Op de Amsterdamse Zuidas staat een complex met drie opvallende torens: de Valley, ruig en hoekig met veel opvallend groen. Is het een bouwkundig parade-paardje, een uiting van spektakel-architectuur of een lustoord voor gefortuneerden? Wie wonen er eigenlijk? Verslaggever John Schoorl zocht het uit.
Het hoeft niet eens een heldere ochtend te zijn om Oscar Hammerstein (70) gelukzalig aan te treffen, gezeteld in een goudkleurige Louis XVI-bergère, voor het raam van zijn appartement in de Valley. In deze fauteuil die aan zijn moeder toebehoorde, concertpianist Helene Breijs, heeft de gewezen advocaat een boek bij de hand, een espresso, en klinkt de prelude uit de opera Maria Stuarda van Gaetano Donizetti.
Het aan de overkant gelegen ABN Amro-gebouw – met 105 meter het hoogste van de Amsterdamse Zuidas – houdt hij gevoeglijk in de gaten. Er zit daar een buizerd, en als die kleintjes heeft cirkelt-ie venijnig boven de Valley. Zijn kat Taghi, die net als zijn criminele naamgenoot gevaarlijk is aangelegd, heeft het niet zo op die buizerd.
Hammerstein zegt dat hij op ‘een adelaarsrots’ woont, op zo’n plek in deze Amsterdamse wolkenkrabber waar hij perfect zicht heeft op de stad, en dan vooral het Rijksmuseum. Hij moet er niet aan denken dat hij dat sááie Amstelveen in het vizier zou hebben, of dat hij uitzicht zou hebben op ‘dat gevoetbal’, doelend op de spelers van AFC op sportpark Goed Genoeg.
‘Ik steek uit’, zegt Hammerstein, tevreden glimlachend om zijn taaltwist, terwijl hij zijn hand legt op een militaire verrekijker van Duitse origine. ‘Ik heb geen onder- of bovenburen. Ik kan de muziek zo hard zetten als ik wil. Ik woon hier uit-ste-kend.’
Toen hij de eerste keer in dit gebouw mocht rondneuzen, wist hij eigenlijk al welk appartement hij wilde hebben: dit ruim uitgevallen geval op het westen, en per se op de achttiende verdieping. In het Hebreeuws wordt het getal achttien gevormd door chet (8) en joed (10), en samen zijn ze chai, wat leven betekent.
Oscar woont op de chai, hoort hij nu vrienden zeggen.
Lechajim!
‘O kijk, is het hier niet heerlijk’, zegt hij met een weids gebaar. ‘Soms doe ik een boodschapje in de stad, en dan fiets ik terug, en zie ik de Valley weer, en word ik helemaal gelukkig. Het is mijn oase.’
Een paar verdiepingen lager loopt Hella Huizinga (39) in een nauwsluitende sportmaillot, niet opgemaakt (‘een kostuum van God’), door haar appartement. Ze komt net uit de gym van de Valley, en haar kat Tiger sluipt haar kant uit. Huizinga noemt zich een ‘exclusief eventplanner’, haar bedrijf organiseert feesten en bruiloften ‘voor het hogere segment’. Voorts behoorde ze tot de stal van de realitytv-serie The Real Housewives of Amsterdam, een bont gekrakeel van zeven hoofdstedelijke socialites in een populaire Videoland-productie.
‘Ik ben eenderde van het jaar in het buitenland’, zegt ze. ‘En dan is het fijn om op een plek thuis te komen waar het je gemakkelijk wordt gemaakt. Waar veel service is voor de bewoners. Waar je pakketjes worden bewaard. Je terechtkunt als je de sleutel bent vergeten. Als ik hier de parkeergarage uit kom, staat er een automaat met eten van topkoks als Robert Kranenborg. Hardwerkende wereldburgers zoals ik hebben elkaar hier gevonden. Het is net alsof heel Amsterdam-Zuid in één gebouw is gezet. Tenminste, degenen die van snel leven en luxe houden.’
Ze doet de deur naar het balkon open, om het balkon van haar buurvrouw te laten zien, haar beste vriendin Gini Faber, een personage uit de concurrerende realitytv-serie over rijke Amsterdamse vrouwen: Goud Zuid. Als het geraas van de A10 het gesprek bemoeilijkt, loopt ze terug naar binnen, richting de badkamer.
‘Hierin zit ik het meest van de tijd te werken’, zegt ze, wijzend op haar beige bad, met een speciaal aangebrachte badplank, waarop haar laptop kan rusten. Dat zo’n werkplek niet zonder risico is, erkent ze. Tot twee keer aan toe ging een laptop kopje onder in het badwater, en was het einde oefening voor de beide Macbooks.
Hard lachend: ‘En ik doe hier niet aan Zoomgesprekken, dat begrijp je wel.’
***
Architect Winy Maas (65) is langs talloze wolkenkrabbers van de Zuidas gewandeld, komend van het treinstation Amsterdam-Zuid. Via deze route door het zakendistrict zie je hoe zijn de Valley zich langzaam in volle glorie toont. Het is alsof een kantoorkolos als een Marvel-superheld uit zijn glazen pak is gebarsten en zijn ware ik tevoorschijn is gekomen, grillig, hoekig maar met een vriendelijk laagje groen.
De Valley staat er monumentaal en vredig bij, in een rumoerige, urbane omgeving. Je zou zomaar kunnen denken aan de gospel Peace in the Valley, groots uitgevoerd door zowel Sam Cooke (met The Soul Stirrers) als Elvis Presley (met The Jordanaires). Het nummer werd geschreven door Thomas A. Dorsey, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Dorsey zag talloze dieren grazen in een vredige vallei en dacht: waarom kan de mens niet in vrede leven in een vallei?
There’ll be no sadness, no sorrow
No trouble, trouble I see
There will be peace in the valley for me
Naar vrede waren de bedenkers van de Valley niet per se op zoek, maar dit gebouw werd vooraf wel geladen met een wagonlading goede bedoelingen. De Zuidas was maar een kale, dooie bedoening, ‘een wannabe-Manhattan’ vol ‘hakken en pakken’, met een weinig humane uitstraling. Op deze kavel moest de verandering worden ingezet naar een voor iedereen toegankelijke plek om te wonen, werken of van cultuur te genieten, en ook nog buitengewoon weelderig van groen voorzien.
Alain de Botton gaat in zijn boek De architectuur van het geluk los op het fenomeen ‘sprekende gebouwen’. Jawel, gebouwen zijn veel meer dan een cluster van steen, staal, beton, hout en glas. Als je je ogen en oren goed openhoudt, aldus de veelgelezen Engelse filosoof, zul je merken dat ze ons iets willen zeggen over wat we belangrijk vinden.
Als Valley een stem heeft, zoals De Botton beweert, wat wil deze creatie ons dan vertellen, als prominent personage? ‘Ik ben een bouwkundig paradepaardje van de stad, en een magnifiek lustoord voor de gefortuneerde bovenlaag.’ Of: ‘Door mij wordt alles anders, beter, mooier, kunstzinniger en groener in deze omgeving’ Of, zoals een criticus beweerde: ‘Ik ben spektakelarchitectuur, zeker geen sociale woningbouw en zo groen ben ik nou ook weer niet.’
In alle rust staat Maas stil voor het gebouw. ‘Ik kijk vooral hoe het zich ontwikkelt’, zegt hij over de zeggingskracht van de Valley. ‘Je begint niet met een verhaal, het wordt een verhaal, het is een proces. Het stelt zich open en geeft iets terug. Ik zie elke keer iets anders. Nu denk ik: stoer. Stoer gebouw.’
Als een schilder zoekend naar oneffenheden kijkt hij minutenlang lang omhoog, zijn hoofd bewegend van links naar rechts, ogenschijnlijk inzoomend en weer uitzoomend.
Wat hij ziet zijn drie kolossale torens van 100, 81 en 66 meter hoog, een totaal oppervlak van 75 duizend vierkante meter. Het herbergt 198 appartementen, vier restaurants en vijf bedrijven. 40 duizend Catalaanse tegels van natuursteen. 370 plantenbakken. 220 plantensoorten. Een rooftopbar.
Het is feitelijk tot een factsheet terug te brengen – maar dat is niet waarnaar de architect op zoek is.
Maas wijst omhoog, hij heeft iets gevonden. ‘Zie je die gekantelde spiegelende glasplaten? Die drie daar, rechts? Bewoners hebben het raam van hun appartement geopend. Dat zie je nergens in deze omgeving, nergens kan een spiegelraam open. Voor mij is dit een knipoog naar het introverte karakter van de Zuidas, naar al die zakendistricten in de wereld, die gesloten bastions die niets menselijks van buiten toelaten. Zie het als een subtiel commentaar.’
‘Ah, Winy Maas! Bonjour! Hello!’ Een geblondeerde Française lijkt de dag van haar leven te hebben, als ze bij de Valley plotseling oog in oog staat met de schepper zelf. De vrouw is speciaal naar Amsterdam gekomen om dit gebouw te bewonderen.
‘En je kunt er ook op’, vertrouwt Maas haar toe, en wijst naar het middenstuk, de vallei van de Valley. ‘Je kunt van de buitenkant zo de vallei opklimmen.’
‘O, echt waar? Amazing, wat je hier hebt gerealiseerd.’
‘Het stond er niet zomaar, we hebben er vijf jaar over gedaan.’
‘Het is ongelooflijk, Winy.’
De Valley spreekt zeer tot de verbeelding, en niet alleen voor deze Franse fan, een stedenbouwkundige topambtenaar van de gemeente Lille. Het woord ‘iconisch’ komt vaak in dier voege voorbij, en het pand trekt dan ook veel binnen- en buitenlandse toeristen, een dankbaar decor voor berichtjes op sociale media.
Ook de critici en jury’s van architectuurprijzen zijn in hun nopjes over het perceel: ‘Andermaal toont MVRDV dat droombeelden bouwbaar gemaakt kunnen worden’, schreef de Volkskrant. En de NRC: ‘Zo heeft de Zuidas met de Valley zijn eerste gruwelijk mooie, sublieme gebouw gekregen.’
‘De grillige uitstraling van het gebouw en de uitstekende elementen zorgen ervoor dat geen twee appartementen hetzelfde zijn, waardoor een variëteit aan geheel unieke wooneenheden ontstaat’, aldus de jury van de Emporis Skyscraper Award.
Halleluja!
Overlopend van architectonisch star appeal kon het niet uitblijven dat er een insta-kosmopolitische arsenaal wil resideren op deze groene apenrots. Zeker omdat het door Winy Maas zo is het ontworpen dat je niet bij elkaar naar binnen kunt koekeloeren. Denk daarbij aan een vermogende potpourri van Ajax-spelers, realitytv-types, influencers, ceo’s van grote bedrijven, zangeressen, plastisch chirurgen, kunst-entrepreneurs, lifestyle-ondernemers, fotomodellen en expats. Van 55 tot 400 vierkante meter groot, voor huurprijzen van 1.500 tot 15.000 euro per maand.
Lindsay van der Looij, eigenaar van het Bloy Institute, verantwoordelijk voor de flawless skin (de puntgave huid) van bekend Nederland, weet dat het nu al ‘het populairste gebouw is van Amsterdam’. ‘Een deel van mijn doelgroep woont hier al’, zegt de bewoner. ‘En nu wil iedereen hier wel komen. Dat maakt het gezellig. Je loopt zo bij elkaar naar binnen.’
Siebe Tettero is een internationaal opererende kunstadviseur en architect die een appartement op de 23ste verdieping bewoont. ‘De populatie is zeer upscale’, zegt hij aan de telefoon vanuit Canada, waar hij de bouw van een door hem ontworpen huis begeleidt. ‘De reden dat ik er woon heeft alles te maken met mijn idee over het herstellen van de natuur in een stedenbouwkundige omgeving en dat Winy Maas daartoe een poging heeft gedaan. Bovendien moet je natuurlijk oog hebben voor schoonheid om hier te willen wonen; voor die overtuigende speelsheid, die on-Nederlandse extravagantie.’
Ergens in de Valley, de precieze plek houden eigenaren Lenn Poetiray en Tom Nieuwenhuis graag mysterieus, huist ‘een exclusieve club voor heren’: Domín. Hier geldt een strenge ballotage en wordt ‘het topsegment in sport, entertainment en bedrijfsleven’ luxueus bediend. Daarbij moet worden gedacht aan een ‘een wasstraat voor mannen‘, waarmee ‘hoogwaardige persoonlijke verzorging’ en ‘een plek om van de fijne exclusieve zaken des levens te genieten’ wordt bedoeld. ‘Onze besloten club sluit aan bij het gebouw: een internationaal concept met internationale allure’, zegt Poetiray. ‘Een plek van welgestelde gelijkgestemden die onder de radar willen blijven, met een hunkering naar mooie dingen.’
Als je echt wilt weten wie hier wonen, moet je maar eens in de parkeergarage gaan kijken, adviseert Oscar Hammerstein. Daar staan naast de Lamborghini’s, Porsches en Maserati’s ‘meer Bentley’s dan bij de Bentley-dealer’.
***
Toen Klaas de Boer in 2009 aan het werk ging als directeur van de Dienst Zuidas, wist hij wat hem te doen stond: er moest leven in de brouwerij komen, in dit alles behalve bruisend internationaal georiënteerde zakendistrict. De kredietcrisis had de boel verder lam gelegd, en al eerder had de vastgoedfraude de Zuidas een beroerde naam gegeven.
Voor het boek Vanuit de Zuidas (2009) maakte dichter en schrijver K. Schippers hier een ommetje, in die dagen. ‘De wind giert er in het rond tussen hoge in spookgeld gehulde torens’, schreef hij weinig vleiend. Nergens vond hij enige samenhang tussen de gebouwen, alsof alles er ‘min of meer toevallig is neergezet’. Wat hem vooral trof was het ontbreken van mensen, op een verdwaalde enkeling na, het klonk voor hem als ‘de echo van voetstappen in koude straten’.
‘Er gebeurde helemaal niks’, zegt De Boer, die ‘de geestelijk vader’ van de Valley wordt genoemd. ‘Het was een leeg gebied, er werd gewerkt, en amper geleefd. De Zuidas moest aan de praat worden geholpen.’
Onder De Boers leiding werd het ‘15by15’-project begonnen, vijftien initiatieven in de hoop dat in 2015 de levendigheid zou worden vergroot. Vooral meer mensen op straat was het hogere doel, dus kwamen er muziekfestivals, winkels, kiosken, kunstprojecten en werd er ingezet op duizenden nieuwe woningen, deels sociale woningbouw.
Het moest anders, en voor de bestemming van ‘Ravel P15’ – in die tijd niet meer dan een tegen de A10- snelweg aangeplakte parkeerplaats voor 301 auto’s – werd daarom gekozen voor ‘een gemengd gebruik’: bewoners, bedrijven, culturele voorzieningen en horeca. Niet nog een in zichzelf gekeerd zakenpand, maar torens die voor iedereen toegankelijk moesten zijn, groen en modern.
De Boer: ‘Een gebouw waar de gewone Amsterdammer op het dak een biertje kan drinken.’
De Zuidas-directeur zette voor ‘de koningskavel’ de twee grootste kantoorvastgoedkanonnen van Nederland tegen elkaar op: ‘The battle of the giants’ tussen de Rotterdamse zeer vermogende ‘groene ondernemer’ Coen van Oostrom (OVG Real Estate) versus Jason Blackmore (G&S Vastgoed), ‘de keizer van de Zuidas’.
De Boer: ‘We wilden een sculpturaal gebouw, een mijlpaal, met het idee om de negatieve connotatie over het gebied weg te nemen.’
Aan een tafeltje bij Cora, een lunchroom in de Valley, pakt Winy Maas een pen en opschrijfboekje om al schetsend de ontstaansgeschiedenis te laten zien van zijn winnende ontwerp. Zo gebeurde het in 2015, terloops, aan een tafel converserend met projectontwikkelaar Coen van Oostrom die hem had ingeschakeld voor het project aan de Zuidas. Maas kraste wat lijnen, schots en scheef tussen drie torens, en dat leek verdomd veel op een vallei die als het ware is uitgehakt, met uitstulpingen, inkepingen.
Poppin’ in, poppin’ out.
‘Zo is het gegaan’, zegt Maas, en schuift pen en opschrijfboekje opzij. Wat op papier achterblijft, lijkt het meest op wezenloze krabbels. ‘Die vallei werd de Valley, en passant. Het wilde idee hoefde alleen te worden getemd.’
***
Aan het eind van de middag zit Oscar Hammerstein in de keuken, dit keer op een iets groter Louis XVI-bankje, ontspannen naar buiten het raam te kijken. De zon schijnt naar binnen, en hij heeft zichzelf een gin-tonic ingeschonken, met steranijs als garnering. Op deze plek heeft hij Rembrandt dichtbij, met kopieën van de huwelijksportretten van Marten en Oopjen, net als de foto’s van schaars geklede heren gemaakt door Erwin Olaf, Hans van Manen en Robert Mapplethorpe.
Dat hij naar Richard Wagners opera Tannhäuser luistert, ligt voor de hand. ‘Hoe ouder je wordt’, meent Hammerstein, ‘hoe meer je Wagner gaat waarderen.’
In zijn ‘schrijfhofje’, een werkkamer vol Chinees antiek, heeft hij overdag aan zijn boek gewerkt: een eigentijds versie van Geachte Confrère van F. Bordewijk, een bundeling van brieven aan collega-advocaten. Of moet hij zeggen: ex-collega’s, aangezien hij in 2021 van het tableau is geschrapt. Hem werd verweten dat hij meermaals zijn geheimhoudingsplicht had geschonden rond de kroongetuige van het Marengo-proces, de zaak die draait om de naamgenoot van zijn kat, Taghi.
Hij wil er niet over praten, wat hem is overkomen, en over dat ‘gedoe met veiligheid’. ‘Ik heb veel nare dingen meegemaakt op dat gebied.’ Hij noemt het wel een fijne samenloop van omstandigheden dat hij precies in die periode van zijn grachtenpand naar de Valley verhuisde. ‘De veiligheid is hier 24/7 gegarandeerd’, zegt hij. ‘Ik rij hierheen, parkeer mijn auto op mijn eigen plek, neem de lift en stap uit in mijn appartement. Dat is wat ik wil, en altijd security. Als ik boodschappen moet doen, stap ik in de auto, mijn pantoffels aan, en rij ik gierend van de lach naar het Gelderlandplein.’
De stad is in zijn optiek, ‘smerig en onleefbaar’ geworden. ‘Een rij voor de kroketten. Een rij voor de kaas. Je fiets weer gejat. Het is afschuwelijk al die mensen.’ Natuurlijk mist hij zijn dakterras, met zicht op de Westertoren, of de binnentuin, en dan vooral die rode beuk. ‘Goedemorgen meneer Beuk, zei ik elke dag. Dat lukt nu niet. Hier in de Valley wordt voor je gezorgd. Ik hoef alleen maar te bellen. Ze zorgen zelfs voor Taghi als ik op reis ben. Er is hier van alles: gym, zwembad, wellness. Alleen is dat voor mij te saai. Er valt niks te loeren. Ik vind het leuk om aantrekkelijke jonge mannen met ijzer bezig te zien. Hier zie je alleen vrouwen.’
Een paar verdiepingen lager zit Hella Huizinga aan tafel. Ze is in afwachting van de levering van nieuwe kasten. Geboren in Enschede, voelt ze zich nu echt een city girl, hoppend over de wereld, en daarna weer terug naar de hoofdstad. ‘Er is echt veel veranderd in het uitgavenpatroon bij Nederlanders’, zegt ze. ‘Vijftien jaar geleden was het van: moet dat nu allemaal. Nu wordt alles aangegrepen voor grote feesten. Het is sociaal aanvaardbaar geworden om het leven te vieren.’ In haar columns in Beau Monde of voor haar 80 duizend volgers op Instagram etaleert ze waar ze zoal het vertier organiseert, van een Toscaanse bruiloft in Peru, naar een vijfdaagse verjaardagspartij in Dubai en Kerst op Cuba.
Tussen al die buitenlandse trips door stond daar vorig jaar ineens Tim Hofman van het YouTube-programma Boos voor de deur – ook bij de Valley, al kwam hij daar niet binnen. Huizinga zou volgens Hofman twee zzp’ers niet hebben betaald, terwijl haar persoonlijke uitgavenpatroon buitensporig was. ‘Het waren nare beschuldigingen’, reflecteert Huizinga. De zzp’ers hebben naar haar mening ‘niet naar behoren gefunctioneerd’ en waren daarom niet betaald. Huizinga: ‘En ze dreigden telkens naar de pers te gaan’, zegt ze. ‘Ik laat me niet chanteren.’
Het leek haar beter te stoppen met realityserie The Real Housewives of Amsterdam, het was ‘best lastig’ te combineren met het runnen van een bedrijf. Ze kan nu wel zeggen dat ze ‘orde op zaken’ heeft gesteld, en ‘de persoonlijke en zakelijke dieptepunten’ achter zich heeft gelaten.
‘Het was een vervelende tijd’, vertelt Huizinga. ‘Ik ben blij dat dat achter de rug is. Ik kreeg toen allemaal gekkies achter me aan. En dat is niet fijn als vrouw alleen. Ja, dan is de Valley helemaal fantastisch. Je kunt niet zomaar bij mij voor de deur staan.’
***
Winy Maas stapt de vallei in van de Valley, met in zijn kielzog een Thaise zakenman. Hij maant zijn bezoek op te passen, de stenen zijn glad door de regen. Het zou kunnen dat deze vastgoedhandelaar uit Bangkok een Valley gaat bestellen, net zoals er in Guayaquil (Ecuador) en Nanjing (China) een soortgelijk bouwsel door Maas en consorten is ontworpen.
De architect van het Rotterdamse bureau MVRDV kun je er niet van beschuldigen dat hij zich net zo visueel-expressief uitdost als zijn vele spectaculaire creaties, zoals ook het de Markthal en Depot Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. ‘Elegant shabbiness’, omschrijft Maas zichzelf, laagdrempelig in de omgang, in lijn met zijn bescheiden achtergrond. Zijn moeder was bloemist, en zijn vader bestierde een tuincentrum in Schijndel.
Als kind had hij altijd het verlangen om naar buiten te gaan, zich te verdiepen in de natuur. In dit beboste gebouw is het groen een verwijzing naar zijn jeugd en afkomst. Het is niet voor niks dat hij de wereldberoemde tuinarchitect Piet Oudolf voor dit project heeft ingeschakeld.
Tegenover zijn Thaise bezoek houdt hij ook niet op over de vegetatie, waarvan hij zegt dat het tijd moet hebben om tot bloei te komen. ‘Het onderhoud aan de tuin wordt gedaan door alpinisten.’
Even daarvoor was het hoge woord eruit gekomen: ‘Valley is een wereldwonder in de architectuur’. Maas zei het voorzichtig, niet minder vastbesloten: ‘Je behoedt jezelf om dat te roepen, van tevoren, nu kan het. Iedereen dacht dat het niet kon worden gebouwd, al die ambities, al die details. Het spreekt iedereen in de wereld aan en heeft bewondering afgedwongen. Wereldwijd bekend plus bewondering is een wereldwonder.’
‘Een wereldwonder? Welnee, het is gewoon een vorm van spektakelarchitectuur’, zegt Mark Minkjan, architectuurpublicist. Hij joeg in 2015 iedereen in de gordijnen met een zeer kritisch stuk op het platform The Creators Project van Vice over het nieuwbouwproject van Maas en Van Oostrom. De Valley was gepresenteerd aan de buitenwereld in een zeer gelikte promotiefilm en Minkjan sprak van ‘waanvoorstellingen’, en ‘holle marketingwoorden’. Coen van Oostrom was ‘woedend’, hij vond dat het ontwerp weg werd weggezet als ‘vastgoedporno’.
Waar de kritiek van Minkjan op neerkwam: belooft het gebouw wat het werkelijk gaat worden, of is het allemaal nep in dat filmpje, en is de architect niet meer dan het glimmende uithangbord van de vastgoedbranche die vooral veel geld wil verdienen. En: zitten we nu echt op dit gebouw te wachten?
Nu, negen jaar later, is Minkjan ietwat milder, na een recent bezoek aan het gebouw. Hij noemt het ‘een sterk statement’, maar als je het afzet tegen de CO2-footprint van zo’n betonnen kolos vindt hij het ‘gestrooi met groen’ weinig duurzaam.
‘Ik dacht dat het gebouw een slap aftreksel zou worden van dat promotiefilmpje’, zegt hij. ‘Dat is niet zo. Mijn stuk heeft, zo denk ik in alle bescheidenheid, wel geholpen. Ze hebben gedaan wat ze hebben beloofd, ze wisten dat er op hen werd gelet. Zo kun je daadwerkelijk over het gebouw lopen, terwijl tien jaar geleden veel projecten de belofte van openbaar toegankelijke skyparks en dergelijke niet waarmaakten.’
Voor Minkjan speelde toentertijd wat anders op de achtergrond: het was de tijd dat in Nederland sociale huurwoningen aan de markt werden verkocht. Minkjan: ‘Terwijl tegelijkertijd dit soort zinsbegoochelende architectuur werd opgetuigd, met veel te dure woningen, en zeker geen sociale woningbouw. En dat zinde me niet.’
Als ergens de culturele dimensie van de Valley zijn behuizing moest vinden, was het aan de voorkant van het gebouw, twee verdiepingen groot. Als een uithangbord van jewelste staat er nu met grote letters te lezen: Coming soon. Sapiens.
Alleen is Sapiens er nooit gekomen. Het liep uit op een debacle, alle goede bedoelingen ten spijt.
Zo was in 2015 het ‘gemengd gebruik’ van het pand bedoeld door Klaas de Boer en de gemeente Amsterdam: naast kantoren en woningen, moest er zeker één ‘grootstedelijke culturele voorziening’ komen. Daarmee zou de Valley zich onderscheiden van alle andere wolkenkrabbers in deze omgeving. Op een filiaal van het Stedelijk Museum of het Rijksmuseum werd gehoopt, en de huur van de plek werd flink verlaagd voor dat doel.
Het Naturalis Biodiversity Center, de Vrije Universiteit Amsterdam en Hogeschool InHolland meldden zich gezamenlijk voor die ruimte. Ze wilden vanuit de Zuidas de wereld veranderen met de ‘broedplaats’ Sapiens: een museum, laboratorium, werkplaats en denktank ineen. ‘Om de enorme vragen op te pakken die de klimaatcrisis en de biodiversiteitscrisis aan ons stellen.’
Bijna drie jaar later, en circa 5 miljoen euro aan uitgaven verder, is ‘de ommekeer’ voor ‘een betere leefomgeving voor mensen en natuur’, er niet van gekomen. Al eind 2022 werd Sapiens gestopt, de verdiepingen staan al tijden leeg. De drie partijen hadden aanhoudend strijd over de te volgen koers en de besteding van het geld.
‘We konden er vooral financieel niet uitkomen’, erkent Philipp Pattberg, directeur van het aan de VU verbonden Amsterdam Sustainability Institute. ‘In de Zuidas, in het hart van het turbokapitalisme, wilden we de transitie inzetten naar een betere leefomgeving. Dat moest zich dan als een olievlek verspreiden. Dat is helaas niet gelukt. Het is zuur dat het idealisme niet van de grond is gekomen door heibel over geld.’
***
Ronny Rosenbaum (77) staat in de hal van zijn kantoor, schuin tegenover het Rijksmuseum in het centrum van Amsterdam, en laat zijn hand rusten op het hoogste plekje van de maquette van de Valley. De vastgoedmiljardair had – althans, dat vond hij zelf – een leuk plannetje bedacht. Nu de Valley toch eigendom is van zijn familie, laten we er dan ook met zijn allen gaan wonen, zei hij tegen zijn zoon en dochter uit zijn eerste huwelijk. ‘En dit hier rechtsboven, het grootste appartement van 700 vierkante meter, dat zou ik nemen.’
Zijn schoonzoon David Beesemer, tevens degene die binnen het bedrijf van Rosenbaum de Valley bestiert, stimuleerde dat voornemen, wetende dat als een andere vastgoedbaron zo’n majestueuze plek zou inpikken dat de pater familias daar enorme jeuk van zou krijgen.
Dus reed Ronny Julius Bernhard Rosenbaum met de overtuiging van een nieuw onderkomen terug naar huis, in zijn Rolls-Royce, op naar landgoed Leeuwenburg in het Belgische Brasschaat. Maar zijn jongere vrouw Jasmine, uitbater van Jasmine Laserclinics ‘voor ontharing en huidverbetering’, veegde het plan van tafel. Met geen duizend paarden tegelijk kreeg Ronny haar terug in Amsterdam. ‘Ook geen probleem’, zegt hij, terugkijkend op het plannetje, en zet zijn bril met donker getint glas recht op zijn neus.
Voordat er een schep in de grond was gestoken, nam het bedrijf van Rosenbaum, de RJB Groep, in 2017 voor 325 miljoen euro de Valley over van projectontwikkelaar OVG (inmiddels The Edge geheten). Rosenbaum spreekt van een ‘pronkstuk in de collectie’, en een mooie aanvulling in zijn vastgoedimperium, naast de talloze winkelpanden in de PC Hooftstraat en de Kalverstraat, en de legio bezittingen in Duitsland, België, Spanje en Luxemburg.
Waar Rosenbaum voorheen vooral werd gezien als ‘A1-locatie-winkelbelegger’ merkt hij nu dat hij door de Valley ‘opeens algemeen bekend is’. ‘Het is echt het visitekaartje van ons bedrijf, we zijn klaar voor de volgende generatie’, zegt Rosenbaum. ‘De Valley hebben we niet voor de handel gekocht, maar voor de eeuwigheid. Dit moet altijd in de familie blijven.’
Het was een contrasterend treffen, de eerste keer dat Winy Maas oog in oog stond met Ronny Rosenbaum, bij het slaan van de eerste paal. Laten we zeggen: nouveau riche, Amsterdam-Zuid, goed gebruind, witte tanden, tegenover Rotterdam, industrieel, creatief en niet per se rechte tanden. ‘Hij zag eruit als een soort Marlon Brando uit The Godfather’, herinnert Maas zich. ‘En stapte kordaat op me af en zei: ’Hé, jij bent toch de architect? Al dat groen op die balkonnetjes, zoals in het ontwerp. Ik weet niet of ik dat wel mooi vind’. En toen zei ik: ‘Het wordt zelfs groener, en als je het niets vindt, moet je het niet kopen!’ Toen was het goed. Hij wilde even kijken hoe ver hij kon gaan op de apenrots.’
Rosenbaum zit in de pronkkamer van zijn kantoor, in een geriefelijke fauteuil, onrustig te wiebelen. Hij noemt zichzelf een zenuwlijer, die moeilijk niks kan doen, ondanks zijn gevorderde leeftijd. Hij mag dan wel de aandelen van zijn bedrijf hebben overgedragen aan zijn kinderen, toch rijdt hij één keer per week naar Amsterdam om te kijken ‘hoe ze zijn bedrijf aansturen’. Ook met de Valley heeft hij zich veelvuldig bemoeid, hij durft wel te zeggen ‘dat Winy Maas dan wel de buitenkant heeft gedaan, wij alles van binnen’.
‘Ik had in Monte Carlo gezien wat er ontbrak’, zegt hij. ‘En dat was het luxe hotelgevoel. Met een zwembad, gym, toprestaurants, prachtige wellness. De service en security hebben we naar dat niveau gebracht. Ik wilde een extra brede parkeergarage, voor mooie auto’s. En dat is er allemaal van gekomen.’
Ja, zegt Rosenbaum op filosofische toon: ‘Als je succes hebt, dan ben je gelukkig. Dan kun je mooie dingen kopen.’ In zijn optiek verveelt succes nooit, en vertelt hij over zijn laatste belevenissen, de ontwikkeling van een luxe resort nabij Marbella, en een automobielbedrijf voor Porsches en Lamborghini’s in Brasschaat. ‘Ik ben nog niet ingeslapen! Mijn vrouw zegt: je bent wel een gekke man, dat komt goed uit, want ik val niet op normale mannen.’
Dan gaat hij op de grond zitten, op het hoogpolig tapijt. Hij wil me zijn jongste verovering laten zien. Al zijn hele leven wilde hij leren piano spelen, hij had er wel ‘een klein fortuin voor over’, en nu is het er tot zijn tevredenheid van gekomen. ‘Ik heb veel zenuwtrekjes, maar als ik piano speel, dan stopt dat vanzelf’, zegt hij, en toont filmpjes van hoe zijn handen over de toetsen dansen.
Rosenbaum zegt wel zo’n twintig liedjes tot zijn oeuvre te rekenen, veelal nummers eerder vertolkt door Frank Sinatra. En hij mag graag luisteren naar zijn eigen muzikale ontplooiing, zoals alleen in de auto. ‘Als ik zo terugrij naar Brasschaat, dan zet ik mijn eigen pianospel op’, zegt Rosenbaum glunderend. ‘Daar geniet ik van. Dat vind ik bijna zo mooi als de Valley.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant