Nederlands armoedebeleid houdt mensen klein of vermorzelt ze, zegt Tim ’S Jongers. ‘Arme kinderen vindt iedereen zielig, volwassenen hebben het aan zichzelf te danken, dat zijn domme mensen.’ Maar effectieve hulp komt niet van de grond zonder ervaringskennis.
Tim ’S Jongers (42) opent de deur van zijn maisonnette in het centrum van Den Haag, vlak bij de Schilderswijk. Onwennige grijns: ‘Ja, hier woon ik. Sinds drie weken.’ Alsof de geboren Vlaming, die een groot deel van zijn leven in bittere armoede doorbracht, ook niet snapt hoe hij eigenaar heeft kunnen worden van een met gipsen lijsten en ornamenten gedecoreerde koopwoning.
‘Ik heb mezelf wat gegund’, zegt hij haast verontschuldigend, als we later richting een naburig café wandelen. En meteen daarop: ‘Maar het is wel om de hoek bij een daklozenopvang, en in die straat wordt gedeald. In een homogene welgestelde wijk als Bezuidenhout of het Statenkwartier zou ik niet kunnen wonen.’
Het is nogal een reis die de directeur van de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de PvdA, heeft afgelegd. Hij groeide op in een stadje nabij Antwerpen, in een huis zonder douche, met een gat in de tuin als wc. Naar school ging hij alleen als er geld voor schoenen was, maaltijden bestonden uit frikandellen of vissticks.
Over de kluwen aan permanente (financiële) stress, huiselijk geweld en verwaarlozing die zijn kinder- en tienerjaren vormden, vertelt ’S Jongers – dan nog een anonieme Haagse ambtenaar – voor het eerst in 2021 in de Volkskrant. Het interview slaat in als een bom en katapulteert ’S Jongers naar voren als prominent ‘armoede-expert’ (een term die hem doet gruwen) van Nederland.
Na een langdurig ‘tunnelkruipen’ – praat hem niet van het beklimmen van maatschappelijke ladders, want ‘op drijfzand blijft geen ladder staan’ – schijnt het leven hem tegenwoordig beduidend zonniger toe. Als politicoloog en publicist denkt hij mee over armoedebeleid. Gemeenten, bestuurders en ambtenaren bellen hem voor advies. Hij heeft wat hij ‘articulatiemacht’ noemt: ‘Ik bevind me in de positie om me uit te spreken én er wordt naar me geluisterd, al dan niet met succes.’
Ook schrijft hij columns en essays (voor De Correspondent en eerder voor de Volkskrant) over armoede, ongelijkheid en bestaansonzekerheid. Als geen ander slaagt ’S Jongers erin om het Nederlands publiek te doen inzien wat armoede psychosociaal bij mensen aanricht. Daarvoor zet hij niet alleen zijn wetenschappelijke kennis in, maar, sinds enkele jaren, ook zijn eigen ervaringen. Nooit in de vorm van een ‘armoedepeepshow’, want ‘een focus op zielige verhalen zonder analyse gaat voorbij aan het belangrijke aandeel van mensen mét geld in de armoedeproblematiek’.
Over precies dat thema verschijnt komende week zijn nieuwe boek: Armoede uitgelegd aan mensen met geld. Hierin richt ’S Jongers zich nadrukkelijk tot het gezelschap waar hij sinds een kleine tien jaar zelf toe behoort: de hoogopgeleiden, de mensen ‘aan de knoppen’. Want zij bepalen het armoedebeleid: van de wirwar aan loketten en instanties tot de hoogte van het minimumloon, de regels omtrent bijstand, de huurprijs van een sociale woning, de voorwaarden voor schuldhulpverlening.
‘Beleidsmakers kijken vooral naar cijfers’, zegt ’S Jongers, een kop zwarte koffie voor zich. ‘Zoals inkomen. Als je onder een bepaald maandbedrag zit, heet je officieel arm. Zit je daar een paar tientjes boven, dan ben je opeens niet meer arm. Ze zien de oppervlakte van armoede, het gebrek aan geld, maar niet de diepte of complexiteit ervan.’
De diepte van armoede?
‘Armoede begint, uiteraard, met geldgebrek. Maar dat tast zoveel meer aan: je kansen op goed onderwijs, een gezonde leefomgeving en woning, een fijne buurt. Het noodgedwongen leven in de overlevingsstand en de permanente stress die daarmee gepaard gaat, richten iets aan. Mensen komen in de knoop met zichzelf, de wereld om hen heen, het systeem. Arme mensen gaan zeven jaar eerder dood, leven tot veertien jaar in een slechtere gezondheid.’
Daar hebben we toch armoedebeleid voor?
‘Maar dat beleid is enorm gefragmenteerd, complex en veroordelend. Hulp die mensen moet doen groeien, houdt hen klein of vermorzelt ze. Stel je bent een alleenstaande moeder die geld tekortkomt waardoor je kind soms zonder ontbijt naar school gaat. Dan komt jeugdbescherming erbij, het sociaal wijkteam, een psycholoog die moet beoordelen of je je kind wel kan opvoeden. Terwijl het gaat om een tekort van misschien 100 euro per maand.
‘Deze moeder kan aanspraak maken op 25 inkomensondersteunende maatregelen, die meerdere definities van minimuminkomen hanteren. En dat mag ze allemaal zelf uitzoeken. Daarbij komt ook nog een constante maatschappelijke veroordeling. Want ze maakt ongezonde eetkeuzes of ze rookt, en zie ik daar nou een flatscreentelevisie?
‘Vervolgens krijgt ze ongevraagd een leger aan ‘coaches’ (zoals hulpverleners tegenwoordig heten, red.) die haar komen vertellen hoe ze een goed en gelukkig leven voor elkaar moet krijgen. Daaronder zit de gedachte: ik ben nooit arm geweest, maar was ik arm, dan deed ik het tien keer beter dan jij. Be my guest, denk ik dan. Be my guest.’
Armoede uitgelegd aan mensen met geld is confronterende kost voor het hele werkveld aan beleidsmedewerkers, politici en hulpverleners die zich met armoede bezighouden. Doorspekt met rake en pijnlijke voorbeelden – zoals zijn chronisch zieke buurvrouw die elk jaar aan een nieuwe ‘social casemanager’ moet bewijzen nog altijd ziek te zijn – toont ’S Jongers hoezeer het opgetuigde systeem van armoedebestrijding, goede intenties ten spijt, drijft op symptoombestrijding en een beeld van ‘een generieke arme’ die niet bestaat.
Effectief armoedebeleid, dat niet alleen deelproblemen aanpakt, maar alle gevolgen van armoede, is volgens ’S Jongers alleen mogelijk met inbreng van ervaringskennis. Van mensen die armoede aan den lijve hebben ondervonden, zoals hijzelf. Hij spreekt liever over ‘spreidstandburgers’ – mensen met een been aan de ene kant van de kloof, die uit persoonlijke ervaring weten hoe armoede eruitziet en wat het allemaal kapotslaat, en die tegelijkertijd een been (vandaar de spreidstand) hebben in de bureaucratie waar armoedebeleid wordt bepaald.
‘Een spreidstandburger kan erop wijzen wat het invullen van een bijstandsformulier met je doet, omdat je op elke pagina als een potentiële fraudeur wordt behandeld. Bezwaar maken als een club ambtenaren het over een ‘wijksafari’ in een kansarme buurt heeft. Op safari ga je maar in Afrika, het gaat over mensen ontmoeten. Of ingrijpen wanneer een term als ‘zelfredzame dakloze’ (mensen die door schuld of ontslag dakloos raken, maar niet psychisch ziek of verslaafd zijn, red.) wordt bedacht.
‘Wie verzint zoiets? Weet je wel wat het met mensen doet als ze elke avond op een ander adres moeten slapen? Het lijken misschien kleine voorbeelden, maar ze maken een wereld van verschil. Ik zat ooit voor een ambtelijk advies bij een bijeenkomst over de nachtopvang. De helft van de aanwezige beleidsmensen had nog nooit een nachtopvang van binnen gezien. Ik vind dat symbolisch.’
Zijn er voorbeelden van geslaagd armoedebeleid waar ervaringsdeskundigen aan bijdragen?
‘Een mooi voorbeeld is het project Kansrijk Groningen. Ondersteuning draait vaak om de vraag: waar heb je recht op? Bij dit project is de vraag: waar wil je naartoe met je leven? In plaats van een leger aan duurbetaalde hulpverleners en ambtenaren, krijgen mensen één ‘buddy’, iemand die armoede uit eigen ervaring kent. Die onderhoudt alle contacten met instanties, want die beheerst inmiddels de ‘taal’ en kunde die je daarvoor nodig hebt. Tegelijkertijd staat hij door zijn ervaringskennis dicht bij de mensen om wie het gaat. Het werkt. Na een jaar volgt ruim driekwart van de deelnemers een opleiding of heeft een baan.’
De focus op ‘activering’ van mensen in armoede, zoals het ambtelijk heet, maakt ’S Jongers woest. ‘Als wij ziek thuis hebben gezeten, volgt er een traject om stap voor stap op te bouwen. Waarom geldt dat niet voor mensen in bestaansonzekerheid? Daar is het: met de zweep erachter, kom van die bank af. En niemand die vraagt of er wel een bank is om vanaf te komen.
‘Als je nooit autonomie of zelfbeschikking ervaart, erodeert dat je gevoel van eigenwaarde volledig. Wij willen na een stressvolle dag ook bijkomen. Of na een jaar hard werken op vakantie. Mensen in diepe armoede kunnen dat niet. Die staan nooit uit. Want arm zijn is als een clusterfuck, als een reeks dominosteentjes, waarvan er telkens een omvalt, en dan meteen ook de rest, dag na dag. Probeer dan nog maar te slapen ’s nachts. Het meest van alles hebben zij nood aan rust.’
Undeserving poor, noemt ’S Jongers volwassenen in bestaansonzekerheid die vaker met afkeuring dan met empathie geconfronteerd worden. ‘Arme kinderen vindt iedereen zielig, volwassenen hebben het aan zichzelf te danken, dat zijn domme mensen.’
’S Jongers praat snel, bevlogen, met handen die rusteloos bewegen. Soms ontsnapt hem een welgemeend ‘fokking hell!’ als hij spreekt over de enorme kloof tussen ‘hoopvollen’ – de hoogopgeleiden met hun schaapjes op het droge die fluitend door het leven kunnen – en de ‘hooplozen’, de mensen die door opgestapelde financiële problemen, en daaruit voortkomende mentale problemen, geen uitweg uit de misère zien. Snappen de hoopvollen wel hoezeer ze het getroffen hebben en dat hun ‘principiële bescheidenheid’ past als ze zich een oordeel over de hooplozen durven aan te meten?
Met onderzoek na onderzoek toont ’S Jongers in zijn boek hoe het hardnekkige geloof in de meritocratie (succes en gezondheid zien als eigen verdienste, red.), niet verrassend vooral populair in kringen van hoopvollen, op een fabel berust. Niet zijzelf, maar de plaats van hun wieg bepaalde hun route naar een ‘dominantenbestaan’. Net zoals postcode 2530 – van een van de armste en daarmee ongezondste wijken van het land (de Haagse Moerwijk) – een baby met een 10-0-achterstand de wereld inwerpt. ’S Jongers: ‘En in elke Nederlandse stad bevinden die twee werelden zich op 7 minuten fietsen van elkaar.’
Inmiddels rekent ’S Jongers zichzelf tot de hoopvollen. Hij is eindelijk ‘gelukkig’, vertelt hij, niet meer bang om terug te vallen in armoede. Al zal de ‘sociaal-maatschappelijke schizofrenie’ die hij voelt in de wereld der knoppendraaiers nooit helemaal verdwijnen. ‘Maatschappelijk gezien sta ik nu bovenaan de ladder, maar mijn vorming heeft zich onderaan die ladder afgespeeld.’
’S Jongers verwerkingsproces, en zijn besluit om anderen de ogen te openen voor de ‘diepte’ van armoede, kwam rond zijn 23ste op gang. Enkele jaren eerder ontvluchtte hij zijn geboorteplaats Lier en vestigde zich in de Belgische Kempen, waar niemand hem kende. In plaats van goed deden de stilte en afstand hem voor het eerst terugkijken op de ellende waarin hij opgegroeid was. Hij zakte ‘finaal door zijn hoeven’: door nachtmerries sliep hij niet meer, overdag verdoofde hij zichzelf met wiet. Er volgde een dagopname in een psychiatrische kliniek waar hij voor het eerst meemaakte wat ‘rust’ betekent.
Onlangs stuitte hij op pasfoto’s uit die tijd. Hij schrok zich wezenloos. ‘Ik zag een desperaat, ingevallen gelaat, donkere ogen en een bleek gezicht zonder enig spoortje levenslust. Het heeft me dagen gekost om me over die foto heen te zetten.’
Op zijn 26ste lukte het hem een universitaire studie politicologie in Antwerpen te beginnen. In Nederland (Universiteit Leiden) behaalde hij vervolgens een master bestuurskunde. Zijn diploma’s boden hem niet alleen een weg uit België, het land van de pijnlijke herinneringen, maar ook toegang tot de wereld van de maandsalarissen, kantoorkledij en zorgeloze praatjes bij de koffieautomaat.
Om niet uit de toon te vallen bij de ‘hoopvollen’ die hem opeens omringden, hield ’S Jongers zijn armoedige verleden voor zich. Tot hij in 2020 als onderzoeker bij de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) – een adviesorgaan voor de overheid op het gebied van zorg – met collega’s het boek Gezichten van een onzeker bestaan samenstelde: een publicatie met de levensverhalen van vijftien mensen die vertellen wat armoede mentaal, sociaal en fysiek met hen heeft gedaan.
Hun verhalen zijn voor ’S Jongers maar al te herkenbaar. Wil hij de geportretteerden de waardering tonen die ze verdienden, dan moet hij ook open zijn over zijn eigen geschiedenis, beseft hij. Tijdens een koude wandeling in een mistig Zuiderpark in Den Haag, met jointje en vier blikjes bier, luisterend naar muziek uit zijn vroegere leven, Leave van REM, City Middle van The National en Schism van Tool (‘hoe donkerder hoe beter’), hakt hij een knoop door.
Eenmaal thuis tikt hij ongefilterd zijn levensverhaal op en mailt het diezelfde avond nog aan zijn baas bij de RVS en een raadslid. Het is een verhaal over opgroeien in de marges van de samenleving, in een gebroken gezin, diepe armoede en alle bijbehorende mentale, sociale en lichamelijke gevolgen. Zijn grote vrees – ze ontslaan me, bagatelliseren mijn verhaal (‘wij hadden het ook niet breed’) of komen me met dramatische gezichten troosten – wordt geen werkelijkheid. Wel krijgt hij de vraag of hij zijn verhaal misschien met meer mensen wil delen.
Hoe is je verhouding tegenwoordig tot je vroegere wereld, je familie?
‘Ik zie hen niet meer. Uit lijfsbehoud. Toevallig had ik pas een ontmoeting met mijn jongere broer. Op verzoek van zijn vrouw. We hadden elkaar 15 jaar niet gezien.
‘Het was confronterend. Ik voel me schuldig, er zijn impliciete en wellicht onbedoelde verwijten, ja maar jij was slim. Klopt, dat geluk heb ik gehad. Het maakt dat zo’n ontmoeting er erg inhakt.’
Veel ellende begint met verstoorde relaties, zegt ’S Jongers, na een stilte. Of dat nu met de Belastingdienst, je ouders, partner of werkgever is. ‘En veel ellende stopt zodra er een veilige relatie voor in de plaats komt, iemand die naar je luistert, een hulpverlener die buiten zijn boekje gaat. In je eentje red je het niet als je zo diep zit. Af en toe heb je mensen nodig die je de weg wijzen.’
Een van zijn ‘mensen’ is Punker, de enige persoon in zijn huidige leven die hem door en door kent uit de tijd van de pasfoto. ’S Jongers ontmoette haar in de Kempen en ze is een constante factor in zijn leven gebleven. Punker groeide eenvoudig op, maar niet genadeloos arm zoals hijzelf. Ze werkt als postbode in het dorpje waar ze elkaar ooit leerden kennen. ‘Punker is de belangrijkste persoon in mijn leven. Ondanks alle misstappen die ik heb gemaakt, veroordeelde ze me nooit. Zonder haar was ik er niet meer geweest.’ Zijn boek is opgedragen aan haar.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant