelde. Buurtondernemers kwamen daarop in actie. Dat echtpaar kreeg voedselpakketten, ik bracht ze met de schuldhulpverlening in contact. Samen met de gemeente heb ik ervoor gezorgd dat alle buurtbewoners weet kregen van de ondersteuning waar ze recht op hebben – arme mensen schamen zich vaak om een beroep op voorzieningen te doen. Daarna kon ik me weer op de criminaliteit richten.

‘Het mooie van dat soort acties is dat je daarmee kunt helpen voorkomen dat mensen de fout in gaan – je bent proactief bezig. Er ontstond ook nieuwe energie in de wijk doordat we schouder aan schouder ergens voor stonden, dat was een onverwacht mooi effect. Tot dan toe was de mentaliteit in de wijk vooral: als het voor mijn eigen voordeur maar schoon is, dan geloof ik het verder wel. Het fijne van de functie van wijkagent is dat je echt betekenisvol kunt zijn. Dat ervoer ik ook in mijn werk met verslaafden. Ik heb ze zoveel mogelijk op basis van gelijkwaardigheid benaderd, dat hoort voor mij ook bij een rechtvaardige samenleving.’

Wat moet ik me daarbij concreet voorstellen?

‘Je kunt in de omgang met mensen altijd kiezen: zie je vooral de verschillen of vooral de overeenkomsten? Een verslaafde kun je wegzetten als een dief en een junk, wat letterlijk afval betekent. Dan focus je op de verschillen. Maar je kunt hem ook zien als jezelf: een man die door Eindhoven loopt, bezig met overleven en met een eigen verhaal. Ik luister graag naar zo iemand. In mijn omgeving heb ik ook meegemaakt dat iemand zo kan afglijden. Wanneer een verslaafde strafrechtelijk over de schreef ging, dan kwam ik in actie, natuurlijk. Maar zolang dat niet het geval was, viel er altijd met me te praten. Dankzij die contacten heb ik een grootschalig netwerk van gedwongen prostitutie ontdekt. De recherche heeft dat onderzoek van me overgenomen. Ik was er trots op dat dat me was gelukt door mijn vertrouwenspositie bij de verslaafden.’

Hoe werkt u als teamchef aan uw ideaal?

‘Mijn eerste streven is een veilige werkomgeving. Als het binnen veilig is, werkt dat door in hoe we in de samenleving staan. Veilig binnen betekent dat er voor tegengeluiden ruimte is. Dan kunnen we ook beter openstaan voor de buitenwereld met al zijn tegengeluiden. Ik benadruk altijd: wees nieuwsgierig, vind nog even niet iets ervan. Vaak zijn we daar veel te snel in: nog voordat de ander zijn eerste lidwoord heeft uitgesproken, hebben we al een mening.’

Wat is een voorbeeld van zo’n tegengeluid?

‘Wij hebben een discussie gevoerd over de lhbti-gemeenschap, toen er bij hun gebouw een regenboogvlag van de gevel was getrokken en iemand was mishandeld. Op zich zou dat geen hoge prioriteit hebben gekregen, maar door de impact ervan werd dat anders. Niet alleen bij de lhbti-gemeenschap, maar ook in de samenleving als geheel leidde het tot onrust. En terecht: mensen van een minderheid werden aangevallen om wie ze zijn. In een stad die steeds internationaler wordt, ligt dat gevoelig. Dus besloten we het een hoge prioriteit te geven.’

Van wie kwam het tegengeluid?

‘Van agenten die vonden dat we niet moesten afwijken van onze normale criteria. Dat hebben we toch gedaan. We hebben vervolgens de daders weten op te pakken. Het mooie was dat ook die kritische collega’s daarop met trots terugkeken. De waardering van de samenleving die we ervoor ontvingen, bevestigde nog eens dat we het goed hadden gezien.

‘Wat me in discussies over dit soort incidenten opvalt, is het belang van taal – woorden maken zo veel uit. Taal geeft betekenis aan iets of aan iemand, bepaalt of iets goed of fout is. Dus moet je als leidinggevende er heel alert op zijn. Vaak wordt er gezegd: het was maar een grapje – dat is de grootste witwasmachine bij ons. Onder dat mom krijgen mensen de heftigste ziekten verwenst. Dat wil ik niet hebben, dan treed ik op.’

Heeft u er zelf slechte ervaringen mee, bijvoorbeeld grappen over uw afkomst?

‘Met collega’s legde ik een keer een hindernisbaan af. Omdat ik goed kan sporten, vloog ik eroverheen. Iemand riep: ‘Heb je dat soms bij de Taliban geleerd?’ Toen zei ik: ‘Neem je tijd om te lachen, maar vergelijk mij nooit meer met gasten die anderen vermoorden, die staan heel ver van mij af. Dus dit is echt de laatste keer.’ Die man zei: ‘Sorry, ik wist niet dat je het zo zou opvatten.’ Ik zei hem: ‘Wat had je dan verwacht? Het is een heel slechte grap, doe iets aan je humor. Ik wil niet geassocieerd worden met die gasten.’ Soms treed ik ook zo hard op bij opmerkingen naar collega’s die er zelf niks over zeggen. Dan zeg ik: ‘Als leidinggevende vind ik dat het niet kan.’’

Is het normbesef bij de politie veranderd in vergelijking met uw begintijd?

‘Zeker, het krijgt veel meer aandacht en heeft een veel grotere urgentie dan vroeger. Dat komt natuurlijk ook door die affaires met app-groepen (agenten deden daarin racistische en vrouwonvriendelijke uitlatingen, red.). Die hebben een ontzettend slecht beeld van de politie gegeven en hadden een weerslag op onze verhouding tot de samenleving. Maar zelf heb ik nooit op mijn persoon gericht racisme ervaren. Misschien omdat ik altijd zo duidelijk mijn grenzen aangeef. Dat is belangrijk. Ik geloof sterk in voorbeeldgedrag en hoop dat dit bijdraagt aan het uitbannen van racisme bij de politie.’

Betaalt u ook een prijs voor uw idealen?

‘Bij dit werk moet je oppassen dat je niet 24 uur per dag aan staat. Voor je het weet blijf je alleen achter, met je ideaal. Ik heb ook nog een partner en twee dochters, van wie ik wil genieten en van wie ik de fasen in hun leven wil meemaken. Dus moet ik telkens zoeken naar balans. Terwijl de samenleving zelf minder in balans is, de onzekerheid is in mijn ogen sterk toegenomen. Om je staande te houden heb je veerkracht en flexibiliteit nodig. Gelukkig krijg ik energie van dit werk, dat helpt me enorm.’

Boektip: Notities van een Generaal, Peter van Uhm

‘Dit boek zet aan tot denken over dilemma’s die een leider tegenkomt: hoe houd je oog voor het menselijke, wanneer grote belangen spelen en hoe verander je de cultuur van je organisatie? Tussen politie en leger bestaan verschillen, maar hoe Van Uhm problemen ‘omdenkt’ en oplost, vond ik echt inspirerend.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next