Verslaggever Geart van der Pol was jarenlang trouw bezoeker van SC Heerenveen, maar kon de homofobe scheldpartijen en spreekkoren steeds minder goed verdragen. Nu zoekt hij zijn heil op de vrouwenvoetbaltribune.
Ik neem plaats op mijn stoeltje in het Abe Lenstra Stadion en kijk naar de overkant, naar de Noordtribune die ik ongeveer vijftien jaar lang elke twee weken beklom. Vandaag zit ik op Zuid en ben ik niet gekomen voor een wedstrijd van de mannen van SC Heerenveen, de club van mijn geboorteplaats, maar voor het Nederlands vrouwenelftal. Dat speelt tegen Duitsland om een plek op de Olympische Spelen in Parijs.
Als het volkslied van de Duitsers begint, ben ik benieuwd. In dit stadion ben ik gewend aan het collectieve ‘fuck you, bastard’, na een uittrap van de doelman van de tegenstander. Of aan de kreet ‘alle herten moeten dood’, een verwijzing naar het clublogo van aartsrivaal SC Cambuur. Of aan de spreekkoren tegen Feyenoord, met een verwijzing naar hun clublied Hand in hand kameraden:
‘Homo’s lopen hand in hand
homo’s lopen hand in hand
homo’s lopen hand in hand!’
En tegen Vitesse:
‘Het zijn de homo’s, yes yes
het zijn de homo’s, yes yes
ja, de homo’s van Vites!’
Nu blijft het stil. Geen boegeroep, geen fluitconcert, geen scheldpartijen en geen spreekkoren. Een plukje Duitse fans zit in alle rust tussen het Nederlandse publiek. Een ondenkbaar scenario bij de mannen van Heerenveen, waar de aanwezigheid van Feyenoord- en Ajax-supporters in het thuisvak jaarlijks tot grimmigheid en vechtpartijen op de tribunes leidt.
Net als bij zoveel jongens draaide mijn jeugd om voetbal. Twee keer per week trainen, elke zaterdag de wedstrijd, voetballen op en na school, met vrienden en familie. Thuis kon ik, als de wind goed stond, het geluid uit het Abe Lenstra Stadion horen. Omringd door jongens met dezelfde interesse nam ik een seizoenskaart, een droom die uitkwam. Door grote populariteit van de staantribune nam ik eerst een jaartje genoegen met een zitplaats, het jaar daarna voegde ik me bij de harde kern. Daar werd het voetbal immers het mooist beleefd.
Van mijn eerste jaren op de tribune herinner ik me vooral het enthousiasme, bij mij en in het stadion. Het ging de club al jaren voor de wind. Zo zag ik de Braziliaanse superster Ronaldinho met AC Milan in het Abe Lenstra Stadion, won Heerenveen de nationale beker en volgde ik de club naar het Olympisch Stadion in Berlijn, waar we een wedstrijd wonnen in de Europa League.
Toen de bedwelming van al het succes was uitgewerkt en iedereen wakker werd op de tribune van een gemiddelde profclub, drongen de mindere kanten van het supporterschap zich bij mij op. Heerenveen verloor vaker wedstrijden, op de tribune maakte enthousiasme plaats voor cynisme. Zelf kwam ik in de puberteit.
Aanvankelijk was de zoektocht naar een plek in de hiërarchie op de voetbaltribune een spannende. Waar op de staantribune neem je plaats? In het midden, vlak bij de capo, de leider van de groep die de liedjes inzet? Hoe hard zing je mee en hoe wild juich je na een doelpunt? Welke kleding doe je aan en hoeveel drink je?
Scheldpartijen en spreekkoren waren de meest constante beproeving als beginnend fanatiek supporter. Meedoen of zwijgen? Tegen rivaal FC Groningen zong ik mee:
‘Het zijn de groen-witte homo’s
groen-witte homo’s
het zijn de groen-witte homo’s
groen-witte homo’s!’
Tijdens deze zoektocht viel mijn blik af en toe op leeftijdsgenoten. Niet op de jongens die ‘erbij hoorden’, maar de zachtaardigere types een paar rijen voor of achter mij. Een jongen met prachtige donkere krullen bijvoorbeeld, tussen de massa strakke of gemillimeterde kapsels.
De blikken zweefden ergens tussen het bewust- en onderbewustzijn, als een kort, nog onbekend, maar fijn moment van verstilling. Dat gevoel vond weinig vruchtbare grond: niet bij mij, niet in deze omgeving. Stilletjes – het voelde als stiekem – keek ik naar andere jongens.
Jaren gingen voorbij waarin ik geen last leek te hebben van de scheldpartijen en spreekkoren. Voor de puberteit nam ik ze nauwelijks waar, en was de liefde tussen mij en het voetbal ongecompliceerd. In de puberteit werd de keuze tussen meedoen of zwijgen steeds bewuster. Eenmaal klaar voor mijn coming-out, was ik al lange tijd stil op de tribune, in elk geval wat schelden en kwetsende spreekkoren betreft. De pijn kwam pas jaren later, toen het onvermijdelijke proces van zelfacceptatie op gang kwam.
Vanaf toen werd de spanning steeds minder goed te dragen. ‘Kankerhomo!’, kwam altijd al aan, maar nu deed het pijn. Wedstrijden tegen clubs waar homofobe spreekkoren standaard plaatsvonden, zoals tegen Vitesse, ontweek ik. De verplaatsing naar een zitplek (terug naar de rustigere mensen) leek een oplossing, maar ook daar kon iedereen elk moment ontploffen. Alleen de angst daarvoor was genoeg voor een constante alertheid, alsof dan ook de aanval op mij kon worden geopend. Eh, jongens, dit gaat over mij, dacht ik dan. Anderen aanspreken durfde ik niet.
Wat had mij zo lang hier gehouden? Vooral de dierbare mensen om mij heen natuurlijk, met wie ik elke twee weken lol maakte en inmiddels een geschiedenis op de tribune deelde. Maar ook het gevoel van gemeenschap, ergens bij te horen, de saamhorigheid. De opkomst van de spelers, de vlaggetjes, het gezamenlijk applaudisseren na een bijzondere prestatie op het veld. Op zulke momenten was alle ruis weg en voelde ik me één met het publiek. Bovendien steunden mijn vrienden mij juist in mijn coming-out, bijvoorbeeld door ook een rustigere plek op te zoeken.
Lang weigerde ik los te laten wat ook een beetje van mij was. Bovendien: gay zijn op een voetbaltribune, dat moet toch kunnen?
Uitstapjes naar het interlandvoetbal, wat de naam had gemoedelijker te zijn, stelden teleur. Net als in het clubvoetbal was het hier volstrekt normaal om bij de kleinste aanleiding alles eruit te gooien en (‘vieze’) homo’s niet onbenoemd te laten. Na Nederland - Duitsland, waar ik alleen naartoe was gegaan, werd ik door tienduizenden tegelijk getrakteerd op ‘alle Duitsers zijn homo’. Mijn buurman neuriede mee.
Een mannenvoetbalwedstrijd zonder homofobe uitspraken of spreekkoren: misschien was het hopen tegen beter weten in. Werkelijk optimistisch over queer zijn op de voetbaltribune ben ik diep van binnen nooit geweest. Ik kijk mannenvoetbal nu alleen nog op televisie. Als homofobe spreekkoren de huiskamer binnendringen, zap ik weg. Pas nu internationale lhbti-voetballers ruimte genoeg lijken te voelen om op 17 mei als groep naar buiten te treden, durf ik voorzichtig een beetje te hopen op vooruitgang.
Een nog onbekend aantal profvoetballers in Duitsland zou zich veilig genoeg voelen om vrijdag 17 mei naar voren te treden als homoseksuele man. Deze eerste ‘Sports Free Day’ is een initiatief om de drempel voor een coming-out voor voetballers en atleten in het algemeen te verlagen. In de podcast De Schaduwspits van de NOS werd verteld dat homoseksuele spelers in groepschats zitten om steun bij elkaar te zoeken.
Mochten er inderdaad profspelers naar buiten treden, dan vrees ik vooral de stilte. Dat het grote voetbalpubliek en de analisten zullen doen alsof dit iets is ‘waar we het toch allang niet meer over zouden moeten hebben’. Dat het ‘gewoon grapjes’ waren die ‘niet zo bedoeld waren’. En dan over tot de orde van de dag. Maar hoe was het dan bedoeld?
In plaats van schuilen achter naïviteit of duiken voor ongemak, zou het mannenvoetbal een actieve houding passen: het begin van het stellen van belangrijke vragen, het voeren van pijnlijke gesprekken wellicht, over hoe lhbti’ers in de mannenvoetbalcultuur zo lang taboe konden zijn, bijvoorbeeld? Waarom wordt er zelden ingegrepen als grote groepen of halve stadions ‘homo’ als scheldwoord gebruiken?
Op zoek naar topvoetbal zonder de pijnlijke confrontaties op de tribunes van het mannenvoetbal, bezocht ik de vrouweneditie van Nederland - Duitsland in Heerenveen, eind februari. Ik zag hoe vanzelfsprekend het kan zijn om professionele lhbti’ers in de top te zien voetballen. Achter het doel hing een Friese pridevlag.
Inmiddels ben ik vaker te vinden bij vrouwenvoetbalwedstrijden, waar ik telkens een mix tref van positiviteit, enthousiasme, ontspanning en mildheid. Supporters zijn niet bezig de tegenstander er verbaal van langs te geven. Bij de twee Oranjewedstrijden die ik heb bijgewoond, is het meest provocatieve spreekkoor dat ik hoor: ‘Het is stil aan de overkant!’ Veel meisjes komen voor hun helden, andere groepjes zijn een avondje uit en maken vooral lol met elkaar. Schelden komt zo weinig voor, dat het opvalt wanneer het gebeurt.
Bij Ajax - Chelsea – er wordt bij Champions League-kwartfinale eind maart een toeschouwersrecord gebroken: 35 duizend – zie ik hoe kleine groepjes proberen spreekkoren (geen homofobe) uit het mannenvoetbal te introduceren. Het slaat dood. Wat overblijft is de aanmoediging, ondanks de kansloze verliespartij: ‘Ajax, Ajax, Ajax!’
Bij de halve finale van de beker in april, zie ik zelfs een jongen met een Feyenoord-shirt plaatsnemen tussen de Ajax-fans. Niemand kijkt op. De topper wordt niet in de Johan Cruijff Arena gespeeld, maar op Sportpark de Toekomst. Mij bevalt die rust inmiddels wel, maar een Ajax - Feyenoord voor nog geen duizend toeschouwers voelt als geworteld mannenvoetbalsupporter ook een beetje vreemd.
Het vrouwenvoetbal is getekend door de geschiedenis. Ik denk terug aan de ongelooflijke documentaire Copa 71, die laat zien hoe het vrouwenvoetbal lang en stelselmatig werd onderdrukt door mannen. Lid worden van de KNVB mocht als vrouw ook pas vanaf 1971. Dat de ene grote wedstrijd die ik bezoek 35 duizend toeschouwers trekt en de andere nog geen duizend, laat zien waar het vrouwenvoetbal staat: het breekt door, het ís doorgebroken, maar het is nog lang niet zo mainstream als het mannenvoetbal.
Na mijn bezoek aan de vrouwenwedstrijden, realiseer ik me dat ook ik pas serieuze interesse toonde in vrouwenvoetbal toen het bij het mannenvoetbal niet meer ging. Het maakt me bescheiden. Het mannenvoetbal had natuurlijk allang van het vrouwenvoetbal kunnen leren.
De wedstrijden zelf confronteren mij nu nog vooral met dat wat ik niet meer heb. Tegen jeugdsentiment is sowieso niet op te boksen. Maar vrouwenvoetbal is, op dit moment, vooral de enige plek waar ik ontspannen topvoetbal kan kijken, zonder schelden, zonder kwetsende spreekkoren, zonder homovijandigheid, en die plek koester ik.
Op maandag 20 mei speelt Ajax de bekerfinale bij de vrouwen tegen Fortuna Sittard. Op 26 mei is de finale van de Eredivisie Cup, een korter bekertoernooi tussen de vier beste teams van de Eredivisie van afgelopen seizoen. Landskampioen FC Twente en Ajax, PSV en Fortuna Sittard plaatsten zich hiervoor.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant