Home

Jan Wolkers Prijs-winnaar Hans Mulder maakte een boek over de uitstervende natuur: ‘We zijn een gemankeerde soort’

‘We hoeven niet zozeer voor de natuur te zorgen om de aarde te redden’, zegt Hans Mulder, ‘maar om onszelf als soort te redden.’ Zijn bundel Verhalen van de natuur laat zien hoe talloze dieren (en een enkele plant) tussen 1500 en 1900 door de mens werden ontdekt, bewonderd en om zeep geholpen.

Tijdens de boekpresentatie van Verhalen van de natuur in het Allard Pierson-museum in Amsterdam vist conservator van de natuurhistorische collecties Hans Mulder een JBL-speakertje uit zijn rugzak. Hij heeft het van huis meegenomen omdat hij de genodigden iets wil laten horen. ‘Wacht even, hoor’, mompelt Mulder van achter de katheder, tikkend op zijn laptop. ‘Ja, hebbes. Goed. Komt-ie.’ Door de zaal klinkt het gezang van een vogel, mooi en melodieus, maar ook een tikje melancholiek. Mulder schraapt zijn keel. ‘Dit is de roep van de allerlaatste Kauai o’o, een vogel die inmiddels uitgestorven is. U hoort een mannetje dat een vrouwtje zoekt. Maar er bestaat geen vrouwtje meer. Als je dat weet, dan is dit geluid opeens behoorlijk aangrijpend.’

Een paar dagen later serveert Mulder thee en pindakoeken in de Allard Pierson Artis Bibliotheek aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam. Hier staan de boeken waarmee Verhalen van de natuur begon. Want in het door Mulder samengestelde boek beschrijven twintig wetenschappers weliswaar erudiet en toegankelijk hoe talloze dieren (en een enkele plant) tussen 1500 en 1900 door de mens werden ontdekt, bewonderd en om zeep geholpen, minstens zo belangrijk zijn de schitterende prenten en tekeningen die bij de verhalen zijn afgedrukt. Het merendeel daarvan komt uit de Artis Bibliotheek en is ooit gemaakt als illustratie bij een van de 9.000 boeken die daar worden bewaard.

Over de auteur
Wilma de Rek is chef Boeken bij de Volkskrant

Ruim twaalf jaar scharrelt Mulder nu al in die bibliotheek rond, maar wennen doet het nooit, zegt hij: ‘Het mooie van boeken is dat je erdoorheen moet bladeren. Je raakt de geschiedenis aan; dat vind ik elke keer weer een magisch moment. Veel van de prenten in die boeken zijn echte kunstwerkjes, prachtig ingekleurd, en omdat ze niet worden blootgesteld aan licht en lucht, blijven die kleuren goed. Je ziet wat de maker zag.’

Hans Mulder is bedenker en samensteller van Verhalen van de natuur, maar schreef zelf ook een paar hoofdstukken. Zoals dat waarin het droevige lot van de Kauai o’o aan de orde komt. Eeuwen vloog het zangvogeltje vrolijk rond op het Hawaiiaanse eiland Kauai, samen met soortgenootjes als de Hawaii o’o, tot de mens zijn entree maakte. De Hawaii o’o kwam het eerst in de problemen, toen vooraanstaande dames van het eiland hun begerige oog lieten vallen op zijn fraaie gele veertjes. De Kauai o’o hield het langer vol, maar ook hij was niet opgewassen tegen de ratten en katten die in het kielzog van de mens waren meegekomen. Het laatste mannetje, waarvan de smekende roep in 1985 werd vastgelegd, legde in 1987 het loodje.

Een ander zielig dier is de quagga, een ondersoort van de steppezebra, waarvan rond 1850 de ingekleurde litho werd vervaardigd die nu op het omslag van Verhalen van de natuur staat. Mulder wijst omlaag. ‘Daar, onder de bibliotheek waar wij nu zitten, waren vroeger de stallen van Artis. In die stallen is de quagga uitgestorven, op 12 augustus 1883. Pas in het begin van de 20ste eeuw werd duidelijk dat ze de laatste van haar soort was. Ze is wel meteen na haar overlijden opgezet, dat was gebruikelijk bij bijzondere dieren. Eerst is ze in het museum van Artis beland, daarna in het zoölogisch museum van de Universiteit van Amsterdam en nu staat ze in Naturalis.’

Heeft ze ook een naam?

‘Nee. De laatst bekende passenger pigeon wel, de trekduif, die heette Martha. Maar de quagga is naamloos gebleven. In augustus komt ze naar het Allard Pierson, voor de tentoonstelling.’

Die tentoonstelling is De roep van de o’o – Natuur onder druk, waarvan Verhalen van de natuur de ‘sjieke catalogus’ is, zoals Mulder graag relativerend mag zeggen. Alleen doet hij zichzelf daarmee tekort: het boek is minstens zo interessant als De ontdekking van de natuur, waarmee Hans Mulder in 2021 de Jan Wolkers Prijs won, de prijs voor het beste natuurboek van het jaar. Ook bij De ontdekking van de natuur vormde de collectie van de Artis Bibliotheek het uitgangspunt.

In De ontdekking van de natuur legt u uit hoe de mens in de loop der eeuwen de natuur in kaart bracht, in Verhalen van de natuur staat de vernietiging ervan centraal; is het bedoeld als tweeluik?

‘Ze horen wel bij elkaar, alleen is dit nieuwe boek wegens tijdgebrek niet door mij alleen geschreven maar door in totaal twintig auteurs. Hier heb ik echte geleerden bij gehaald, voor wie alle eer.’

Echte geleerden.

‘Ja, mensen die weten waar ze het over hebben. Zo zie ik mezelf niet, ik voel me meer een verhalenverteller. Ik gebruik de kennis van echte geleerden om verhalen te vertellen, daar komt het eigenlijk op neer. Maar inhoudelijk is het inderdaad een aanvulling op De ontdekking van de natuur. Beide boeken gaan over de periode tussen 1500 en 1900, met wat uitschieters naar de 20ste eeuw. De focus ligt nu op wat er niet goed is gegaan; dat is een verhaal dat ook verteld moest worden.’

In De ontdekking van de natuur benadrukte Hans Mulder dat het belangrijk is te begrijpen dat elke tijd het moet doen met de bij die tijd horende kennis. Het is ontzettend ingewikkeld om buiten de denkkaders van je tijd te treden, schreef hij, domweg omdat de taal en de kennis daartoe ontbreken. Nieuwe denkkaders vormen zich pas nadat ergens iemand op een briljant, ander idee is gekomen.

Een mooi voorbeeld daarvan staat in Verhalen van de natuur, in een hoofdstuk dat is geschreven door natuurfilosoof Joris Buis en ‘De ontdekking van het uitsterven’ als titel heeft. Buis beschrijft daarin hoe de Franse natuuronderzoeker Georges Cuvier en de latere Amerikaanse president Thomas Jefferson, die behalve politicus ook een gepassioneerd wetenschapper was, in 1796 ieder in hun eigen land en onafhankelijk van elkaar onderzoek deden naar de fossielen van een tot dan onbekend, kolossaal dier. Jefferson wist zeker dat het beest, dat hij Megalonyx doopte, nog ergens moest rondlopen. De natuur, schreef hij, werkt immers zo ‘dat zij nooit zal toestaan dat een bepaalde diersoort uitsterft; zij vormt geen enkele schakel in haar grote werk die zo zwak is dat hij breken kan’.

Georges Cuvier zag dat anders. Na lang puzzelen en onderzoeken kwam hij tot de conclusie dat zíjn Megalonyx de restanten van een dier moesten zijn dat inmiddels was uitgestorven. Tijdens een toespraak in het Parijse Institut National wees hij een zaal vol wetenschappers op de mogelijkheid van het bestaan van een wereld vóór de onze, vernietigd door een of andere catastrofe. Cuvier was daarmee de eerste die het concept ‘uitsterven’ benoemde en werd de grondlegger van de paleontologie.

‘Nog weer later drong door dat ‘uitsterven’ niet noodzakelijk verbonden is aan catastrofes uit een ver verleden, maar dat het ook door toedoen van de mens gebeurde’, zegt Mulder. ‘Dat heeft ook met die denkkaders te maken: iemand moet voor het eerst op het idee komen. Een rode draad in de levens van de mannen – de meesten waren mannen – die de grote kantelingen in het denken teweeg hebben gebracht, is dat ze op jonge leeftijd tot hun inzichten kwamen. Darwin, Einstein, Linnaeus.’

Mulder loopt naar een van de leestafels in het midden van de bibliotheek, waar een eerste druk uit 1735 ligt van de Systema Naturae, waarin de Zweedse botanicus Carl Linnaeus al het leven op aarde ordende en van namen voorzag. ‘In De ontdekking van de natuur beschreef ik hoe de West-Europeanen in de periode tot 1900 de natuur hebben verzameld en benoemd. Een van de helden in dat verhaal is Carl Linnaeus, die op zijn 28ste naar Nederland kwam om te promoveren en de beroemde arts en botanicus Herman Boerhaave te ontmoeten, en vervolgens in Leiden de eerste editie van zijn Systema Naturae liet drukken. We hebben in onze bibliotheek een van de grootste collecties van zijn boeken, na Londen en Uppsala.

‘De Systema Naturae is een kantelpunt in de geschiedenis van de wetenschap. Ik blijf de verhalen over Linnaeus geweldig vinden. Zo’n tamelijk onbescheiden jongen die niet alleen alle dieren en planten in zijn systeem onderbrengt maar ook de mens, die daarmee voor het eerst zijn plek krijgt in de natuur – als dier. Linnaeus schaarde de mens onder de viervoeters. En hij droeg zijn boek op aan God, dat was ongekend. Zeker als je 28 bent, is dat behoorlijk revolutionair, zoiets deed je niet; je hoorde nederig te zijn. Dat was Linnaeus niet. Zijn motto was: God schiep, Linnaeus ordende.’

Is Linnaeus uw grootste held?

‘Dat is toch eerder Charles Darwin, de ontdekker van het mechanisme achter verandering van soorten, de evolutietheorie. Niet alles wat Darwin ontdekte was nieuw, maar hij was in staat om vanuit al die verschillende perspectieven die hij bij elkaar bracht, met een nieuw idee te komen. Linnaeus neemt veel over uit bestaande teksten, hij zocht niet alles proefondervindelijk uit. Dat doet Darwin wel. Wat ik bij Darwin zo ongelooflijk vind, is dat hij in staat is geweest een theorie te ontwikkelen waarvan pas veel later bleek dat ze valide was. Hij heeft een paar aannamen moeten doen, bijvoorbeeld over de leeftijd van de aarde of over de genetica – die kennis wás er nog niet, hij kon niet weten hoe het zat – maar op basis van al zijn waarnemingen kwam hij tot conclusies waarvan veel later kon worden vastgesteld dat ze klopten.’

Uw boek houdt op na de 19de eeuw. Waarom? Het uitsterven is niet bepaald op dat moment gestopt.

‘Deels heeft dat een pragmatische reden, en dat is dat we gebruikmaken van die oude afbeeldingen, waar trouwens ook geen copyright meer op zit. Maar er is ook een inhoudelijkere reden en dat is dat de vernietiging van de natuur behoorlijk complexe materie is. Het ingewikkelde eraan is dat je snel in polariserende discussies terechtkomt.

‘Met dit boek en de expositie willen we zo veel mogelijk mensen bereiken. Eigenlijk willen we iedereen binnenhalen en iets meegeven van de pracht en complexiteit van de natuur, van onze verhouding ertoe. En dat is ook alweer ingewikkeld, want op het moment dat je het woord ‘ons’ gebruikt, over wie heb je het dan eigenlijk? En wat is natuur precies? Er zijn zo veel culturen die bij ‘natuur’ een heel ander beeld hebben dan de gemiddelde West-Europeaan. Er is geen eenduidige definitie.

‘Ik denk dat die ook niet te geven is. In Europa zijn filosofen en historici schatplichtig aan religie, in het bijzonder het christendom, en is natuur kort samengevat dat wat de mens niet heeft gemaakt. Natuur staat dan tegenover cultuur; de mens staat buiten – en eigenlijk boven – de natuur. Maar als je natuur definieert vanuit de biologie, dan zou je kunnen zeggen dat natuur het geheel is van het veranderende en onderling verweven aardse leven. De mens is daar een onderdeel van. Als we natuur geologisch definiëren, lijkt het nog simpeler. Over zo’n tien miljoen jaar zijn we met onze hele natuur én al onze culturele uitingen een aardlaag. Want die aarde draait gewoon nog een paar miljard jaar door, met of zonder ons.’

Als je de 20ste en 21ste eeuw erbij haalt, kom je in een welles-nietesdiscussie die je niet wilt.

‘Ja. Ons belangrijkste doel is bewustwording, onder meer door al die prachtige, uitgestorven dieren te laten zien. De meeste mensen doen heus hun best, maar we komen voortdurend in aanraking met ons onvermogen echt gevolg te geven aan oproepen tot verandering. Ik heb het goed voor met de aarde, maar ook ik doe maar al te vaak dingen waarvan ik weet dat ik ze eigenlijk niet zou moeten doen. We zijn een gemankeerde soort. Het denkkader waarin we nu zitten is: we stellen vast dat iets niet goed gaat, bedenken er een oplossing bij en dan moet het dus zo gaan.

‘Maar we merken dat het niet goed werkt. Het gaat ons niet lukken, dus zullen we met een beter plan moeten komen, een plan dat rekening houdt met onze zwakheden. Tijdens de boekpresentatie zei ik schertsend dat het zou helpen als zorgen voor de natuur ongelooflijk lucratief wordt. Als je er geld mee kunt verdienen. Misschien moeten we geen beroep doen op altruïsme maar op egoïsme. Tegelijk denk ik ook dat we misschien zó bezig zijn met het controleren van de natuur, dat we uit het oog verliezen hoe veerkrachtig die natuur zelf is.’

De natuur redt zich wel, die begint gewoon opnieuw; degene die eraan gaat, is de mens.

‘Ik denk dat dat bij heel veel mensen nog niet is ingedaald: het besef dat we niet zozeer voor de natuur hoeven zorgen om de aarde te redden, maar dat we dat moeten doen om onszelf als soort te redden, als we dat willen, omdat we zonder een leefbare aarde niet kunnen voortbestaan.’

Volgens Darwin sterven alle soorten uiteindelijk uit.

‘Maar de vraag is: hoe snel? De mens heeft nog zo veel te ontdekken, er is nog zo veel te weten, ik ken geen mooiere uitdaging dan proberen iets van het al te begrijpen. Zou de mens, als hij zichzelf om zeep helpt, ook niet de eerste soort zijn die dat doet? Ik weet het eigenlijk niet, maar het zou wel bijzonder zijn. Het lijkt net of we een zelfdestructief mechanisme hebben. Tegelijk: we gaan naar de 8 miljard, we zijn als soort nog steeds succesvol.

‘Het is lastige materie. Misschien staat er binnenkort iemand op met een nieuw idee. Ook in onze tijd lopen er jonge mensen rond die briljant zijn. Als ik hier in de bibliotheek presentaties geef voor docenten of leidinggevenden van de UvA, vertel ik altijd hoe belangrijk het is om een onderwijssysteem te hebben dat jonge hersenen de ruimte geeft. Ik ben bijna 63, van mij valt niets meer te verwachten.’

Wat wordt uw volgende boek?

‘Dat wordt een serie over de geschiedenis van Europa, ook weer tussen 1500 en 1900. En ik ga iets maken over de eerste twintig jaar na de uitvinding van de boekdrukkunst. George Steiner schrijft in zijn essay The Idea of Europe dat Europa wandelend tot stand is gekomen; als je Europa wilt leren kennen, moet je het dus bewandelen. Ik ga door de steden lopen waar tussen 1450 en 1470 de eerste boeken werden gedrukt. Op 15de-eeuwse schoenen, dat lijkt me heel leuk, samen met mijn vrouw. Er zijn nog zo veel mooie verhalen te vertellen.’

Hans Mulder (red.): Verhalen van de natuur. Terra; 272 pagina’s; € 45.

Wie is Hans Mulder?

Hans Mulder is geboren in Leeuwarden en studeerde politieke geschiedenis in Utrecht. Na zijn studie werd hij conservator gedrukte werken bij de Utrechtse Universiteitsbibliotheek en doceerde hij geschiedenis van het gedrukte boek aan de Universiteit Utrecht. In 2011 werd hij conservator natuurhistorische collecties bij de Universiteit van Amsterdam, dat de collecties van het Allard Pierson en de Artis Bibliotheek in eigendom heeft. Hij werkt vooral vanuit de Artis Bibliotheek, gebouwd in 1868 en een paar jaar geleden gerenoveerd, waar de collectie van het in 1838 opgerichte genootschap Natura Artis Magistra is ondergebracht. In 2021 kreeg Hans Mulder de Jan Wolkers Prijs voor De ontdekking van de natuur, uitgegeven door Terra, waarvoor hij ook de serie Natuur aan de muur maakt. Mulder woont in de Betuwe.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next