Home

Het onzinnige project van imperialisme

In Parijs, aan de rand van de stad, waar kinderen op zonnige dagen op wankele fietsjes een groot, groen park inrollen, torent een bruut gebouw boven op een heuvel. De gevel draagt een reliëf van gespierde mannen en vrouwen met uitgesproken gezichtsuitdrukkingen. Ze werpen speren, sjouwen lasten en zwoegen op het land, de rollen die aan hen werden toebedeeld eeuwig vervullend. De entree wordt geflankeerd door imposante zeilschepen met opbollende doeken – alles even groots en indrukwekkend.

Het is van meet af aan duidelijk dat dit monument, het Palais de la Porte Dorée, is gebouwd ter meerdere eer en glorie van het Franse koloniale rijk, dat zich op zijn hoogtepunt uitstrekte van Noord-Amerika tot Senegal, en van Haïti tot Vietnam.

Het paleis werd neergezet om de wereld te doordringen van hoe machtig en rijk Frankrijk was geworden door andere volken aan zich te onderwerpen. In 1931 werd er de koloniale expositie gehouden, een tentoonstelling die miljoenen bezoekers van over de hele wereld trok. Alles in het gebouw ademt een hysterisch fascisme in de poging om het eeuwenlange koloniale geweld als schoonheid aan het publiek te verkopen. Binnen, in een galmende ontvangsthal, kan je je vergapen aan fresco’s van Aziatische en Afrikaanse onderdanen. Daartussenin afbeeldingen van schone, blanke maagden, onder rimpelende wimpels die woorden dragen als liberté, justice, paix.

Als er ooit een treffende verbeelding was van een barbaars systeem dat zichzelf als beschaving verkocht, dan is dit het, dacht ik bij mezelf terwijl ik door de zaal liep. Zoals Fort Europa zichzelf nu nog steeds als baken van beschaving in een wereld vol dreigende anderen presenteert. Sommige dingen veranderen niet, of niet snel genoeg.

Tegenwoordig huisvest het paleis een museum van de geschiedenis van de immigratie, een intuïtieve invulling van de oorspronkelijke functie. In de grote zaal in het hart van het gebouw wandelen jonge stelletjes en moeders met kinderen tussen metershoge muurschilderingen. Wat me opviel: bijna alle bezoekers waren ‘van kleur’, zoals dat tegenwoordig heet. En ook opvallend: ze waren vaak erg jong. Het lijkt alsof het museum hun houvast biedt, door zowel geschiedenis als huidige tijd te erkennen.

Ik pauzeerde even op een van de bankjes. Omgeven door de nieuwste generatie bruine kindjes, drongen zich onaffe gedachten aan me op over het onzinnige project van het imperialisme, en over de even onzinnige weerstand tegen immigranten op een continent dat zichzelf verrijkte over de ruggen van anderen. Buiten de gebeeldhouwde muren van het museum woedde intussen de waanzin van de wereld door: op het Songfestival bleken woorden als peace, met stift geschreven op het lichaam van een deelnemer, politiek te beladen te zijn. Een gegeven dat in de context van witte vrouwen die paix aan koloniale onderdanen verkondigen zo onzinnig is, dat je niets anders kan dan je erbij neerleggen.

Over onzinnig gesproken: in het souterrain van het paleis bleek een witte krokodil te wonen. Ik was de stroom kindjes gevolgd, en ze bleken bijna allemaal voor het verborgen aquarium te zijn gekomen, een deel van het museum dat ik over het hoofd had gezien. Ik genoot intens van hun verwondering bij de gekleurde, exotische vissen, hun grote ogen gespiegeld in het glas van de aquaria – en uiteindelijk de kreten van verrassing bij de aanblik van een traag bewegend wezen, spierwit in het water van zijn eenzame terrarium. Een albino krokodil is een van de zeldzaamste dieren op aarde. Hier lag een van die weinigen, in de kelder van een koloniaal paleis in Parijs, omgeven door kinderen die vol bewondering op hem neerkeken vanachter wanden van glas. Het bood geen troost. Alleen een incompleet beeld van de mensheid, in al zijn schoonheid en imperfectie.

Source: NRC

Previous

Next