Hoe divers we ook denken te eten, onze voedselsoorten zijn genetisch gezien beperkter dan ooit. Een ernstig gevaar voor de wereldvoedselvoorziening, betoogt de Britse voedseljournalist Dan Saladino in zijn nieuwe boek.
De mondiale voedselrevolutie begint misschien niet in uw fruitschaal, maar het kan geen kwaad eens te kijken wat u eigenlijk in huis hebt. Die sinaasappel uit Spanje is genetisch een complex geval. Hij is ontstaan door duizenden jaren natuurlijke mutaties, en kruisingen door de mens. Zijn oerouders zijn de mandarijn, de pomelo en de sukadecitroen.
De appel ernaast kan een Jazz zijn of een Pink Lady, als ras pas een paar decennia oud en door de mens ‘gecreëerd’ op onder meer een uiterlijk dat het goed doet in de marketing.
En u hebt in de vorm van de vertrouwde gele pisang een historisch lijntje naar de zesde hertog van Devonshire, de 19de-eeuwse tuinbouwpionier William Cavendish. Het naar hem vernoemde bananenras is veruit dominant in de wereld, van de Amerika’s tot Japan – een gekloonde vrucht die zich niet zelfstandig kan voortplanten.
De banaan is, net als veel andere voedselgewassen, afkomstig uit omvangrijke monoculturen. Hoe groot de variatie in de winkels ook lijkt, genetisch gezien zijn veel van onze voedselsoorten van een zorgwekkende eenvormigheid, betoogt de Britse voedseljournalist Dan Saladino. De Cavendish-banaan is zelfs de kanarie in de kolenmijn voor onze voedselvoorziening, volgens hem: hij laat de kwetsbaarheid zien van het mondiale voedselsysteem. Door de uitgestrekte monocultuur en de genetische uniformiteit namelijk kon de Panamaziekte, een dodelijke schimmel, zich wereldwijd verspreiden over bananenplantages. De gekloonde banaan kan op eigen kracht – door natuurlijke mutaties – geen afweermechanismen ontwikkelen.
Het beperkte genenspectrum van veel basisvoedsel is een gevaar voor de voedselvoorziening, schrijft Saladino in zijn boek Eten tot het op is – ’s Werelds meest zeldzame voedselsoorten en waarom ze niet verloren mogen gaan.
Saladino maakt sinds jaren radioprogramma’s voor de BBC over voedsel en landbouw, en reisde hiervoor de hele wereld over. In zijn boek beschrijft hij een kleine veertig ‘bedreigde’ voedselsoorten, zowel planten- als veerassen, en hoe we die na duizenden jaren van evolutie en zorgvuldig uitgedokterde landbouw, bijna zijn kwijtgeraakt in twee, drie generaties. Dat veel zeldzame soorten nog bestaan, is vaak te danken aan koppige eenlingen en afgelegen gemeenschappen die hun traditionele gewassen koesteren.
‘De waarde van al dat genetisch materiaal is niet te overschatten’, zegt Saladino, ‘voor de biodiversiteit, de ecosystemen en lokale culturen, maar ook voor de voedselvoorziening, die onder meer door klimaatverandering onder druk komt te staan.’ Hij liet zich inspireren door de Ark van de Smaak, een inventaris van bedreigde voedingswaren, opgesteld door de internationale Slow Food-beweging.
Granen, bonen, vlees, vis, fruit of (schimmelculturen voor) kaas: wat de ene variëteit niet heeft aan genetische afweermechanismen, voedingswaarden of cultureel belang, heeft een andere wel. Voorbeeld uit zijn boek: toen in 2020 een dodelijke bacteriële infectie toesloeg op commerciële citrusplantages, werd een panacee gevonden in een molecuul uit de wilde menang garang. Deze zure en bittere voorouder van de citrusvruchten op onze fruitschaal kon overleven dankzij enkele volkeren in India die de vruchten koesteren.
Na de Tweede Wereldoorlog ontstond de groene revolutie, een wereldwijd voedselsysteem dat leunt op omvangrijke monoculturen. Dit verbeterde de mondiale voedselzekerheid. Wat ging er daarna mis?
‘Na de oorlog was er in met name Europa en Zuid-Azië grote bezorgdheid over het uitbreken van hongersnood. Er waren nieuwe technologieën voorhanden, bijvoorbeeld om kunstmest te produceren, en we wisten het een en ander van plantengenetica. Er werden graansoorten ontwikkeld die zowel in Mexico, Europa als in India verbouwd konden worden. Zaadbedrijven gingen mondiaal opereren. Nieuwe teeltprogramma’s waren puur gericht op een hogere opbrengst. Het was volkomen logisch op basis van wat we toen wisten.
‘De groene revolutie heeft veel calorieën geproduceerd, maar ze heeft ook genetisch uniforme gewassen verspreid. De bodem werd bijna gezien als een leeg canvas – je plant overal zaadjes, waar dan ook vandaan, waarna je met de juiste combinatie van chemicaliën en irrigatie heel veel voedsel kunt produceren.
‘Maar in de natuur bestaan geen monoculturen. Genetische diversiteit brengt evolutie en veerkracht mee; gewassen passen zich aan hun natuurlijke omgeving aan. Het mondiale landbouwsysteem staat nu onder druk door klimaatverandering en ziekten. Het moet vechten tegen natuurlijke processen.
‘We zijn in enkele decennia grote hoeveelheden genetische bronnen kwijtgeraakt die gedurende duizenden jaren – sinds de domesticatie van gewassen en veerassen – zijn gecreëerd door boeren over de hele wereld. De diversiteit van soorten graan, rijst, maïs en andere gewassen nam enorm af. Hetzelfde geldt voor de veehouderij. Enkele jaren geleden hield de Afrikaanse varkenspest huis in China: bijna de helft van de wereldwijde varkenspopulatie werd uitgeroeid door één ziekte.’
Wat was er beter vóór de groene revolutie?
‘In het verleden was het Europese eetpatroon gevarieerder: peulvruchten zoals linzen, erwten en bonen waren veel gewoner, we aten minder vlees. Peulvruchten zijn duizenden jaren geleden gedomesticeerd. Ze zijn goed voor ons én voor de bodemvruchtbaarheid, maar ze zijn grotendeels uit ons dieet verdwenen. Er is kortsluiting ontstaan tussen onze kennis over wat we moeten eten om gezond te blijven en de manier waarop we landbouw bedrijven.
‘We beginnen de negatieve impact te voelen van het grootschalig produceren van heel veel goedkope calorieën. Er komt steeds meer zicht op de werkelijke kosten van dit systeem, het water- en energieverbruik ervan, de voedselverspilling die eruit voortkomt, het effect op de omgeving zoals bodemerosie, de emissie van schadelijke stoffen, enzovoorts. We zullen naar een duurzamere landbouw moeten.’
U spreekt over ‘we’, maar boeren, consumenten, de voedingsindustrie en de politiek hebben ieder een ander belang. Is een grote voedseltransitie wel mogelijk?
‘Er zijn inderdaad veel belangen in het spel. Consumenten willen lage prijzen, boeren zitten gevangen in een subsidiesysteem, de politiek zit vast in relatief korte cycli. Het huidige, dominante landbouwsysteem wordt gedragen door politieke beslissingen. Het gaat mij ook niet om de totale omverwerping van het systeem; we zullen óók intensieve landbouw nodig hebben om de wereldbevolking te voeden, maar ik denk dat er daarnaast manieren zijn om duurzaam voedsel te produceren in grotere harmonie met de natuur.
‘Er zouden bufferzones gemaakt kunnen worden tussen vrije natuur en gebieden met intensieve landbouw. Zulke zones kunnen nog steeds aanzienlijke hoeveelheden voedsel produceren en toch de biodiversiteit vergroten. In het Verenigd Koninkrijk is bijvoorbeeld een samenwerkingsverband van duurzaam werkende boeren, Wildfarmed, die gewaswisseling gebruiken om hun afhankelijkheid van kunstmest te verkleinen. Hun meel wordt gebruikt in het brood van grote supermarktketens. In Zweden stimuleert de overheid een diversiteit aan appelsoorten als schoolfruit. We zouden boeren die de stap naar meer genetische variatie aandurven, de curatoren van gewasdiversiteit, kunnen ondersteunen. Nu werkt de economie, het huidige dominante systeem, tegen hen.
‘Nog een voorbeeld: na de Russische inval in Oekraïne stegen de prijzen voor kunstmest enorm. Daardoor zijn meer boeren gaan experimenteren met gewaswisseling om de vruchtbaarheid op een natuurlijke manier te bevorderen. De FAO, de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN, steekt veel geld in onderzoek naar het bevorderen van gewasdiversiteit met het oog op onder meer klimaatverandering en volksgezondheid.’
Dat vraagt een grote cultuuromslag van consumenten en producenten.
‘Ja, maar ik ben optimistisch. Als we in een paar decennia een groene revolutie konden ontketenen, kunnen we ook duurzame systemen ontwikkelen die geschikter zijn voor de huidige omstandigheden. Je moet mensen daarvoor wel goede redenen geven, daarom is storytelling zo belangrijk. Je moet laten zien wat ze hebben, en wat ze dreigen kwijt te raken.
‘In delen van India bijvoorbeeld zag je in de 19de en 20ste eeuw een uitbreiding van de tarweteelt ten koste van de traditionele gierst. De overheid probeert nu, vanwege de klimaatverandering, om boeren weer gierst te laten verbouwen, omdat dat beter bestand is tegen droogte. Gierst kan ook het tekort aan zink en ijzer bij een deel van de bevolking aanvullen. Het hoort bij het Indiase erfgoed, je kunt mensen vertellen: dit is wat je voorouders de afgelopen eeuwen hebben verbouwd, en met goede redenen.
‘Het probleem was: vroeger was het malen van gierst een arbeidsintensief proces, maar daar zijn nieuwe technieken voor. In sommige gevallen zijn er belangrijke economische factoren waardoor mensen bepaalde beslissingen hebben genomen over wat ze verbouwden. In andere gevallen zijn we gewoon slaapwandelend achter de ontwikkelingen aangelopen. Daar hoeven we niet mee door te gaan.’
Wat kunnen consumenten bijdragen?
‘We zien voedsel nu vooral in termen van kosten, smaak en gezondheid. Maar je kunt je verdiepen in wat we feitelijk eten en hoe dit ons beïnvloedt. Er komt steeds meer kennis over de triljoenen microben in onze ingewanden die onze fysieke en mentale gezondheid beïnvloeden. In dat verhaal is diversiteit in het voedselpatroon heel belangrijk. Het is dus puur eigenbelang om veel variatie aan te brengen in je eetgewoonten.
‘Eet met de seizoenen, kook zelf, en ga eens kijken wat er in jouw gebied voorhanden is aan producten uit de Ark van de Smaak. Je kunt producenten in de omgeving zoeken die op een verantwoorde, duurzame manier voedsel produceren. Koop een stuk kaas van een eigenzinnige kaasproducent, al is het maar een paar keer per jaar. Je kunt, in de woorden van Slow Food, co-producent worden. Geen passieve supermarktconsument, maar iemand die zich verdiept in het voedselsysteem.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant