Volgens wetenschapsjournalist Lucy Jones steekt de realiteit van het moeder worden schril af bij populaire ideeën over het moederschap. In haar boek daarover onderzoekt ze de ingrijpende verandering die een vrouw doormaakt als ze moeder wordt: de moederteit.
Toen wetenschapsjournalist Lucy Jones (39) negen maanden moeder was van haar eerste kind, zweefde ze als in een roes door een warenhuis. Ze zag een klok met een vuurtoren, geinig voor de kinderkamer. Hup, onderin de kinderwagen. Bij de kassa rekende ze een blikje koude koffie, vloeitjes en shag af. Buiten dronk ze het blikje leeg. Eenmaal thuis smeet ze drie mokken aan diggelen op het terras.
‘Kun je er wel even bij zetten dat ik die klok later heb teruggebracht?’, vraagt Jones per videoverbinding vanuit het Engelse Hampshire. Ze heeft zich achteraf het hoofd gebroken over waarom ze een klok stal. ‘Ik nam gewoon de moeite niet om hem af te rekenen. Ik had al maanden niet meer dan drie of vier uur per nacht geslapen. Maar er broeide ook een soort woede in mij.’ Jones voelde zich misleid. ‘Wat me was voorgespiegeld verschilde zó erg van de realiteit van het moeder worden. Door wat ik had gelezen kreeg ik het idee dat zwangerschap, bevalling en het moederschap geen big deal zouden moeten zijn, dat mijn lichaam een soort bloempot was waarin de baby groeide en ik daarna ongeveer dezelfde vrouw zou zijn.’
Over de auteur
Emma Curvers is mediaverslaggever en columnist bij de Volkskrant. Zij schrijft met name over internetcultuur, sociale media, emancipatie en sociale ongelijkheid.
Dat was niet zo: Jones voelde zich een volslagen ander mens. Ze had een post-partumdepressie, luidde de diagnose, haar dosis antidepressiva werd verdubbeld en ze kreeg cognitieve gedragstherapie. De baby was geweldig, zei ze er braaf bij, maar het moederschap voorlopig niet. Dat geldt voor veel vrouwen. Ook in Nederland krijgt (volgens het Trimbos-instituut) ongeveer 10 procent van de moeders een postpartum-depressie: zo’n 23 duizend vrouwen per jaar. Geen kinderachtige aantallen. Maar is het een kwestie van ‘niets aan te doen’? Niet volgens Lucy Jones.
Voor haar voelde de diagnose als een doekje voor het bloeden: ‘Een manier om de onderliggende kwesties die tot postnatale psychische aandoeningen kunnen leiden niet aan te pakken, maar op te lappen.’ Want was ze, in die tijd dat ze die klok stal, niet ook gewoon eenzaam? ‘Nieuwbakken moeders zijn een van de eenzaamste en meest geïsoleerde groepen in onze samenleving. De schaamte over het idee dat ze niet voldoen en het gevoel van falen kunnen ertoe leiden dat een nieuwe moeder zichzelf nog verder isoleert.’
De post-partumdepressie ís geen probleem dat moeders in eenzaamheid moeten doorstaan, stelt Jones in het boek dat ze schreef, Moederteit: het is een aandoening van een samenleving die volgens haar tekortschiet in het ondersteunen van vrouwen bij een permanente transformatie. ‘Na de diagnose wilde ik onderzoeken waarom het moederschap zo gevaarlijk is voor de gezondheid en het welzijn van vrouwen. Dat deed ik ook voor mijn eigen psychische overleving, want ik was verbijsterd. Er had zich een seismische schok voorgedaan en ik moest daar een verklaring voor vinden.’
Jones ging op zoek naar de biologische basis van die seismische schok en ze had geluk, zegt ze: ‘Precies toen ik moeder werd, verscheen er veel fascinerend onderzoek naar de veranderingen die plaatsvinden in de hersenen als je moeder wordt.’ Deugt er iets van het idee dat het vrouwenlichaam ‘gemaakt zou zijn om te bevallen’, bijvoorbeeld? Waar komt het woord ‘kraamtranen’ vandaan, en is dat wel een goede naam? Bestaat er bewijs voor het fenomeen baby brain, zwangerschapsdementie, waardoor zwangere vrouwen zo verstrooid zouden zijn?
Een droog wetenschapsjournalistiek boek werd het niet. Jones belandt via haar persoonlijke belevenissen bij bergen onderzoek over moeders en moederende dieren en verweeft die met passages over het poollicht, palingen en de metamorfose van rupsen. Ze gooit talloze mythen over het moederlijf omver. Dat alles bindt ze samen in een pleidooi voor politieke en maatschappelijke verandering. Want de transformatie van vrouw naar moeder is groot, zegt Jones, zo groot dat we er een woord voor nodig hebben: matrescentie (in de Nederlandse vertaling van haar boek is dit ‘moederteit’ geworden).
Eerst even daarover; ik heb een kind van 2. Zit ik dan nog in mijn matrescentie? En jij?
‘Mijn oudste kind (Jones heeft er drie, red.) is 7, soms denk ik dat ik er nog steeds in zit. In zekere zin houdt de matrescentie nooit op, omdat de moederrol altijd weer nieuwe dingen van je vraagt, maar de beginjaren brengen de intensiefste veranderingen in het lichaam met zich mee. Het is trouwens niet mijn woord, het is gemunt door antropoloog Dana Raphael in de jaren zeventig. Ik ben dat concept gaan verkennen met de biologische blik. Het sprak me aan deze fase te beschouwen als een nieuwe levensfase, omdat de veranderingen in het lichaam zo gigantisch zijn en soms ook permanent. Er is onderzoek dat erop wijst dat het moederbrein krimpt en groeit, en recent nieuw onderzoek laat zien dat een deel van die veranderingen voor altijd is. Daarom houdt de matrescentie in wezen nooit helemaal op.’
Als moeders weten hoe hun lichaam en hersenen veranderen tijdens die fase, hoe helpt hen dat dan door dat tijdperk heen?
‘Een studie van Elseline Hoekzema, een Nederlandse neurowetenschapper, liet zien dat de veranderingen in het brein tijdens de zwangerschap net zo groot zijn als tijdens de puberteit. Je wéét wel dat zwangerschap een hormonale gebeurtenis is, maar ik wist niet dat van sommige hormonen honderden of duizend keer hogere hoeveelheden door je lichaam worden aangemaakt. Sommige zijn hormonen die ons lichaam nog nooit eerder heeft ervaren. Dat vond ik een eyeopener omdat ik me in mijn matrescentie ook een beetje een puber voelde: een beetje verward, overweldigd en behoorlijk eenzaam en ongemakkelijk in mijn eigen lichaam. Het was een geruststelling om te ontdekken: ik voel me niet alleen anders, ik bén anders.’
Je schrijft dat het moederschap ‘de meest politieke ervaring van je leven’ was, ‘boordevol conflict, overheersing, drama, strijd en macht’. Hoe bedoel je dat?
‘Het moederschap heeft mijn begrip van onze politieke en economische machinerie enorm beïnvloed. Onze economie profiteert van vrouwen en hun reproductieve arbeid. Veel vrouwen voelen zich overweldigd en geïsoleerd door de last van het moederschap. Ze internaliseren dit als hun eigen falen, terwijl het eigenlijk een gevolg is van ons systeem. Het is heel belangrijk te investeren in alles wat met de gezondheid van moeders te maken heeft. Het is een politieke beslissing om niet te investeren in onderzoek naar postpartumdepressie.
‘Tegelijk denk ik dat veel van de isolatie en de schaamte wordt verergerd door sociale en culturele ideeën rond het moederschap. Dat begint al tijdens de zwangerschap. Uit onderzoek naar boeken over zwangerschap en de periode erna bleek dat slechts 0,8 procent van die boeken ging over het herstel van het lichaam van de moeder na de bevalling. Dat is een ontkenning van de ervaring van moeders, en die gaat in de westerse cultuur eeuwen terug, ook in de publieke ruimte. In de Engelse treinen bijvoorbeeld, is geen plek voor een kinderwagen. Je moet je wagen inklappen, terwijl je baby erin moet slapen. Dan voel je je verwaarloosd. Vrouwen denken vervolgens dat het aan hen ligt dat ze zich niet redden.
‘Vrouwen moeten beseffen dat het moederschap zoals dat nu geregeld is een sociaal construct is. Het kerngezin, waarin de vrouw eenzaam in haar huis moedert, was niet altijd de norm gedurende de menselijke evolutie. Onderzoek laat zien dat baby’s in jager-verzamelaarsgemeenschappen met vaak met wel negen alloparents, mede-ouders, worden grootgebracht. Daarom is het logisch dat ook andere verzorgers dan de moeder neurologische netwerken hebben die zich aanpassen op het ouderschap.’
Je bent in je boek streng over het opnieuw populaire ideaalbeeld van een ‘natuurlijke bevalling’ zonder pijnbestrijding. Daartegenover staat het gevaar van onnodige medicalisering. Hoe weeg je dat tegen elkaar af?
‘Het is heel ingewikkeld. Zelf werd ik ook meegesleept door dat ideaal. Er zíjn ook veel vrouwen die achteraf zeggen dat hun bevalling onnodig gemedicaliseerd is. Ik denk dat we te maken hebben met overcorrectie. Ik zie de natuurlijkebevallingsbeweging als een poging om de negatieve kanten van de medische manier te corrigeren en vrouwen meer zeggenschap te geven over hun bevalling. Maar de geschiedenis van het idee van ‘natuurlijk bevallen’ ligt niet zo eenvoudig.
‘In de oorspronkelijke teksten waarin de term werd geïntroduceerd, zie je absurde beweringen, zoals dat een vrouw, als ze kalm genoeg is, zonder pijn kan baren. Deze ideeën bestaan nog steeds. Veel mensen volgen eenzelfde soort cursussen, en krijgen daar het idee dat het lichaam is gebouwd om een baby te baren, als je maar kalm blijft en in de juiste omgeving bent. Daar zit ook een moreel oordeel in als het anders loopt. Je kunt ook een prachtige bevalling hebben met een geplande keizersnede. Hoe wreed is het dat vrouwen zich mislukt voelen als ze niet op die geïdealiseerde manier bevallen?’
Ik denk dat dat idee in Nederland nog sterker leeft: hier bevalt rond de 13 of 14 procent van de vrouwen thuis. Als je begint over de gevaren, heet dat al gauw bangmakerij.
‘Een thuisbevalling is geweldig voor veel vrouwen, maar het kan ook fout gaan. Mijn thuisbevalling was de meest brute, traumatische ervaring van mijn leven. Ik was er óók van overtuigd dat ik weinig pijn zou voelen als ik hypnobirthing en ademhalingsoefeningen deed, dat ik zo een reeks van interventies kon vermijden. Als ik pijnbestrijding had gekregen, zou dat als een mislukking hebben gevoeld. Maar waarom? Ik voel het nog steeds in mijn lichaam, en ik ervaar nog steeds fysieke klachten. Als ik meer evidencebased informatie over pijnbestrijding en de risico’s op mogelijke schade had gekregen, dan had ik een keizersnede gewild. En daar pleit ik voor: eerlijke informatie. Maar van alles aan dit boek was het deel over bevallen het lastigst om te schrijven, omdat bevallen zo’n persoonlijke ervaring is, die op maat gemaakt zou moeten zijn.’
Je stelt ook dat de schaamte over zo’n vreselijke bevalling samenhangt met post-partumdepressies. Een deel van deze depressies zou vermijdbaar zijn. Waarom denk je dat?
‘Ik heb bijvoorbeeld ontdekt dat het effect van de enorme hormoondaling als de placenta wordt uitgestoten vergelijkbaar is met een depressie. Dat is een enorme hormonale gebeurtenis, die maakt je vatbaar voor psychische aandoeningen. Maar vrouwen krijgen te horen dat ze misschien de ‘babyblues’ krijgen op dag drie of vier, we spreken van ‘kraamtranen’.
‘Het is onmogelijk te zeggen hoeveel ervan precies voorkomen kan worden. Maar uit onderzoek blijkt dat isolatie en eenzaamheid schadelijk zijn voor de gezondheid van nieuwe moeders. Er is ook een verband tussen depressie, schaamte en taboes: moeders schamen zich ervoor dat ze het moederschap zo moeilijk vinden. Daarnaast hangt post-partumdepressie samen met traumatische bevallingen en eerdere mentale gezondheidsproblemen. Uit studies blijkt dat sociale steun in die situaties zowel preventief als helend kan zijn. Er is ook nog veel meer onderzoek naar nodig.’
Wat had jou geholpen in deze situatie?
‘Het ging makkelijker als ik bij familie was, bij oudere vrouwen aan wie ik de baby kon geven, waardoor ik me minder op mijn hoede voelde. Er zijn zoveel dingen die hadden kunnen helpen, zoals kortere werkdagen voor de partner, realistischere verwachtingen over het post-partumherstel, zodat het niet zo’n schok was geweest dat ik zo lang bloedde.
‘Het veranderen van ideeën over het moederlijke ideaal is ingewikkelder. Elke generatie feministen moet het instituut moederschap opnieuw vormgeven. Het idee van wat een moeder moet zijn is zo hardnekkig.’
In Nederland hebben we de afgelopen jaren een golfje van feministische boeken gehad die alle kanten van het moederschap recht proberen te doen, zoals Al die liefde en woede van Ianthe Mosselman en Mamamorfose van Renske de Greef. Is er in Engeland ook zoiets gaande?
‘Er zijn een paar geweldige memoirs gepubliceerd, zoals I Am Not Your Baby Mother van Candice Brathwaite, My Wild and Sleepless Nights van Clover Stroud, en natuurlijk de originele Britse moederschapsmemoir A Life’s Work van Rachel Cusk. Maar ik denk niet dat we in het Verenigd Koninkrijk een feministische golf rond het moederschap hebben gehad. Hier zijn de private en publieke sfeer altijd gescheiden geweest sinds de industrialisatie. Ook mijn feministische opleiding bestond uit carrièregericht feminisme, ik heb er nooit iets opgepikt over de waarde van het werk van het moederschap. En dus had ik naïeve ideeën: dat het moederschap belangrijk werk was, maar gemakkelijk, en zonder productieve waarde.
‘Dat is helemaal veranderd: het is het zwaarste wat ik ooit heb gedaan. Het is spannend en lonend en tegelijk ook saai en pijnlijk. We missen in onze cultuur verhalen over het werk van het moederschap. Er zit wel voorzichtig beweging in, het idee van matrescentie begint hier wel te leven. Dat de vrouw, de moeder, meer wordt gezien als een individu. Vrouwen die zich in de steek gelaten voelen, beginnen in te zien dat hun problemen niet hun schuld zijn. Volgende week ga ik naar het Britse Lagerhuis voor een onderzoek naar geboortetrauma, het eerste echte onderzoek. Dat geeft me hoop dat we dingen kunnen verbeteren.’
Lucy Jones: Moederteit. Uitgeverij Nieuwezijds, 320 pagina’s; € 26,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant