Het werk van de vorig jaar overleden Amerikaanse schrijver Cormac McCarthy wordt tot het beste gerekend dat de afgelopen vijftig jaar in het Engels is geschreven. Arnon Grunberg las Meridiaan van bloed en concludeert: bij McCarthy is geweld zo onoverwinnelijk als de menselijke redeloosheid.
Toen de Amerikaanse schrijver Cormac McCarthy op 13 juni 2023 op 89-jarige leeftijd stierf, noteerde The Economist: ‘Maar McCarthy’s beste roman – en vermoedelijk de beste fictie die de afgelopen vijftig jaar in het Engels is geschreven – was Meridiaan van bloed.’
Daarop besloot ik mijn vooroordelen opzij te zetten en de roman te gaan lezen, al was het maar omdat een mens op een gegeven moment voor zeker de helft uit vooroordelen bestaat die hij niet meer kan, of wil, onderscheiden van de realiteit.
Over de auteur
Arnon Grunberg schrijft voor de Volkskrant over verlangen, politiek en ondergang.
Of Meridiaan van bloed het beste is wat in het Engels de afgelopen vijftig jaar is geschreven laat ik hier buiten beschouwing. Om daar iets over te kunnen zeggen had ik meer romans moeten lezen.
Maar dit kan ik zeggen: het geweld in Meridiaan van bloed, in het Nederlands vertaald door Ko Kooman, sprak tot mij zoals geweld zelden tot mij spreekt, her en der was de leeservaring mystiek. De schrijver omcirkelt het menselijk geweld met een hardnekkigheid, een niet aflatende nieuwsgierigheid en een geloof in de poëtische kracht van de taal die gezien het onderwerp ontroerend moeten worden genoemd. God openbaart zich in het menselijk geweld, maar niet als bron van liefde of mededogen. Bij McCarthy zijn we nog in het Oude Testament: God verschijnt als macht die zich buiten de rede en de redelijkheid bevindt.
‘De mens is geboren om te spelen. Nergens anders voor’, schrijft McCarthy in Meridiaan van bloed, dat in Amerika in 1985 verscheen. Om erop te laten volgen: ‘Als de inzet van het spel de vernietiging van de overwonnen partij is, laat de uitslag geen enkele twijfel.’
Hier een beschrijving van zo’n uitslag: ‘Hun hielen waren met geslepen stokken van jong hout doorboord en ze hingen aan hun achillespezen grauw en naakt boven het uitgebrande vuur dat hen geroosterd had tot hun hoofden verkoolden en hun hersens in hun schedels pruttelden en de stoom uit hun neusgaten siste.’ Het redeloze geweld en de niet minder redeloze extase zijn moeilijk van elkaar te scheiden. En dat woord ‘jong’ voor hout is fantastisch.
De taal bezit het vermogen het redeloze goddelijk te doen lijken, het barbaarse onvermijdelijk en het gruwelijke te doen verschijnen als pracht en praal. Dat kan het beeld tot op zekere hoogte ook, maar als dat genoeg zou zijn geweest zouden mensen niet een spraakwaterval over de beelden hebben uitgestort die hun dagelijks worden gepresenteerd.
Het roept de vraag op: is er werkelijkheid buiten de taal? Kunnen wij zwijgend op het beeld reageren? Is alle behoefte aan betekenisgeving niet vroeg of laat een talige kwestie?
Een van de meest intrigerende personages in Meridiaan van bloed is een rechter, althans, hij wordt zo genoemd, hoewel hij misschien helemaal geen rechter is. Deze rechter voorziet de uitspattingen van commentaar, van taal, waarbij hij ook gebruikmaakt van een dwaas die hij onderweg heeft aangetroffen en de kleding meer en meer afzweert, alsof in een land dat ‘al die gekken produceerde’ kleren dragen overbodig bleek. Hij vertoont trekken van lucide waanzin en daarmee van een profeet: ‘Alle ontwikkelingsstadia van een hogere naar een lagere orde worden gemarkeerd door ruïnes en raadsels en een restant van naamloze woede.’
Ruïnes, raadsels en naamloze woede, daar loopt de taal tegen zijn grenzen op. Uiteindelijk produceert de mens, zegt de rechter, dezelfde stilte die de slapende goden der wraak en goden der barmhartigheid ook produceren.
Meridiaan van bloed kan zeker worden gelezen als een commentaar op de geschiedenis van Amerika, een land dat in en dankzij geweld is geboren. Veel van dat geweld zou tegenwoordig genocide worden genoemd. Ogenschijnlijk behandelt de roman de scalpenjacht van een bende kolonisten, al worden ze niet zo genoemd, het imperium als razende tiener, voor het imperium werd, toen het lezen noch schrijven kon.
Die macht, die zich aan gene zijde van de redelijkheid bevindt en de taal spreekt van het geweld, hebben mensen van oudsher God genoemd, of een goddelijke status gegeven. Dat geweld landen baart is bekend, daarin is Amerika niet uniek. Uniek is hooguit de zeer religieuze oorsprong van de Amerikaanse ontstaansmythe. Ik heb al eerder betoogd dat Amerika niet te begrijpen is zonder die religieuze wortels. De inzet van de roman luidt: wie produceert al die gekken? Wat wil zeggen: wie produceert ons?
Te midden van ruïnes, raadsels en naamloze woede ontstond Amerika als het beloofde land, dat andere beloofde land is slechts een dependance, en elk beloofd land brengt telkens nieuwe verlossers in de woestijn voort. De opkomst van Trump kon en kan niet begrepen worden zonder deze religieuze wortels serieus te nemen. Wie meent dat de Trumpkiezer gedreven wordt door economische ongelijkheid reduceert die kiezer tot een homo economicus die zijn belangen niet kent.
McCarthy begrijpt dat de verlosser slechts een verleider in het kwadraat is. Een verleider wil seks of liefde of een beetje erkenning dat hij er nog toe doet, de verlosser wil zoveel volgelingen dat hij dagen kan reizen en toch telkens weer nieuwe volgelingen tegenkomt. Maar McCarthy doorziet ook de ironie van al die verlossers en hun assistenten: ‘Zolang het regende trok dominee Green volle zalen en het regende al twee weken.’
Zie de mens, sprak een eerdere rechter over een eerdere verlosser. ‘Zie het kind’, luidt de eerste zin van McCarthy’s roman. Het kind zal zich ontwikkelen tot een bendelid, ze jagen op scalpen voor geld. In de derde alinea lezen we dat de moeder al heel lang dood is, het wezen dat ze in haar ‘eigen schoot’ uitbroedde, werd haar noodlottig.
In dezelfde alinea noteert McCarthy dat het kind, nu 14 jaar, lezen noch schrijven kan en dat in hem ‘een hang naar redeloos geweld’ broeit. Die alinea eindigt met de raadselachtige zin: ‘Alle geschiedenis besloten in dat beeld, het kind de vader van de man.’ (Dat raadselachtige ligt zeker niet aan de vertaler, het staat er zo in het Engels.)
Is geschiedenis een hobby van de man? Velen menen van wel, velen menen dat hij een andere hobby moet zoeken. Wordt de god van de oorlog overwonnen als we de mensheid van haar piemels bevrijden? Een fraaie gedachte, al zou massale gedwongen castratie ook een oorlogshandeling genoemd kunnen worden. In het huidige tijdsgewricht spreekt men dan van oorlogsmisdaden. Daarnaast is er geen bewijs dat het geweld afwezig is waar de piemel is verdwenen.
‘De moraal is een uitvinding van de mens om de sterksten het recht van de sterkste te ontnemen’, lezen we in Meridiaan van bloed. McCarthy maakt een buiging voor Nietzsche (1844-1900) die dergelijke overwegingen fraaier en pijnlijker heeft verwoord. Moraal als machtsstrijd met iets andere middelen, maar macht blijft de inzet van het spel. Misschien is dat de waarheid van het inzicht dat alles wat leeft eeuwigheid wil: alles wat leeft, wil macht. Alleen het dier mens heeft zich op die macht gestort met de rancune van de afgewezene.
Gesteld voor de keuze tussen rancune en geweld kiest McCarthy voor het laatste. In een van de zeldzame interviews die hij gaf, zei hij met de gelatenheid van een man die door het leven met wijsheid is geslagen: ‘Ik geloof dat de opvatting dat de mensensoort op de een of andere manier verbeterd kan worden, dat iedereen in harmonie zou kunnen leven, buitengewoon gevaarlijk is.’
De laatste zin van zijn roman luidt: ‘Dan trekken ze allen weer verder.’
De overlevenden trekken verder en zolang het regent zullen er verlossers zijn die zalen vullen met geestdriftige en woedende mensen. Talig en toch redeloos.
Gevaarlijk echter is de gedachte dat de mens de god van de oorlog overwinnen kan.
Zeg, vraagt de beschaafde mens zich nu misschien af, wat is dat eigenlijk voor iemand die de redeloosheid met zoveel retorisch vernuft verdedigt? De beschaafde mens wil doorgaans weten waar het verlangen naar en de interesse voor het onredelijke vandaan komt. (Hoewel een interessantere vraag deze is: waarom kunnen de meeste mensen zichzelf alleen herkennen als redelijke wezens, waarom is het onredelijke altijd elders?)
Cormac McCarthy werd als Charles McCarthy op 20 juli 1933 geboren in Providence, Rhode Island, als derde van zes kinderen en als oudste zoon in een voor die tijd en omgeving betrekkelijk rijke familie. Hij nam al voor hij boeken publiceerde de naam Cormac aan, om verwarring te voorkomen met de buikspreker Charles McCarthy. McCarthy ging natuur- en bouwkunde studeren en diende vier jaar bij de luchtmacht waar hij zich zo verveelde dat hij boeken verslond.
In 1965 kwam zijn eerste boek uit, The Orchard Keeper. Volgens een recensent leunde McCarthy te veel op Faulkner waardoor zijn eigen talent soms bijna onzichtbaar werd. Hij schreef talloze boeken, maar bleef zelf grotendeels onzichtbaar. Tot en met zijn roman Al de mooie paarden (1992) was van geen van zijn boeken in hardcover in Amerika meer dan vijfduizend exemplaren verkocht.
Zijn tweede vrouw, Anne DeLisle, een Engelse popzangeres, verklaarde dat ze in totale armoede leefden en dat de eigenzinnigheid van McCarthy de armoede vergrootte. Toen hij eens 2.000 dollar kon krijgen in ruil voor een lezing over zijn werk op een universiteit, antwoordde hij dat alles wat hij te zeggen had in zijn boeken stond.
McCarthy verklaarde ook dat dichters niet zouden moeten stemmen en dat hij nooit heeft gestemd. Hij was zo gehecht aan zijn status van buitenstaander dat hij die zelfs niet wilde opgeven toen hij in het centrum van het literaire walhalla belandde.
Eind jaren zeventig stopte hij met drinken.
In zijn laatste roman, Stella Maris, komt het genie aan bod, dat hier de gedaante aanneemt van een wiskundige die de waanzin dicht (McCarthy suggereert onvermijdelijk) nadert. Sommige mensen denken dat als ze de waanzin maar hartstochtelijk genoeg omarmen, ze vanzelf geniale wiskundigen zullen worden. Nee. Al moet je misschien geloven een genie te zijn om te schrijven.
Zelf heb ik ook altijd sympathie gehad voor laffe overlevers, die zich voegen naar elke nieuwe conventie om aan armoede en ongemak te ontkomen. Opportunist is een te akelig woord voor dit prachtige mensensoort.
Het genie is een vrouw, dit keer eindelijk een vrouw, in wie waanzin en genialiteit samenkomen. De Bijbelse taal is ingewisseld voor die van de therapie, zonder al te veel in jargon te vervallen. De gehele roman is een dialoog tussen deze vrouw – ze heeft ‘een lange ziektegeschiedenis van visuele en auditieve hallucinaties’– en haar psychiater, dr. Cohen.
Uit een andere roman waarin deze vrouw een rol speelt, De passagier, weten we dat ze zelfmoord zal plegen, maar Stella Maris, in het Nederlands vertaald door Arjaan en Thijs van Nimwegen, is zeer goed te lezen zonder voorkennis.
Dat de dialoog zich niet voegt naar het geijkte gebabbel van hulpverlener en patiënt is waar en deed de recensent van The London Review of Books verzuchten dat McCarthy vermoedelijk nooit in therapie is geweest. Dat is flauw, om dergelijk realisme was het McCarthy niet te doen.
Gödel, de geniale filosoof en wiskundige, komt uiteraard voorbij. Gödel hongerde zichzelf dood uit angst vergiftigd te worden en geloofde in spoken. Wittgenstein komt voorbij, Bertrand Russell die in mond gelegd krijgt dat je vrienden hebt om hun vrouwen te neuken. Ook de vraag of het onbewuste aan wiskunde doet wordt behandeld.
Een fascinerende roman, minstens zo fascinerend als Meridiaan van bloed. Het geweld is er nog steeds, maar het is naar binnen geslagen, ik zou zeggen, het is vrouwelijk geworden.
Er staat een zin in deze roman die het oeuvre van McCarthy wat mij betreft samenvat en die je anders doet kijken naar je leven en de werkelijkheid, ‘op zijn best een collectief vermoeden’.
McCarthy schrijft: ‘Je leven wordt als een hond op je losgelaten.’
Daaraan is niets toe te voegen. Helemaal niets.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant