Home

Dit is de mooiste concertzaal ter wereld. Hoe is het om daar op te treden?

De Volkskrant ging op stap met het Radio Filharmonisch Orkest, dat pas voor de tweede keer in de Musikverein in Wenen speelde. Niet alles liep van een leien dakje. ‘Je kunt dertien scenario’s bedenken, maar het wordt het veertiende.’

Paniek. Een halfuur voordat de repetitie moet beginnen, blijkt een van de contrabassen stuk. Bij het vervoer moet de stapel (een balkje tussen het achter- en bovenblad) zijn losgekomen; de kam ligt eraf. Kent iemand nog een goede vioolbouwer in Wenen die dit op tijd kan fiksen? Een bas lenen, maar dan natuurlijk wel van goede kwaliteit – kan dat nog zo snel?

Er staat wat op het spel, deze zondag. Het Radio Filharmonisch Orkest mag vanavond optreden in misschien wel de beroemdste klassieke concertzaal ter wereld: de Musikverein in Wenen. Hoe is het om daar te spelen?

Over de auteur
Merlijn Kerkhof  is redacteur klassieke muziek van de Volkskrant

De akoestiek is vermaard; het podium berucht krap. Dit is normaal gesproken de thuisbasis van de Wiener Philharmoniker. Dat de club uit Hilversum nu het podium krijgt, is bijzonder: het Radio Filharmonisch gaat zelden op tournee. De ‘taak’ van het orkest is om concerten te geven in TivoliVredenburg in Utrecht (op vrijdag) of in het Concertgebouw in Amsterdam (zaterdag of zondag). Die concerten worden uitgezonden op NPO Klassiek en dan via de European Broadcasting Union (van het Songfestival, ja) over andere radiostations verspreid.

Voordeel van spelen in het Radio Filharmonisch is dat je veel eigentijds en minder bekend repertoire speelt. Maar wie het als musicus belangrijk vindt om elk seizoen leuke internationale tripjes te maken, kan beter auditeren bij het Rotterdams Philharmonisch of het Concertgebouworkest. Toevallig speelde het Concertgebouworkest een week eerder nog in de Musikverein, na een afwezigheid van acht jaar. Voor het ‘Radio Fil’ is het pas de tweede keer ooit in deze beladen zaal, en een kleine minderheid heeft dat concert in mei 1996 (Mahlers Vijfde symfonie met Edo de Waart) meegespeeld.

Zweet en vliegangst

Bij orkestmanager Marco Meijdam staat het zweet op het voorhoofd. Zaterdagmiddag speelde zijn orkest nog in het Concertgebouw in Amsterdam, een programma met een nieuw concert voor luthéal (een soort piano met upgrades) van Jan-Peter de Graaff en de Achtste symfonie van Sjostakovitsj. Direct na afloop, om 5 uur ’s middags, zijn de musici met een bus naar Schiphol gereden en naar Wenen gevlogen. De grote instrumenten – contrabassen, celli, het slagwerk – zijn in een vrachtwagen geladen. De twee chauffeurs hebben de hele nacht doorgereden. Vanochtend bij het hotel was het: hallo, we zijn er.

Het concert is relatief kortgeleden afgesproken: het eerste contact dateert van juni 2023. De reden is dat chef-dirigent Karina Canellakis dit seizoen ‘artist in residence’ is in de Musikverein. ‘Dit orkest is niet gewend om op tournee te gaan, dat maakt het extra leuk’, zegt orkestmanager Meijdam. ‘Het is heel goed voor de sociale cohesie, het houdt iedereen fris. Zo’n tour werkt als lijmmiddel. En door in een andere akoestiek en omgeving te spelen, wordt iedereen ook extra alert.’

De kapotte contrabas was niet zijn enige zorg. Zo heeft hij ook een musicus over zijn vliegangst heen moeten helpen. ‘En we konden hier veel later pas opstellen omdat een concert vanochtend langer doorging dan gecommuniceerd. Dit is natuurlijk een oud gebouw, er is maar een heel kleine lift voor de instrumenten. Daar ben je dan veel langer mee bezig dan voorzien. Je kunt dertien scenario’s bedenken, maar het wordt het veertiende.’

Eerst de selfies

Het is kwart voor 3 in de middag. Een voor een druppelen de musici binnen. Wauw, zeggen de gezichten. Waar ze normaal gesproken snel op hun stoel gaan zitten om warm te spelen, maken ze nu selfies. Ook al hebben de meesten hier nooit gespeeld, iedereen kent de zaal, al is het maar van het Nieuwjaarsconcert met walsen dat de Wiener Philharmoniker er traditioneel op 1 januari spelen. Symfonieën van Anton Bruckner, Johannes Brahms en Gustav Mahler gingen hier in première; Leonard Bernstein dirigeerde er legendarische concerten. En straks, weet het orkest, krijgt het een publiek dat alles al eens heeft gehoord.

De blikken worden ernstiger. Even voor 3 zit iedereen op zijn plaats. Twee medewerkers van het orkest delen kussentjes uit en helpen de stoelen net wat anders te schikken, zodat iedereen straks de dirigent kan zien. Het podium is getrapt, relatief steil. En smal, dus. De zaal is maar 19,1 meter breed. Ter vergelijking: het Concertgebouw telt in de breedte 27,5 meter.

Dan komt dirigent Karina Canellakis het podium op. ‘Neem de tijd om te zorgen dat je goed zit en mij goed kunt zien, geen haast’, zegt ze. Ze nemen passages door uit de Sjostakovitsj-symfonie. 32 kariatiden – vergulde vrouwenbeelden als pilaren – zijn getuige, en dan zijn er nog vier golden girls in het orgel verwerkt.

Goud, gouder, goudst

De zaal uit 1870, ontworpen door de Deense architect Theophil Hansen, is gemodelleerd naar een Griekse tempel. Overal waar je bladgoud op kunt doen, zit bladgoud: de bijnaam luidt dan ook de Goldener Saal. De stoelen in de zaal zijn juist spartaans krap en stralen jaren vijftig uit. Boven het podium hangen draden als tramrails voor de microfoons: alles wordt opgenomen – afgezien van de airco is dat het enige moderne.

Het belangrijkste aan deze zaalrepetitie is om zo snel mogelijk aan de akoestiek te wennen. Als het orkest in het Concertgebouw speelt, heeft het nog publiek achter zich zitten. In de Musikverein zitten de klarinettisten en fagottisten bijna tegen de muur aan, verstopt onder de orgelgalerij. Door de nabijheid van de wanden hoor je op het podium beter wat je doet. Maar vooral de blazers klinken er harder. Ook opvallend: de trombonisten – juist de bespelers van instrumenten waarvoor iedereen in het orkest beducht is – zitten bij een strijkerspassage op (vanuit de zaal gehoord) normaal volume met de vingers in hun oren.

‘Alles moet op een veel kleinere schaal’, maant Canellakis. ‘Ik wil zo veel mogelijk oogcontact, dat helpt me heel erg.’ Wat moet er anders? ‘Ik wil minder edge, een warmere klank.’

Als je door de zaal heen loopt, houd je je in: alles kraakt, je denkt dat iedereen je hoort. De akoestiek is inderdaad totaal anders dan die (immers óók wereldberoemd onder liefhebbers) in het Concertgebouw. Dat zachte strijkerstremolo bij de solo van de althobo: ze kunnen hier écht heel zacht en de klank blijft kernachtig. Wat komt een geplukte contrabassnaar hier goed tot zijn recht: direct, maar toch ook móói.

Gered

Na een klein halfuur voegt Annika Pigorsch, van de kapotte bas, zich bij de groep. Ze heeft een vervangend instrument kunnen lenen van de Wiener Philharmoniker. ‘Ik was even bang dat ik niet mee mocht spelen’, zegt ze tussen de repetitie en het concert. Een violist zou bij zo’n wissel op het laatste moment totaal in paniek raken. ‘Maar contrabassisten zijn geen diva’s. Wij klagen niet.’ Op wat voor instrument ze eigenlijk speelt? ‘Ik heb geen idee! Ik had vijf minuten om er twee uit te proberen.’

De zaal stroomt vol. Het is uitverkocht. ‘Ik wist niet dat we hier zo populair zijn’, zegt een cellist. Waar in de meeste zalen het licht gedimd wordt, blijven de kroonluchters hier het hele concert op volle sterkte.

Applaus. Pianist Emanuel Ax loopt met Karina Canellakis het podium op: het nieuwe werk van Jan-Peter de Graaff is voor deze gelegenheid vervangen door het Tweede pianoconcert van Beethoven – behoudender, maar ook beladen zo in de stad waar de componist zijn thuis vond. Als Canellakis eenmaal op de bok staat, wordt ze verblind door het Weense avondlicht dat vanuit de vensters boven door al het goud wordt weerkaatst.

Na het eerste deel is er veel geroezemoes: het spel wordt direct door het publiek becommentarieerd. Maar als het tweede deel wordt ingezet, is het publiek ook direct stil. Op de loge op het zijbalkon kijkt de elite mee (die heb je hier, elite).

Vreugdekreten

Het applaus is gul, ook na de Sjostakovitsj. In Nederland is een staande ovatie inmiddels de norm, hier niet. Dat er toch direct plukjes mensen gaan staan, is des te bijzonderder. Op de trap naar de kleedkamers klinken vreugdekreten. Marco Meijdam heeft een borrel geregeld bij een café om de hoek.

Violist Julija Hartig jubelt. ‘Je hoort elkaar zo goed. Als we in het Concertgebouw spelen, heb ik het gevoel dat mijn klank de ether in gaat. Hier voel ik zo veel gronding in de toon. Doordat het orkest zo getrapt zit, hoor je elke laag goed. Alles mengt mooi.’

Op het terras van het café wordt er gespeecht. Violist Nina de Waal van de orkestcommissie roemt ook de twee mannen die hier niet aanwezig kunnen zijn: de podiumassistenten Emile en Barry, die nu de boel opruimen terwijl de musici al aan hun tweede glas bezig zijn.

Dan wordt de dirigent aangespoord nog wat te zeggen. Karina Canellakis wil vaker op tournee met dit orkest, zegt ze. ‘Om met jullie op te scheppen. Om iedereen te laten zien hoe speciaal jullie zijn.’

Schoenendoos

De meeste nieuwe zalen voor klassieke muziek zijn zo geconstrueerd dat bijna iedereen goed zicht heeft. Die golvende, rondere zalen zoals de Elbphilharmonie in Hamburg ogen ook zelf spectaculair. De architecten winnen het dan van de akoestici, want die weten dat het ‘schoendoosmodel’ van de Musikverein de grootste kans biedt op klinkend succes.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next