De gemeente Amsterdam heeft een nieuwe slogan om leraren te werven: ‘Word leraar in Amsterdam voor de Ciskes van nu’. ‘Ciske’, voor oudere lezers een bekend jongetje, is het arme Amsterdamse straatschoffie uit de trilogie van Piet Bakker (het eerste deel verscheen in 1941), een onhandelbaar kind dat opgroeit in armoede en weinig liefde krijgt. Nadat hij in een vlaag van woede zijn gewelddadige moeder heeft vermoord, moet hij naar een tuchthuis. Maar het komt helemaal goed met Ciske, hij wordt een dappere soldaat en mensenredder. Ciske is de schrik van iedere leerkracht, behalve voor meester Bruis, een lieverd die het gewone kind ziet in het getergde jochie en hem beschermt.
Iedereen zou een meester Bruis willen zijn, is de gedachte. Of een Theo Thijssen, de iconische onderwijzer en schrijver (1879-1943). Zijn personage Kees, uit Kees de jongen (1923) is de andere troef in deze wervende gemeentelijke tekst. De pabo-studenten in spe wordt verteld: ‘De kweekschool speelde een belangrijke rol in het Amsterdamse onderwijs, door kansen te bieden aan studenten uit alle sociale klassen. Ook aan arme kindjes, zoals Kees.’ Dat klopt niet: Kees krijgt die kans niet. Hij moet na de dood van zijn vader van school af om te gaan werken. Als je verwijst naar literaire klassiekers, doe het dan goed.
Over de auteur
Aleid Truijens is schrijver en recensent en columnist voor de Volkskrant. Ze schreef romans en biografieën over F.B. Hotz en Hella Haase. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit.
Kees de jongen is een heerlijk, goedgeschreven boek en Kees een hartveroverend personage, een dromer, ‘zowat de belangrijkste jongen die er ooit bestaan heeft’ en uitvinder van de supersnelle zwembadpas. Maar school was juist níét zijn redding, al verliest hij de hoop op een mooie toekomst niet. De kweekschool was wel de redding van Thijssen, die zich ermee aan de armoede ontworstelde. Thijssen, met zijn aandacht voor individuele kinderen, is een inspirerend rolmodel voor leraren, maar misschien niet voor beleidsmakers: hij had een pesthekel aan bemoeienis van bovenaf en aan de vernieuwende theorieën van allerhande pedagogische wauwelaars.
En wie zijn de ‘Ciskes van nu’? Zijn dat de 465 duizend kinderen en jongeren die vorig jaar een vorm van jeugdzorg kregen, een aantal dat elk jaar toeneemt? Welke problemen hebben zij en in hoeverre ligt dat aan het onderwijs; wat kan het onderwijs ertegen doen? Is dat daarmee de belangrijkste taak van het onderwijs? Werf je hier leraren mee?
Opmerkelijk is het wel, om naar beroemde oude kinderboeken te verwijzen. Wie van de studenten kent deze boeken? Zelfs toen de film Ciske de rat uitkwam, in 1984, waren de meesten nog niet geboren. Natuurlijk kunnen ze de boeken alsnog lezen, al is de kans daarop klein. Volgens recent onderzoek leest 33 procent van de pabo-studenten nooit vrijwillig jeugdliteratuur en nog eens 29 procent zelden. Ook als het verplicht is, doet 21 procent dat nooit en 23 procent zelden.
Er zijn dringend enthousiaste, bevlogen en belezen leraren nodig, die niet meteen meer weglopen, en die toekomstperspectief zien. Die mensen moet je overtuigen met echte argumenten. Je zou ze ook kunnen werven met de werkelijke inhoud van het vak, niet met nostalgische en vage rolmodellen. De gemeentelijke voorlichters noemen vier pluspunten van het leraarschap: ‘Je maakt het verschil voor kinderen en jongeren; geen werkdag hetzelfde; een creatief beroep en vrij tijdens schoolvakanties.’ Ik mis hier de drie belangrijkste: kinderen veel leren waardoor je ze, tweede hoofddoel, de werktuigen geeft hun eigen toekomst te kiezen en – drie – na te denken over de wereld. Kinderen leren lezen, rekenen, dromen en nadenken. Is dat niet wervender dan leeg gejubel over ‘het verschil maken’?
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant